De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

9 minuten leestijd

HET REGEERINGSBELEID.
In het Voorloopig Verslag nopens het 1ste Hoofdstuk der RijKsbegrooting, dat is het Verslag van de gehouden besprekingen in de Afdeelingen der Tweede Kamer, komen twee passages voor, die onwillekeurig de aandacht trekken.De eerste is :
Een der leden had deze ernstige bedenking tegen het beleid van het Kabinet, dat het eenzijdig het oog gericht houdt op de materieele belangen des volks. Een Kabinet, dat zich Christelijk noemt — aldus dit lid — had de geestelijke belangen moeten laten voorgaan en de stoffelijke op het tweede plan moeten brengen. Dat zulks niet is geschied, is 't gevolg van de politieke samenwerking van de Protestanten met de Katholieken. Het hier aan het woord zijnde lid wenschte artikel 36 der Geloofsbelijdenis betracht te zien, overeenkomstig het Protestantsche karakter der natie. Het Kabinet heeft aan het volk steenen voor brood gegeven. Het houdt kunstmatig de antithese in stand. Slechts Rome en Moskou profiteeren daarvan.
De tweede luidt :
Enkele andere leden gaven eveneens als hun gevoelen te kennen, dat het Kabinet niet in Christelijken zin regeert. Het is een vermomd Coalitie-Kabinet, Rome tot voordeel. Het blijft in gebreke de doodstraf weder in te voeren, de lijkverbranding te verbieden, de Zondagsrust en de Zondagsheiliging te verzekeren, het gezag  te handhaven, den godsdienst en de zedelijkheid te bevorderen. Zoolang Gods geboden op deze wijze worden veronachtzaamd, en in Nederland de nationaal-gereformeerde beginselen geen voorrang genieten, zal het — zoo luidde de uitspraak dezer leden — met ons volk berg af gaan.
Het zal onmiddellijk opvallen, dat in de eerste passage aan het woord is het lid van de Hervormd (Geref.) Staatspartij, en dat de tweede beschouwing gehouden werd door de Staatkundig Gereformeerden.
Het lijkt ons niet ondienstig om op de opmerkingen, die hier naar voren werden gebracht, een paar kantteekeningen te maken.
In de eerste plaats willen wij iets zeggen over het beleid van het Kabinet ten aanzien van wat genoemd wordt „de bevoordeeling van Rome".
Echter, waarin die bevoordeeling der Roomschen uitkomt, daarvan wordt, jammer genoeg, niets gezegd.
Wij bevroeden, dat men het oog had op de benoemingen en op het niet in de belasting betrekken van de goederen in de doode hand, het bekende stokpaardje van de Hervormd (Geref.) Staatspartij.
Wat de benoemingen betreft, mogen wij opmerken, dat artikel 171 van de Grondwet bepaalt, dat de belijders der onderscheidene godsdiensten allen dezelfde burgerlijke-en burgerschapsrechten genieten en gelijke aanspraken hebben op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.
Zoo staat het woordelijk in de Grondwet geschreven.
Op de Grondwet nu hebben ook het Hervormd (Geref.) Kamerlid, zoowel als de Staatkundig Gereformeerden den eed van getrouwheid afgelegd. Zij zullen dus niet wenschen, dat de Regeering bij haar benoemingen de Grondwet buiten de deur plaatst.
Wil men dit niet, dan rijst verder de vraag, of bij de benoemingen tot waardigheden, ambten en bedieningen, inderdaad de Roomschen in gunstiger conditie verkeeren dan de Protestanten en dus bevoordeeling genieten.
De feiten wijzen dit niet uit. Dewijl de Roomschen meer dan één derde deel van de bevolking uitmaken, zouden zij aanspraak kunnen maken op b.v. — om eens het hoogste burgerlijke ambt hier te lande te noemen —, vier plaatsen van Commissarissen der Koningin. Zij bezetten slechts drie zetels. Daarbij komt nog, dat de derde zetel, die van Commissaris der Koningin in Overijssel, eerst door een Roomsch-Katholiek werd ingenomen, toen geen enkele Protestant, daarvoor aangezocht, zich voor dit hooge ambt wilde beschikbaar stellen.
Niet anders staat het met de benoemingen tot het burgemeestersambt.
