De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

12 minuten leestijd

hij nu had in zijn opperzaal opan vensters tegen Jeruzalem aan. Daniël 6 vers 11m.

OPEN VENSTERS TEGEN JERUZALEM AAN.
Bij ontzaggelijk veel nadeelen, zijn toch ook meerdere voordeelen van den modernen tijd te noemen. Ik denk b.v. aan de regeling van de arbeidsduur in fabrieken en het mijnbedrijf. Wie zal durven ontkennen, dat dit voor velen ten zegen is ? Al moet voor overdrijving in dezen ook al weer opgepast worden.
In 't bijzonder wilde ik uw aandacht richten op dit voordeel van den modernen tijd : de huisvesting van hen, die met de handen hun dagelijksch brood moeten verdienen. Vergelijk in vele van onze grootste steden de vieze, muffe, vunzige sloppen van voorheen eens met de vriendelijke, heldergeschilderde arbeiderswoningen Aan thans ! Waarlijk, een groot verschil ! Licht en lucht kunnen door meerdere vensters naar binnen stroomen. En daarnaar vraagt de mensch van onzen dag immers : naar licht en naar lucht!
Weet ge, wat nu zoo jammer is ? Dat die menschen in die zondoorstraalde woningen zoo menigmaal harten bezitten, die voor God en Zijn Woord, God en Zijn Christus, de Zon der gerechtigheid, gesloten zijn. Dit is de vloek van onzen tijd, onzen „verlichten" tijd, dat er in zoovele harten een angstige, onrustbarende duisternis heerscht. Ik behoef u dit niet met bewijzen te staven. Die kunt ge dagelijks in de nieuwsbladen b.v. lezen. En dan : er is zooveel onkunde op godsdienstig, geestelijk gebied. De groote massa weet niet meer, zelfs niet verstandelijk, dat de mensch, in zonden ontvangen en geboren, en daarom een kind des toorns is, dat hij, om Gods Koninkrijk binnen te kunnen gaan, wederom (d.i. van boven) geboren worden moet.
Zoo ontroerend velen hebben wel open vensters in de richting van de stof, van de zonde, maar niet in de richting van het ware geestelijke, van het eeuwig goede. En 't is beter te wonen in een krot, met open vensters tegen Jeruzalem aan, dan in een paleis, terwijl deze vensters gesloten zijn.
Darius, de machtige koning van het Perzische rijk heeft besloten om over zijn uitgestrekt machtsgebied honderd en twintig stadhouders aan te stellen, die weer zouden staan onder zeggenschap van drie vorsten, van wie Daniël de eerste zou zijn. Het is zoo goed te begrijpen, dat de vorsten 't niet verkroppen kunnen dat Daniël steeds in aanzien bij den koning stijgt. Waarom moet hij, de vreemdeling, de gevankelijk weggevoerde uit Juda, wèl, en een van hen, geboren aristocraten, niet de eerste plaats innemen ? Daniël moet, het koste wat het koste, ten val worden gebracht. Maar hoe ? Dat is een moeilijke vraag. Er valt op zijn leven niet zooveel te zeggen. Trouw vervult hij zijn taak. Nimmer vergeet hij zijn plichten. Daniël is een voortreffelijk man, en zelfs de scherpziende haat en jaloezie kan op zijn gewaad geen vlek ontdekken. Van nature een man van gelijke bewegingen als wij allen, had de Heere hem voor „uitbrekende" zonden bewaard. Hij mocht gekend worden.
Dat dit voor iedere „vrome'" gold ! Toch moest Daniël vallen. Haat is vindingrijk. Als de vorsten hem dan in zijn maatschappelijk leven niets ten laste kunnen leggen, zullen ze hem op godsdienstig terrein strikken spannen. Ge weet, welken geraffineerden duivelschen list ze beramen. In dertig dagen zal niemand een verzoek mogen doen van eenigen god of mensch, behalve van den koning. Zoo snijdt het mes aan twee kanten: ze vleien Darius (en daardoor zullen ze in zijn gïinst stijgen) en ze richten zoo een steek naar Daniël, die zonder eenigen twijfel doel zal treffen. Hun snood plan wordt volvoerd. Darius teekent het schrift en gebod, dat ieder, die in dertig dagen eenig verzoek richt tot een god of mensch, behalve tot hem, in den kuil der leeuwen geworpen zal worden.
Als op bloed beluste roofdieren sluipen de vorsten, op het uur, waarop Daniël gewoon was te bidden, rond zijn woning. En ja, daar voor de open vensters, die uitzagen op Jeruzalem, de stad waar 's Heeren tempel eenmaal stond en de Heere zich in het bijzonder door Zijn volk liet vinden, knielt de man Gods neer. Daar stort hij, naar gewoonte, zijn hart voor den Heere uit, daar maakt hij den Almachtige zijn nooden bekend, daar dankt hij zijn Bondsgod voor reeds genoten zegeningen en weldaden.
