De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

ONZE PROPAGANDA.
Wij verheugen er ons over, dat van meer dan één kant ons een sympathiek schrijven werd toegezonden, waarin de gedachte van plaatselijke actie werd onderstreept. Wanneer men dat in Friesland, Groningen, Drenthe, Overijsel, Gelderland, enz. enz. enz., zou willen in practijk brengen, zou dat zeer zeker den veelomvattenden arbeid van den Gereformeerden Bond ten goede komen.
Zeker, 't is waar : het zijn zware tijden. Maar ons werk, met name de opleiding van predikanten voor onze Hervormde (Gereform.) Kerk, mag er niet onder lijden.
Voor werving van abonnees van „De Waarheidsvriend", verspreiding van ons Gedenkboek, oprichten van Afdeelingen en winnen van leden van den Gereformeerden Bond, houden van collecten voor het Studiefonds, organiseeren van spreekbeurten, enz. houden we ons ten zeerste aanbevolen.
Wil men ons niet teleurstellen ? Ook de Administratie te Maassluis geeft gaarne alle gewenschte inlichtingen.

HET EVANGELISATIE-WERK IN NOORD-HOLLAND.
Op verzoek vestigen we gaarne de aandacht van alle belangstellenden in Noord-Holland op de vergadering te Haarlem,
Men leze wat daarvan door het Bestuur wordt meegedeeld.
DE REFORMATIE.
In de Middeleeuwen heeft het niet ontbroken aan vroomheid en groote liefde voor den Heere Ohristus. Soms ging er dan ook gedurende korter of langer tijd een groote kracht uit ten goede voor het volksleven.
Maar toch moet gezegd, dat in de Middeleeuwen de Kerk hoe langs hoe verder is afgeweken van de leer der Apostelen.
Hoe sterk Augustinus, op grond van de Heilige Schrift en eigen zielservaring (Confessiones) ook gestreden heeft tegen het Pelagianisme, de Kerk heeft ten slotte wel Augustinus heilig verklaard, maar zij is den grooten tegenstander van Augustinus, in betrekking tot de natuur van den mensch, voor een groot deel gevolgd en zij is gekomen tot het Semi-Pelagianisme.
Pelagius loochende de erfzonde. Hij hield den mensch van nature, zooals hij geboren wordt, voor goed, en meende dat het zondigen voortkwam uit navolging. Augustinus, getuigend van eigen zonde en roemend in Gods genade, beleed tegenover Pelagius, dat de mensch in zonde ontvangen en geboren is (Psalm 51) en dat hij van nature verkeert in een toestand van „niet kunnen niet-zondigen". De verlossing is dan een werk Gods in degenen, die Hij daartoe heeft uitverkoren.
Pelagius leerde: de mensch is van nature nog volkomen gaaf en gezond. Augustinus leerde: de mensch is dood in zonde en misdaden. De Roomsche Kerk ging er tusschen door en leerde, dat de mensch verzwakt is en geestelijk krank, en nu moet de genade hem te hulp komen, waarvoor de Kerk, als middelaarster tusschen God en de menschen, zorgen zal. Vooral met de biecht oefende zij groote macht over de menschen en maakte zij zioh onmisbaar. Ook met de Sacramenten, als de genade in zich bevattend, stond zij als de onmisbare en onfeilbare, voor de menschen. Wie de Kerk niet gebruikt*, ging verloren; wie zich bij de Kerk voegde, was binnen.
De heiligenvereering nam al grooter plaats in en vertoonde zich in allerlei vormen en vond haar bekroning in de leer van de onbevlekte ontvangenis van Maria. Volgens deze leer zou Maria zonder erfzonde geweest zijn en zij als de Moeder Gods, was de Koningin des hemels, die tot voorspraak en hulp diende. In 1854 is deze leer pas officieel tot kerkelijk dogma verheven, gelijk in 1870 de onfeilbaarheid van den Paus is vastgesteld — maar reeds lang leefden deze dingen in de Kerk).
Ook de beeldendienst nam hoe langer hoe meer vormen aan en werd een belangrijk stuk van den Roomschen godsdienst.
Een andere ernstige dwaling kreeg haar volle beslag in de vaststelling van het leerstuk aangaande het Vagevuur (1439).