Uit hoofde van hun zielental zouden de Roomsch-Katholieken ook wel op enkele belangrijke burgemeestersplaatsen kunnen aanspraak maken. Toch wordt in geen enkele groote gemeente in Nederland boven den Moerdijk een Roomsch-Katholiek burgemeester aangetroffen.
Amsterdam, Rotterdam, 's Gravenhage, Utrecht, Leeuwarden, Groningen, Assen, Zwolle enz., zijn zoovele bewijzen om dit feit te staven.
Achten intusschen de leden van de Hervormd (Geref.) Staatspartij en de Staatkundig Gereformeerden het verkeerd, dat er toch Roomsch-Katholieke Commissarissen der Koningin en burgemeesters benoemd worden, dan zullen zij voorstellen moeten aanhangig maken tot wijziging der Grondwet, althans zij zullen moeten weigeren om op de vigeerende Grondwet den eed van getrouwheid af te leggen. Zoolang zij dit echter nalaten, verliezen zij het recht om over de benoemingen van Roomsch Katholieken in waardigheden, ambten en bedieningen te klagen.
Wij hebben nu eenmaal een Grondwet, die de gelijke aanspraken van de belijders van de onderscheidene godsdiensten bepaalt. Zoolang wij zulk een Grondwet houden, heeft elk Kabinet, óok al maakten leden van de Hervormd (Geref.) Staatspartij of Staatk. Gereformeerden daarvan deel uit, zich naar haar inhoud te gedragen.
Van bevoordeeling van Roomsch-Katholieken bij benoemingen is in ons land geen sprake.
Hoe staat het nu met het niet in de belasting betrekken van goederen, die aan instellingen van de doode hand behooren ?
Onder deze instellingen wordt gemeenlijk verstaan : alle zedelijke lichamen, instellingen en vereenigingen, welke rechtspersoonlijkheid bezitten, stichtingen daaronder begrepen, zooals kloosters, R. K. liefdadigheidsinstellingen en dergelijke lichamen meer.
De grief is nu, dat de kapitalen, die deze stichtingen bezitten, de z.g.n. goederen in de doode hand, niet aan de vermogensbelasting onderworpen zijn. Deze vrijstelling van belasting wordt een bevoorrechting van Rome genoemd. Rome — zoo zegt men — profiteert daarvan.
Het Kabinet is Rome tot voordeel. Nu zien zij, die deze grief hebben, intusschen voorbij, dat niet de Roomschen alléén bezitters zijn van goederen in de doode hand, doch dat ook andere lichamen over zulke goederen beschikken. Wy noemen slechts domeinen, provinciën, gemeenten en Waterschappen.
Ook kerken, behalve de Roomsch Katholieke, hebben den eigendom van goederen in de doode hand, den eigendom van bezittingen, die niet door erfrecht worden overgedragen en waarvan geen overgangsrechten werden betaald.
Het is daarbij opmerkelijk, dat, wat de geldelijke waarde van deze goederen betreft, de Protestanten — naar „De Nederlander" onlangs mededeelde —, even veel als, of meer dan de Roomsch Katholieken ontvangen voor „de doode hand".
Zoo schreef dit dagblad : Op een totaal bezit van 92 millioen gulden uit vast goed en uit inschrijvingen Grootboek bezaten de Nederlandsch Hervormde Kerk 48.5 millioen, de overige Protestantsche Kerken 13.5 millioen en de Roomsch Katholieke Kerk 23.5 millioen.
Tegenover de gezamenlijke Protestantsche kerken met 42 millioen gulden aan goederen in de doode hand, staat de R.-Katholieke Kerk met slechts 23.5 millioen gulden.
Hieruit blijkt, dat wanneer de goederen in de doode hand zouden onderworpen worden aan belasting, de Protestantsche kerken een grooter offer zouden moeten brengen dan de Roomsch-Katholieke Kerk.
Het is daarom een legende, als beweerd wordt, dat het Kabinet Rome bevoordeelt, omdat de goederen in de doode hand niet door de belasting worden getroffen.