Daniël, wat zijt ge een moedig man ! Ge weet toch, dat die wet speciaal voor u gemaakt is ! Ge weet toch, dat dat knielen uw dood zal kosten ! Daniël steunt op God, zijn Toeverlaat. Daniël sterkt zich in den Heere, zijn God. Daniël had open vensters tegen Jeruzalem aan. Dat is het geheim van zijn moed. Hij kende den verborgen omgang met den Heere, hij kende de kracht van het gebed. Als Daniël geen „open vensters" had gehad, maar een man was geweest van „verstandig overleg", van „koele koudzakelijkheid", had hij aldus geredeneerd : „Ik mag mijn leven niet in de waagschaal stellen. Dat is zonde, 'k Kan nog zooveel ten goede voor mijn volk verrichten, 't Is toch evengoed mogelijk God te eeren, deze dertig dagen, zonder dat iemand het ziet. 'k Moet mijn godsdienst nu maar wat maskeeren. Bidden, zoo in een verborgen hoekje Dat is, deze der­tig dagen, toch verstandiger".
Wij zijn vaak zoo listig in het bedenken van vrome uitvluchten. Wij kunnen 't verkeerde soms zoo vroom goedpraten en dan nog met Bijbelteksten staven. Onze godsdienst is zoo vaak futloos, bloedeloos. Een zaak van het hoofd, en niet van het hart. Verstandelijke berekening en geen innerlijke ervaring. Wij hebben geen open vensters tegen Jeruzalem aan, al laten wij ons op onze orthodoxie, op onze zuivere belijdenis voorstaan. Onze godsdienst moet ons niet in onze belangen schaden, maar liever geld in de lade brengen. Ons geen offers kosten. O, laten wij bidden, of de Heere ons, vrome menschen, door Zijn Heiligen Geest verbreken en verbrijzelen wil in onzen hoogmoed, in onze verhardheid. Dan zullen wij snikkend voor Hem op de knieën zinken : o God, ik beef ! De ramen en deuren van mijn hart zijn voor U en Uw Gezalfde gesloten, en de grendels en scharnieren zijn door 't verdervende vocht van de zonde zóó gesloten, dat geen menschenkracht in staat is ze open te breken. O, Heere, ik ben onmachtig, maar bij U zijn alle dingen mogelijk. Dan zal, op zulk een gebed, op Gods tijd ons gesloten hart open springen. En dan zullen wij gaan verstaan wat ware vrede, wat echte blijd, schap is. Dan daalt de Heere zelf in ons hart, maakt de Heilige Geest er woonplaats. Dan worden wij „bevredigde" menschen, „vervulde" menschen, Pinkster-christenen. En zij, en zij alleen, weten wat in Bijbelschen zin, godsdienstig leven is : het grootste geluk voor het eigen hart, maar bovenal, omdat God de eer ontvangt. Zij, die een „open" hart ontvangen mochten, hebben een oog voor 's Heeren leidende genade in het verleden, Zijn sterkende genade in het heden. Zijn vertroostende genade in de toekomst. Zij kennen de zalig-intieme oogenblikken
van Gods gemeenschap, als hun het heilgeheim ontsluierd wordt; zij kennen den wandel met God.
Gebrek aan open vensters is er onder ons, vrome menschen, omdat wij te veel opgaan in het aardsche en vergankelijke, of omdat de tijd voor geregeld bidden en bijtoellezen, getrouw kerkgaan, ons in onzen rusteloozen dag ontbreekt, of omdat een nog onbeleden zonde scheiding maakt tusschen God en onze ziel, of omdat wij nog zooveel van het onze aanhouden, dat overboord moet (werkheiligheid, onschriftuurlijke voorstellingen, ziekelijke gedachten) , waardoor de ramen van onze ziel beslagen zijn.
Gebrek aan open vensters is er in de wereld, die in razende vaart ten verderve snelt en rust meent te kunnen vinden in wereldsche vermakelijkheden, of wetenschappelijke onderzoekingen, of occulte godsdiensten.
Daar is zooveel overgeestelijkheid : open, o God, de vensters, opdat de ziektekiemen wegwaaien door de zuivere lucht van Uw Woord; daar is zooveel ongeestelijkheid, onverschilligheid : open, o God, de vensters, opdat het reinigende, verkwikkende, versterkende licht van de Zon der gerechtigheid binnenstroome !