Vóór deze leer werd vastgesteld, was er reeds een algemeen gebruik om voor de gestorvenen gebeden te doen en offeranden te brengen.
Volgens de leer van het Vagevuur zijn er drie groepen van zielen. De zielen der ongeloovigen gaan aanstonds naar de hel; die der geloovigen, welke voor hun zonden hier genoegzame 'boete gedaan hebben, aanstonds naar den hemel; terwijl naar het Vagevuur gaan de zielen van die geloovigen, welke in gebreke gebleven zijn om hierl op aarde volledige boete te doen voor hun! vergeeflijke zonden. Deze boetedoening bestaat in het lijden van tijdelijke straffen. Men denkt het zich zóó : Christus heeft de! eeuwige straffen ondergaan, maar de geloovigen, die zondigen, moeten zelf de tij-| delijke straffen lijden, hier op aarde of in het Vagevuur.
Die straffen kunnen echter door voorbeden, misoffers, goede werken en aflaten verkort worden.
Deze leer leidde tot den schandelijken aflaathandel.
Te midden van al deze dwalingen kwam nu eenerzijds, dat men de Schriftuurlijke tegenstelling van zonde en genade al meer en meer ging vervangen door de ascetische tegenstelling van natuur en genade.
De natuur was het lagere, waarboven de mensch uit kon komen door de helpende genade. En die genade verleende de Kerk, door middel van de Sacramenten. De Kerk werd al meer en meer de middelares, welke de heerlijkheid van den eenigen Middelaar, Jezus Christus, voor de oogen der menschen verduisterde. De „leeken" misten alle zelfstandigheid en waren geheel afhankelijk van priester en Kerk.
Daar het natuurlijk leven werd geringschat en van lager orde beschouwd, kwam het niet tot een met blijdschap dienen van God in dit leven. En al grooter werd het aantal dergenen, die de wereld wilden ontvluchten en zich terugtrokken in een klooster.
Maar anderzijds zonk men hoe langer hoe meer weg in allerlei dwaling niet alleen, maar ook in allerlei schandelijkheden des levens. Veel priesters en monniken waren berucht tegen het eind van de 15de eeuw om hun losbandigen levenswandel, te midden van een kerkelijk leven, dat geheel ontaardde in vormendienst.
De paus, die regeerde toen Luther optrad (1517), wordt ons, beschreven als een genotzuchtig, prachtlievend, verkwistend en lichtzinnig man, zonder eenigen zin voor religie en Kerk.
Reformatorische drang — tal van voorloopers der Hervorming kunnen we noemen — was al vaak openbaar geworden, maar tot krachtige daden kwam het eerst, toen Luther in 1517 aan de Wittenberger Slotkapel zijn 95 stellingen hechtte, welke gericht waren voornamelijk tegen den schandelijken aflaathandel en het Evangelie van Gods genade den schat der Kerk noemden.
De groote tegenstelling was en werd hoe langer hoe meer : Rome met de traditie boven Gods Woord, met den Paus als onfeilbare uitlegger, én de Reformatie met Gods Woord, waarvan geleerd werd de volstrekte autoriteit, rustend in het wezen van de Schrift als Gods Woord. Daarbij leerde de Hervorming de duidelijkheid der Heilige Schrift, die een licht voor ons is, door welke wij zonder tusschenkomst van menschen kunnen komen tot zaligmakende kennis van God en Christus. Daarnaast de genoegzaamheid van den Bijbel, want alles wat we noodig hebben om te gelooven, wordt in Gods Woord ons geleerd, waarom de traditie (overlevering) der Kerk, of ook de geschriften van kerkvaders en heiligen niet met de Schrift mogen gelijkgesteld worden. Matth. 15 vers 9. Art. 7 Ned. Gel. belijdenis.
De Heilige Schrift, waarom alles ging, moest dan ook weer in de volkstaal onder de menschen worden gebracht (de vertaling in het Duitsch van Luther), te meer, waar allen, de geestelijken zoo goed als dé leeken, van het Woord Gods vervreemd waren.