De feiten wijzen niet uit, dat zij, die In het Voorloopig Verslag nopens het 1ste Hoofdstuk der Rijksbegrooting de opmerking maakten over de bevoorrechte positie van Rome, welke het aan het tegenwoordig Kabinet zou danken, het bij het rechte eind hebben. Daarover zou nog heel wat te zeggen zijn.
Evenmin is de principieele kant van de opmerking, die in het Voorloopig Verslag gemaakt wordt, juist. Doch daarover schrijven wij D.V. het een en ander de volgende maal.

NIET OP DE KERN DER ZAAK INGEGAAN.
Naar aanleiding van het artikeltje „Practijk en Theorie" in ons blad van 20 October, waarvan het slot luidde :
In deze meening — dat bij het nalaten van voorzorg in den socialen nood van de massa niet is te voorzien — werden wij versterkt, toen wij dezer dagen uit den kring der Gereformeerde Gemeenten een bericht uit Harderwijk lazen, waarin wordt medegedeeld, dat van een lid der politieke partij een bedrag van ruim 300 gulden was verbrand. De man was uit beginsel niet in een fonds gegaan, en was dus alles kwijt. Harderwijk was nu niet bij machte om te helpen, de vereeniging roept daarom de hulp in van allen in den lande, die iets kunnen missen, om hier te helpen. Dit is nu maar een enkel geval, dat echter den toestand typeert van wat het worden zou als ieder maar onbezorgd voort leefde.
Het werd dan een chaos.
Voor de zooveelste maal blijkt, dat de practijk niet op de theorie Ioopt — ontvingen wij het navolgende ingezonden stuk :
Geachte Redactie,
Als abonné van uw blad werd ik getroffen door het artikel „Practijk en Theorie", voorkomend in het nummer van 20 October j.l. Het is speciaal het gedeelte betreffende een geval te Harderwijk, handelend over het verbranden van ƒ 300.—, ten nadeele van iemand van Gereformeerde beginselen, lid der politieke partij, dat me sterk interesseerde.
U doelt op een bericht uit den kring der Gereformeerde Gemeenten (Banier? ) en zegt in dit verband : „Harderwijk was niet bij machte om te helpen, de vereeniging roept daarom de hulp in van allen in den lande, die iets kunnen missen om hier te helpen".
Ongetwijfeld zal de redactie van bedoeld bericht u tot deze conclusie aanleiding hebben gegeven, doch de feiten zijn ietwat anders.
U moet namelijk weten, dat een der plaatselijke bladen, n.l. Schilder 's Nieuws-en Advertentieblad", oogenblikkelijk een plaatselijke actie op touw zette, waarin de lezers werden uitgenoodigd giften aan het blad te doen toekomen, die onder rekening en verantwoording aan den getroffene zouden worden overgedragen.
Reeds in de volgende editie van het blad stond vermeld, dat deze niet op die wijze wenschte geholpen te worden zoo dat de vele giften direct geretourneerd waren.
Er was dus spoedig en spontaan gegeven, waarom ik opkom tegen de woorden : „Harderwijk was niet bij machte om te helpen, enz."
De geheele kwestie is m.i. gemakkelijk te doorzien. Er is verschil tusschen geld en geld. Giften, uit waarachtige liefde gestort, kunnen wel eens niet van alle smetten vry zijn, zal wel de verschrikkelijke waarheid zyn.
Het liefdadig Harderwijk zou zeker In record-tempo meer dan ƒ300.— bij elkaar hebben gebracht, als U dankend voor de gelegenheid, een onjuiste stelling recht te zetten, teeken
Hoogachtend,
H. VISCH, „ Hoogstraat 46.
Harderwijk, 24 Oct. 1932.
Wy hebben het ingezonden stuk van den heer Visch gaarne geplaatst, omdat daaruit blijkt, dat de feiten anders zyn verloopen, dan in den kring der Gereformeerde Gemeenten werd gedacht. Harderwyk wist ditmaal in toepassing te brengen het Schriftwoord : Draagt elkanders lasten.
Dit is verblydend.
Intusschen ging onze abonné niet in op de kern der zaak, dat wanneer velen zich er toe laten leiden om onbezorgd voort te leven en niet aan het heden of de toekomst te denken, dit ernstige gevolgen met zich zal brengen en tenslotte tot den chaos moet leiden. Over deze dingen schryven wy D.V. nog wel eens later.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's