JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Zeer verlichte ideeën", smaalt Van Nauta, terwijl hy in één teug zijn glas ledigt en het met kracht weder neerzet, „dat belooft wat! Maar ik verzeker je, dat je van die nieuwigheden niet veel pleizier zal beleven. Je zal beginnen met die menschen den vinger te geven en zij zullen niet rusten voor zy de geheele hand hebben. Ik zeg, laat ze klein, want dat is het beste middel om hen in toom te houden".
„Zoo dachten de Amerikaansche slavenhandelaars indertijd ook", spreekt Van Sterrenburgh in ongestoorde kalmte.
„En zij hadden gelijk". „Maar hebben het verloren, gelijk ik zoo juist merkte, dat de heeren bang zijn eveneens hun macht kwijt te zullen raken. Daarom wilde ik een middel geven tegen de kwaal."
„Een paardenmiddel", spot Van Nauta. „Dat, als alle andere middelen niet meer baten, wel eens zeer heilzaam zou kunnen werken, " meent Van Sterrenburgh.
Eenige oogenblikken wordt het stil. De verwondering en ontzetting onder de vrienden nemen meer en meer toe. Dat was iets anders dan er van den Jonker gefluisterd werd dat hij lijdende zou zijn aan melancholie, welke hem belette aan het leven deel te nemen. In plaats daarvan had hij een beschouwing over de gewichtige maatschappelijke vraagstukken zooals geen der heeren, en dat maar niet als een opwelling van het oogenblik, maar blijkbaar als vrucht van rijp beraad verkregen.
Intusschen kan vooral Van Nauta zijn ergernis niet verbergen. Nadat hij de glazen andermaal gevuld heeft, valt hij uit: „'t Zal mooi worden !" En dan vervolgt hij niet zonder bitterheid : „ik zie het al aankomen, binnen korten tijd lezen wij in de krant, dat in Kleiterp door de goedgeefschheid van Jonker Van Sterrenburgh alle menschen een huis met een stuk grond in eigendom hebben gekregen, zoodat elk evenveel te zeggen heeft, maar de een dan ook geen hand meer voor den ander uitsteekt".
„'k Vrees ook, dat langs dezen weg een omkeering in het leven plaats zal vinden, waarvan de gevolgen niet te berekenen zullen zyn, al wil ik niet ontkennen, dat er veel waars ligt in hetgeen Van Sterrenburgh opmerkt", zegt Van Rinia.
„Maar wy raken daardoor onze macht en ons aanzien kwijt", oppert Van Nauta.
„Als wy deze zouden moeten handhaven ten koste van het geluk van anderen, dan zou ik zeggen, hoe eerder hoe beter, " is het kalme bescheid van den Jonker.
„Prachtige theorie, daar ontbreekt nog maar aan, dat de heer van „Grovestins" vroom wordt!" roept Van Nauta sarcastisch uit, een doordringenden blik op Van Sterrenburgh werpende, als wilde hij op diens gelaat trachten te lezen wat er in zijn hart omgaat.
Met een vasten blik van zijn open oog ontneemt de Jonker hem evenwel de vrijmoedigheid op deze wijze voort te gaan. 't Is alsof hy een opmerking in die richting verwacht heeft, en zonder ook maar even te verraden welk een strijd hem dit kost, zegt hij :
„Wie weet wat er nog gebeurt". Op dit gezegde ontstaat plotseling opnieuw stilte, daar de verbazing de tong der heeren gekluisterd houdt. Van Rinia is de eerste, die spreekt, terwijl hij vraagt:
„Meen je dat werkelijk ? "
Weer volgt een kleine pauze, 't Schijnt, dat Van Sterrenburgh met zich zelf in tweestrijd is en elk woord, dat hij spreken zal, overweegt, terwijl groote ernst hem van het gelaat te lezen is.
Dan vervolgt hij :
„Het zal den heeren wel niet ontgaan zijn dat er in de laatste tijden in myn optreden naar buiten een verandering gekomen is, evenmin als ik er onkundig van ben dat in de kringen, waarin ik my tot hiertoe bewoog, allerlei geruchten omtrent mijn persoon de ronde doen. Men noemt mij een zonderling, die aanleg heeft voor somberheid, zoo niet erger, en op weg is zich voor goed uit de samenleving terug te trekken.
'kWeet, dat velen met bezorgdheid op mij neerzien en meenen mij het leed, dat mij getroffen heeft, te kunnen doen vergeten door allerlei verstrooiing en zingenot voor mij te bedenken. Niet een onder al mijn vrienden en kennissen, zelfs onder mijn familieleden, die echter ook maar eenigszins de dieptte van de smart, die mijn hart zóó heeft gewond en den glans en de vroolijkheid uit mijn jeugdig leven wegnam, bleek te kunnen peilen. Allen meenden, dat het eenige middel, om met kracht de slagen, welke mij troffen, het hoofd te bieden, hier in bestond, mij over het leed heen te werken. Ik neem dit niemand kwalijk, want ik heb dat zelf ook gewild en meermalen anderen vóórgehouden".
Hier zwijgt hij een oogenblik om de ontroering, welke hem dreigt te bevangen, te kunnen beheerschen. Daarna gaat hij voort:
„Het is mij echter gebleken, hoe vruchteloos dit pogen was. Tevergeefs heb ik zoo wel bij de afleiding van het leven, als bij de uitspraken der wijsgeeren en bij de theorieën van de mannen der wetenschap heil gezocht. Zij allen hebben mij teleurgesteld, ja, mijn smart vermeerderd. Het bleek mij, dat hun lessen en raadgevingen voor de practijk van het leven niet deugden. Zelfs kwam het meermalen uit, dat, toen de ure des lydens voor hèn kwam, zy zelf geen houvast hadden aan hetgeen door hen aan anderen als de hoogste levenswijsheid was verkondigd, 't Zou mij niet moeilijk vallen hier namen te noemen van mannen, die eens de toonaangevers in onze mondaine kringen waren en wier geschriften nog door talloos velen worden gelezen en verspreid. Toen heb ik in stilte het leven gadegeslagen van menschen, die al hun hoop en troost in den godsdienst zoeken en den Bijbel gebruiken als hun gids en raadsman. Ik heb er onder hen gezien, die hebben wat ik mis, maar waarnaar mijn hart toch zoo verlangt. Bovendien staat het beeld mijner moeder mij steeds voor den geest, van wie het u misschien bekend is, dat zij ook behoorde tot degenen die hun verwachting van een hooger leven hebben. Het spijt mij, meer dan ik zeggen kan, dat eerst na haar heengaan mijn oogen voor dit alles geopend zijn. Had ik haar nog maar bij mij. Hoe zou zij mij tot leidsvrouw kunnen zijn in het onderzoek van die dingen, die mij nog totaal vreemd zijn, maar die voor haar, daarvan ben ik vast overtuigd, volkomen zeker waren".
Nogmaals volgt op deze woorden een korte pauze, welke geen der heeren den moed heeft te verbreken. Zoowel Van Nauta als Van Rinia zijn enkel aandacht. Blijkbaar maken deze woorden, in allen ernst gesproken, meer indruk op het tweetal, dan zij zichzelf wel bewust zijn. Dat komt, omdat zy opwellen uit een hart, dat behoefte heeft zich eens uit te spreken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's