Naast Luther en Zwingli is ook Calvijn opgetreden. Van verschillende kanten kwam de aanval op de Roomsche Kerk, die hoe langer hoe meer met allerlei dwalingen de leer der zaligheid had verduisterd. En zoo werd de Kerk bevrijd van de pauselijke hiërarchie en de overheersching der geestelijkheid en weer gezien als de vergadering der ware Christ-geloovigen. In den Heidelbergschen Catechismus werd geschreven dat er één heilige, algemeene of catholieke — niet Roomsche, wél Catholieke — Christelijke Kerk is; waarvan de Christgeloovige belijdt: „Dat de Zone Gods, uit het gansche menschelijk geslacht. Zich eene Gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven" (Zondag 21, vr. 54).
En in de Ned. Geloofsbelijdenis werd gezegd : Art. 27 : „Wij gelooven en belijden eene eenige Katholieke of algemeene Kerk, dewelke is eene heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, alle hunne zalig­ heid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest".
Art. 29 : „Wij gelooven, dat men wel naarstiglijk en met goede voorzichtigheid, uit den Woorde Gods, behoort te onderscheiden, welke de ware Kerk zij". „De merkteekenen, om de ware Kerk te kennen, zijn deze : zoo de Kerk de reine predikatie des Evangelies oefent; indien zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, zooals ze Christus ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. Kortelijk, zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daar tegen zijn, houdende Jezus
Christus voor het eenige Hoofd".
Art. 29 zegt dan van de valsche Kerk : „Aangaande de valsche Kerk, die schrijft zich en haren ordinantiën méér macht en autoriteit toe dan den Woorde Gods en wil zich aan het juk van Christus niet onderwerpen ; zij bedient de Sacramenten niet, gelijk Christus in Zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk als het haar goed dunkt; zij grondt zich meer op de menschen, dan op Christus ; zij vervolgt degenen, die heilig leven naar het Woord Gods en die haar bestraffen over hare gebreken, gierigheid en afgoderijen.
Deze twee Kerken (n.l. de ware en de valsche Kerk) zijn lichtelijk te kennen en van malkanderen te onderscheiden".
Van de ware leden der Kerk zegt art. 29 dan : „En aangaande degenen, die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merkteekenen der Christenen ; te weten, uit het geloof, en wanneer zij, aangenomen hebbende den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den waren God en hunnen naaste liefhebben, niet afwijkende noch ter rechter-noch ter linkerhand, en hun vleesch kruisigen met zijne werken. Alzoo nochtans niet, alsof er nog geen groote zwakheid in hen zij ; maar zij strijden daartegen door den Geest alle de dagen huns levens, nemende gestadiglijk hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid des Heeren Jezus, in denwelken zij vergeving hunner zonden hebben door het geloof in Hem".
Een héél andere Kerkbeschouwing kwam te staan tegenover de vervalschte beschouwing van Rome, weer terugkeerend tot de oude paden, die naar Gods Woord zijn en ook in de eerste Christen-kerken werden bewandeld.
Daarom was het ook, in de dagen der Hervorming, niet het stichten van een nieuwe Kerk — maar het was de reformatie van de schrikkelijk gedeformeerde of verbasterde Kerk; het was een hérvorming van de misvormde Kerk, die schandelijk was afgeweken van den weg des Heeren en van de leer der zaligheid.
Helaas ! is niet héél de Kerk gereformeerd. De gedeformeerde, ontaarde, misvormde Kerk is blijven voortbestaan in de Roomsche of pauselijke Kerk.
Dit is voor de Hervormers een groote teleurstelling geweest.
Helaas ! zijn ook de gezuiverde of hervormde Kerken, die door den Heere uit het Roomsche diensthuis door Zijn Geest en Woord zijn uitgeleid, niet in staat geweest een duurzame éénheid te vormen, zoodat Lutherschen en Gereformeerden gescheiden bleven, waarbij bovendien voor velen de vrijheid tot bandeloosheid werd; en de Waarheid Gods werd door velen omgezet in leugenleer. Losscheuring van de ware Kerk des Woords bleef niet uit en allerlei secten gaven zich voor de ware Kerk uit, terwijl zij toch meer bij eigen licht leefden dan bij het licht van Gods Woord. (Art. 29 Ned. Geloofsbelijdenis vestigt niet zonder groote oorzaak op de secten, die met de pretentie van de ware Kerk te zijn, de aandacht).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's