Klagen vele bekommerden : „Ik kan niet klaar en onderscheiden, doch slechts mistig en wazig Jeruzalem zien, door mijn aangeslagen venster" ? Ach, zoek dan toch de oorzaak niet bij den Heere, maar bij uzelf. Stelt ge de middelen, die de Heere u tot verdieping van uw geestelijk leven biedt, wel in het werk ? Handhaaft ge uzelf nog te veel en streeft ge niet naar opname van uw kruis en zelfverloochening ? Als ge de bron van uw geestloosheid in uw eigen verdorven en dwaalziek hart gevonden hebt, en met belijdenis van schuld tot den Heere komt, dan zal ook u het licht opgaan. Nederigen bewijst Hij genade. Ga tot den Heere Jezus met ootmoed, smeekend: Heere, neem mij, zooals ik ben, doe met mij naar Uw welbehagen. Dan zal ook aan u het wonder gebeuren, het wonder van genade, van onverdiende, verbeurde liefde : het venster, van uw hart zal opengestooten worden. Op uw noodgeschrei doet God groote wond'ren. En welk een heerlijkheid zulk een open venster beteekent ? Ach, daarover kunnen wij maar stamelen. Wij zien het, maar doorgronden 't niet. Het is eigenlijk onbeschrijfelijk, 't Is de blijdschap van den blinde, die het gezicht weer krijgt, van den gevangene, die zich de deuren van de gevangenis ziet geopend. Dit weten we : het bezit van open vensters is kostelijker dan dat van robijnen, kostelijker dan de plaats naast prinsen of wereldgrooten, kostelijker dan veel menschengunst en menscheneer, kostelijker dan veel geld en veel bezittingen en veel „verstand".
Als we open vensters mogen bezitten, dan kunnen we geduldig lijden. Want dan weten we : God vergist zich nooit. Wat deert het of het lichaam gesloopt wordt, of wij weg moeten zwoegen en tobben, als we door het open venster den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs maar zien kunnen ! Wat deert het, of wij het dal der schaduwen des doods moeten toetreden, als we door het open venster den ondersteunenden stok en staf des Heeren en de toegerichte tafel maar zien kunnen !
De heerlijkheid van het open venster is, dat we naar buiten, maar ook naar binnen zien kunnen. Naar buiten zien we de goedheid, majesteit, genade des Heeren — en we eeren den Allerhoogste ; naar binnen zien we de bron van vuile wanbedrijven, die opborrelt in ons hart — en we vernederen ons voor God, om telkens te ervaren: wie zich onder Zijn krachtige hand vernedert, wordt op Zijn tijd verhoogd. Open vensters — ze doen ons den Heere op het hoogst verheerlijken en het schepsel op 't diepst vernederen.
't Heeft Daniël niet berouwd, dat hij open vensters tegen Jeruzalem aan had. Wel werd hij, al was Darius bedroefd bij zichzelf en stelde hij zijn hart op Daniël om hem te verlossen, in den kuil der leeuwen geworpen, maar de Heere heeft voor Zijn kind gezorgd. De God, dien hij geduriglijk eerde, heeft Zijn Engel gezonden en deze heeft den muil der leeuwen toegesloten, zoodat ze hem niet beschadigen konden.
De grootste vreugde moet wel voor Daniël geweest zijn, niét dat hij zelf verlost werd, niét, dat in zijn plaats de vorsten in den kuil der leeuwen werden geworpen, waar deze woeste dieren hen, vóórdat zij den bodem hadden bereikt, reeds verscheurden, maar dat de majesteit des Heeren zoo duidelijk zichtbaar uitkwam. De grootste vreugde voor Daniël was, dat zelfs een Darius zich vernederde voor den Heere, al heeft deze vernedering, voor zoover wij weten, niet geleid tot een hartgrondige, waarachtige bekeering.
Darius schreef aan alle volken, natiën en tongen : van mij is bevel gegeven, dat men in de gansche heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn Koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe. Hij verlost en redt, en Hij doet teekenen en wonderen in den hemel en op de aarde; die heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost.
Kinderen Gods, de ervaring van Daniël is immers de uwe ? Heeft het u ooit betrouwd, dat ge in uw druk het oog op God gericht hield ? Heeft de Heere u ooit in den steek gelaten ? Bleek het ook in uw leven, niet telkens weer :
Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, . Hij ziet in gunst op die Hem vreezen ?
Welnu, wandel dan ook in deze bange, donkere tijden stillekens achter Hem aan' Hij zorgt voor u. Laat het venster van uw hart steeds openstaan, opdat er contact zijn kan tusschen hemel en aarde. VooralL in deze tijden is een innig, teer gebedsleven, een leven met God, eerste vereischte. Rijze bij voortduring de verzuchting uit uw boezem op: Uw werk, o Heere, behoud dat! We weten het: van nature leeft in ons hart geen gebedsbehoefte; het venster gaat niet open door kracht of geweld. En toch moet het open, zal het voor tijd en eeuwigheid wèl zijn. Daarom is het zaak als menschen, die niet bidden kunnen, voor Jezus neer te vallen en alleen maar te stamelen : Heere, leer ons bidden.
Met gesloten vensters leven we nu reeds in akelige duisternis en zullen we hierna in eeuwige donkerheid verkeeren; met open vensters zien we nu reeds in Gods licht het licht, en zullen we hierna het land van het eeuwige licht betreden.
Dat wij allen eenmaal in de Lichtstad, daar boven, die de zon en maan niet behoeft, dat zij in dezelve zouden schijnen, omdat de heerlijkheid Gods haar verlicht heeft, en het Lam haar kaars is, eeuwig zingen mochten van Gods goedertierenheid. Zijn vrije gunst. Zijn souvereine genade, Zijn onverdiende liefde. Zijn gadelooze ontferming. Amen,
Suawoude.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's