JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. K. Kok te Kampen
Deze gedachte laat hem niet los, maar ook niet, hetgeen Mollema gezegd heeft. Spreekt de Bijhel over zulke kleinigheden ? En als het eens waar was, wat hij zei ?
„Wil je dan zeggen, dat alles, wat er geschiedt, gebeuren moet, Mollema ? " vraagt hij met verheffing van stem.
„Al het goede, ja, mijnheer". „En het kwade dan ? " Ja, daar was weer die oude vraag, die Mollema al eerder bezig hield. Nu wordt 't hem echter ook te machtig ; hij is niet gewoon zoo diep na te denken.
„Dat weet ik niet, mijnheer", is het eerlijke antwoord.
Neen, juist, denkt Jonker van Sterrenburgh, dat weet hij niet, en dat weet niemand, maar daar leggen al die zoogenaamde geloovigen zich bij neer en doen hun verstand zwijgen. Dat wil hij niet; hij wil zijn verstand doen spreken. Hij wil denken, zooveel en zoo diep hij wil, en zooals hij wil; ja, maar wat gaf hem dat ? Weet hij het dan beter ? Of heeft een der wijsgeeren hem dan een bevredigend antwoord gegeven ? Is niet juist zijn hoofd zoo moe en zijn hart zoo ongelukig geworden door al dat denken in eigen en anderer richting ?
Een wonderlijk ding toch, dat geloof, zoo peinst hij. Zijn verstand kan er niet bij, maar toch is het hem klaarder dan ooit, dat wie het heeft daardoor een vrede krijgt, elke gemist wordt door hen, die in zichzelven de oplossing van duizend vraagstukken zoeken, zonder deze echter te vinden.
Intusschen is men bij de pleisterplaats gekomen en wordt het gesprek hier afgebroken. Bij den ingang van het dorp staat, onder het spelen van een lustig wijsje, een troepje straatmuzikanten, aangegaapt door de dorpsjeugd en een enkele boerendeern, wie de vroolijkheid uit de oogen straalt. Ze kunnen er niet hij hoe al dat lawaai uit die groote, koperen hoorns gehaald kan worden.
Schichtig steken de paarden de ooren op en schijnen te willen steigeren, doch een kort, doordringend gefluit van Mollema, die met vaste hand de teugels houdt, werkt kalmeerend.
In „de Posthoorn" wordt eenige oogenblikken gerust. Blijkbaar is de Jonker ook hier geen onbekende, wat valt op te merken uit de wijze, waarop men hem groet. Fluks heeft een staljongen de klaverbak voor de paarden geschoven en drenkt hij hen met water uit de pomp op de binnenplaats.
Mollema legt een dek over de dieren ; zij zijn bezweet en hij houdt niet van tocht. „Prachtige paarden", zegt de jongen, die zich reeds blij maakt met het oog op de fooi, die hij weet zoo straks te zullen ontvangen. Niet een, die zooveel geeft als deze rijke mijnheer. Als allen, die hier met hun rijtuigen in de „doorreed" komen pleisteren, zoó royaal waren, zou hij zijn heele leven wel stalknecht willen blijven; nu krijgt hij echter van de meesten slechts 'n kleinigheid.
„'k Wou, dat ik het geluk eens had bij zoo'n voornaam man in dienst te komen'', voegt hij er bij, tevens een begeerigen blik werpend op de glimmende knoopen van Mollema's rijjas.
„Maar goed je best doen, jongen, wie weet wat dan nog voor je is weggelegd", meent Mollema.
Eenigen tijd later wordt de reis voortgezet. Hoe meer men de stad nadert, hoe meer Mollema al zijn aandacht aan het tweespan heeft te wijden, daar op den heirweg zooveel ontmoet wordt waaraan de paarden niet gewoon zijn ; tal van vrachtwagens en handkarren, afgewisseld met fietsrijders en voetgangers. In de verte nadert een bataljon soldaten in blinkende wapenrusting. Voor alle zekerheid springt Mollema van den bok om de vreesachtige dieren bij den teugel door al die drukte heen te leiden, en dan gaat het weer verder, in flinken draf recht op het doel aan. Vlak hij de stadspoort, waar een groote stalhouderij met ruim erf, vooral op marktdagen, voor tientallen van paarden en rijtuigen gelegenheid biedt om uit te spannen, wordt halt gehouden, en even daarna zijn de schimmels gestald.
Fluks heeft de Jonker het coupétje verlaten, en, na den hotelhouder, die al maar salueert, een paar bevelen gegeven te hebben, verdwijnt hij, met zijn valies onder den arm, spoedig onder de menigte, welke zich in alle richtingen voortspoedt.
In een der zalen van de „Nieuwe Doelen" zitten een drietal heeren gezellig koutend rondom een met een zwaar groen kleed bedekte eikenhouten tafel. Zoo juist is de „Ober" binnen gekomen en heeft een paar flesschen wijn, benevens een drietal kristallen glazen gebracht, en, na een flesch voor de heeren te hebben ontkurkt en de glazen gevuld, verwijderde hij zich weder. Een dezer heeren is Jonker van Sterrenburgh, terwijl wij de anderen in den loop van 't gesprek hooren noemen met de namen „Van Rinia" en „Van Nauta".
Voor eenige oogenblikken is de vergadering, in welke tal van provinciale belangen behandeld werden, geëindigd, 't Ging over de nieuwe spoorlijn, het oprichten van een waterschap met een stoomgemaal en het inpolderen van een paar plassen, waardoor een paar honderd H. A. grond productief kan worden gemaakt. Een en ander zou veel kosten met zich brengen. Wellicht zou van provincie-wege een subsidie kunnen worden verkregen, terwijl ook de betrokken gemeenten een deel van de kosten hadden te betalen, doch een belangrijk percentage zou uit de pacht der boeren of de beurzen der landeigenaars moeten komen. Indien een en ander zou kunnen worden uitgevoerd, dan was het noodig, dat het persoonlijk initiatief op den voorgrond trad en de belanghebenden, door ruime toezeggingen te doen, blijk gaven van instemming met deze ingrijpende plannen.
Vandaar, dat ook Jonker van Sterrenburgh tot deze bijeenkomst werd opgeroepen, en deze als altijd bereid was met zijn kapitalen elke onderneming te steunen, welke levensvatbaarheid bleek te hebben en die aan de bevolking ten goede zou komen. Geen wonder dus, dat men vooral ditmaal zijn tegenwoordigheid op hoogen prijs stelde, te meer, waar, tengevolge van allerlei geruchten, die over hem in omloop waren, gevreesd werd dat hij niet komen zou.
Tegen aller verwachting in was hij echter niet alleen ter vergadering verschenen, maar had bovendien een levendig aandeel in de verschillende 'besprekingen genomen, waarbij hij van zijn zaakkundige kennis door jarenlange practische ervaring telkens had blijk gegeven, en ten slotte een veel grooter bedrag dan gevraagd werd, in de ondernemingen gestort, waardoor de kans van slagen des te grooter werd. Tevens had het zeer de aandacht der heeren getrokken, dat de Jonker ditmaal oneindig spraakzamer was dan gewoonlijk, ja, zelfs zoo nu en dan een zekeren humor aan den dag legde, welke aan zijn studiejaren herinnerde.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's