De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE AFDEELINGEN

6 minuten leestijd

UTRECHT. Maandag 24 October heeft de aangekondigde lezing voor onze afdeeling plaats gehad. Prof. Visscher is tot ons groot genoegen voor ons opgetreden. Zooals bekend, met het onderwerp : „De Bouwmeester aan de geschiedenis van de menschheid".
Zeer gaarne willen we het gesproken woord verder uitdragen, dan 't dien avond gebracht kon worden. Daarom wend ik mij tot u, geachte Hoofdredacteur, met verzoek door middel van De Waarheidsvriend deze persoonlijke aanteekeningen onder het oog van de lezers te brengen, opdat zij, evenals wij, leering kunnen trekken uit deze hoogst ernstige rede.
Onze Professor sprak naar aanleiding van Amos 7 vers 7 : „Nog deed Hij mij aldus zien, en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijne hand". In dit woord zien we God aan den arbeid. Bezien we het karakter van dien arbeid, en tevens den maatstaf, waarnaar dit werk wordt uitgevoerd.
De profeet spreekt over een tijd, veel overeenkomende met dien wij nu beleven. De sprinkhaan in den oogst, heeft tot gevolg dat een hongersnood onvermijdelijk is. De profeet evenwel werpt zich tusschen den Heere en het volk. Wat een voorrecht, dat er in benauwde tijden een voorbidder is. De natuurramp, bestaande in vuur, zou gansch Jakob verslinden, maar ook nu stelt Amos zich in de bres en de Heere laat zich andermaal verbidden. Doch ten derden male zou de Heere het volk Israël niet meer voorbijgaan ; het zal onder het recht Gods doorgaan.
Zooals de profetie het ons doet zien, verrijst voor zijn oog een machtig bouwwerk. Zien wij in onzen tijd nog iets van dat machtige bouwwerk ? Neen. Doch het is er wel, maar dan moeten wij het zien gelijk Amos. God bouwt en werkt, doch de mensch ziet het niet. Amos zegt: de Heere deed mij zien, en als het ons zoo gaat, zien wij 't ook. Wij moeten een oog ontvangen om Gods werk te aanschouwen. De Heere is bezig van dag tot dag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde te scheppen. De haat en strijd der volkeren, de benauwdheid der tijden, zijn als de barensweeën, welke het machtige bouwwerk Gods voorafgaan. Dit gezien in het eeuwigheidslicht, geeft Gods volk rust en vrede, want de Heere staat op den muur. Om dit te zien, moeten wij dit beleven, 't Is in het natuurlijk leven evenals in het geestelijke. Zal het wél met ons zijn, zoo moeten we, gelijk de profeet. God ontmoeten met het paslood in de hand. Dit is voor ons noodzakelijk. Dat God recht is, wordt ons hier geleerd. De muur is naar het paslood gemaakt, dus recht. Gods werk is dus recht, zuiver naar waarheid. Zoo is het ook heden ten dage. God heeft de volken gegrepen in hun gouddorst, in hun weelde, in hun streven naar macht. Gaat er een andere roep uit de volken dan : laat ons eten en drinken en vroolijk zijn ? Om God wordt niet gedacht. Alles ziet naar buiten, naar beneden, niet naar binnen, niet ómhoog. Niemand vraagt om Gods licht, doch men wandelt in eigen licht, en dat is duisternis. Volgens eigen uitspraak deed men de lichten des hemels uit. Wie van de grootmachten der wereld vraagt nog om God ? Strijd om de macht, welke verkregen moet worden, door kanon en kogel. Het oordeel Gods is gekomen over de zonden. Is de wereld nu veranderd ? Geen zier. Alleen wanneer er een wederkeeren is tot God, dan zal de wereld veranderen. Het paslood Gods is gekomen over de volken, het paslood, dat recht en waar is. Hoe zien wij het ? Zijn wij recht voor God ? Zal het goed met ons zijn, zoo zullen wij aan het paslood moeten voldoen. Van onszelve zijn wij dat niet, doch dan moeten we pas gemaakt worden door den weg van wedergeboorte en bekeering. Dan hebben wij een heel ander en waar gezicht op den toestand van onszelven, en ook op de geschiedenis van de wereld. Dan zien we niet meer naar buiten en naar beneden, doch door Gods ontdekkend licht naar binnen, en door Gods genade naar boven.
Kent gij in Christus' gerechtigheid ? Dan zijt ge een kind Gods. Israël meende In Amos' tijd den Heere niet van noode te hebben. Hoe staat 't thans met de volken ? Het raderwerk wordt door den mensch niet stil gezet. God gaat door, totdat er geen leed meer geschieden zal op den ganschen berg Zijner heiligheid. De mensch wil dit ook wel, doch gelijktijdig de zonde dienen. Doch vrede zal er niet komen, voor aleer de kennis des Heeren de aarde vervuld zal hebben, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. Vrede door het kruis van Golgotha begeert men niet. Dien vrede Gods vreest de moderne mensch, maar zoekt zijn eigen vrede, doch tevergeefs.
De tijd, dien wij beleven, is donker en somber. De invloed van Gods Woord wordt hoe langer hoe minder op de massa. Daarom komt God over het moderne leven. Wie behouden wil worden uit deze benauwde tijden, het zal niet anders kunnen gaan dan in rechte vernedering voor God. Behoudenis alleen in Christus, dit is de eenige, de oude weg. Sion zal door recht verlost worden. Gelijk de wereld naar recht verloren moet gaan, zoo zal Gods kind door recht behouden moeten worden.
Het oordeel begint van het huis Gods. Laat ons hiernaar staan, dat door het geloof de gerechtigheid van Christus de onze zij, zoo is Hij onze Gerechtigheid. Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding, is voor ons noodzakelijk, doch ook voldoende, in alle stormen en donderslagen van Gods rechtmatigen toorn. Niets en niemand zal ons scheiden van de liefde Gods, welke in Christus Jezus is. Liefde tot het recht Gods, ja, juist niet het minst daartoe, zij dan ook in onze harten. Elke klokslag is ons tot een zeker bewijs, dat we steeds nader komen tot het aanschouwen van het machtige Godsgebouw. Nader komen tot dat oogenblik, dat elk kind des Heeren en de Kerk Gods in haar geheel zal uitroepen : daar is Hij, in Wien wij geloofd hebben.
P. BRINKERS,
Voorzitter van de afd. Utrecht. Utrecht, 31 October 1932.

Uit het Gedenkboek, waarin een breed overzicht van de werkzaamheden te Utrecht voorkomt, blijkt, dat het 8 November a.s. juist vijf en twintig jaar geleden zal zijn, dat de heer Brinkers gekozen werd tot bestuurslid van de afdeeling Utrecht. Wij wenschen den heer Brinkers, die altijd zijn volle krachten met zoo groote liefde voor den Gereformeerden Bond in het algemeen en de afdeeling Utrecht in het bizonder gegeven heeft, langs dezen weg hartelijk geluk !
De Heere spare hem nog lang, ook voor onzen Gereformeerden Bond !

M. VAN GRIEKEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's