De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

13 minuten leestijd

CÏIRISTUS' RAAD.
De diepe val des menschen uit den staat der rechtheid komt wel zeer sterk hierin tot openbaring, dat hij onverzadiglijk is in zijn begeerte naar het uitwendige, en dat hij daartegenover spoedig voldaan is over zijn geestelijk bezit. De natuurlijke mensch werpt zich met al zijn krachten van ziel en lichaam op de tijdelijke dingen en stelt zich daarbij een ideaal van geluk voor oogen, dat zich niet verder uitstrekt dan zijn aardsch bestaan ; maar voorzoover de menschelijke natuur ook in zijn gevallen staat een onuitroeibare behoefte heeft aan een bezit, dat boven het aardsche uitgaat (want zijns ondanks breekt gedurig het pijnlijk besef door, dat er een deficit in zijn zielsbestaan aanwezig is, dat hem zeer beangstigen kan en het zuiver genot van wat hij meent te bezitten onmogelijk maakt is hij met weinig tevreden, n.l. met datgene wat het hem mogelijk maakt voor een oogenblik de bange diepten, die hem zoo kunnen verontrusten, te bedekken.
Dan is hij rijk met zijn eigen vondsten of met wat hem voorgehouden wordt door zijn medemensch, die even ijdel is als hij, en laat zich verder meevoeren door de houding van de massa. Zoo zien wij ook een massa van de Christenheid in oppervlakkigheid voortleven, ook bij het rechtzinnig gedeelte, met een uitwendig bezit van leerstellingen en kerkelijke gewoonten, waarop men zich verheft en zich gerust stelt voor de groote eeuwigheid. Men weet niet, dat het slechts schijn is en eigengerechtigheid, dat al zijn ingebeeld bezit ten eenenmale verteerd wordt door het vuur van de heiligheid Gods. De rijkdom voor de ziel is alleen de genade Gods in Jezus. Christus ; is een nieuw hart, waarin de Heere zelf zich een. woning gemaakt heeft. Wij zijn rijk en kunnen alleen rijk zijn, als God met ons is en Hij ons deel is geworden in den Zaligmaker.
Dat wil de Heiland zijn Kerk op aarde gedurig onder het oog brengen opdat zij den rijkdom alleen bij Hem zoeken. Dat deed Hij de gemeente der Laodicenzen, en dat doet Hij door Zijn raad aan haar ook tot de Kerk van alle tijden. Deze raad is de tekst Openbaring 3 vers 18 :
„Ik raad u dat gij van mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt".
De gemeente der Laodicenzen kenmerkte zich door een geest van zelfgenoegzaamheid en zelfbewustheid, welke tot uitdrukking gebracht wordt door de bekende woorden die de Heiland haar in den mond legt: „Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek".
Maar Hij plaatst er Zijn eigen oordeel tegenover : „en gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt".
In de boodschappen, die de apostel Johannes namens den verheerlijkten Christus aan de andere gemeenten in Azië moet overbrengen, wordt naast veel afkeuring ook nog eenige lof en goedkeuring gevonden, maar in die aan deze gemeente vinden wij niets dan strenge bestraffing. Haar geestelijke toestand is van dien aard, dat de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods, zelfs zegt : „Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt noch heet: och, of gij koud waart of heet! Zoo dan omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit mijnen mond spuwen".
De Heiland kent de harten en proeft de nieren, en waar Hij nu deze gemeente proeft, daar wekt haar smaak een zoodanig gevoel van walging op in Zijn heilig ingewand, dat Hij haar uit Zijnen mond nog zal moeten uitspuwen. Hij kan ze haast niet meer verdragen, omdat ze noch koud noch heet is. Er heerscht een geest van onverschilligheid, omdat men alles goedvindt en het evangelie zoo gemakkelijk opneemt. De Heere zou hen nog eerder verdragen, als ze moeite met Zijn Woord hadden en dat oprecht kenbaar maakten. En daartegenover ontbreekt ook alle geestdrift en warmte van geloof en liefde en ijver. De verhouding tot hun Middelaar is harteloos. Innige gebeden worden niet opgezonden ; van zondebesef en leedwezen over zonde en schuld is geen sprake, evenmin van ootmoedige dankbaarheid en zelfverloochening en toewijding aan Zijn dienst. En toch was men rijk bij zichzelf. Uitwendige voorspoed was mede een oorzaak om ze in de valsche gerustheid te sterken. Voorts was men wijs bij zichzelven en opgeblazen in kennis, waarbij de twistgierigheid niet zal ontbroken hebben. O, 't was een gemeente, die in vervolging zou zijn bezweken, 't Schijnt wel alsof de bijl reeds
aan den wortel is gelegd. Bitter is het verwijt, dat de Heiland hen doet. En toch ook hier wordt bewaarheid, dat er een oogenblik is in Zijnen toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid. Want Hij spuwt haar nog niet uit en verwerpt haar niet. De band is nog niet verbroken. Deze harde boodschap is uitvloeisel van Zijn liefde en trouw, zooals blijkt uit de woorden : „Zoo wie ik liefheb, die bestraf en kastijd ik : wees dan ijverig en bekeer u". Daarom komt Hij met Zijn raad. Hij wil ze niet ongewaarschuwd aan zichzelve over laten. Hij doet niet naar recht, maar naar genade. De Heiland komt tot hen als een koopman en raadt hen in hun armoede, naaktheid en blindheid, die zij niet kennen, van Hem te koopen goud, beproefd komende uit het vuur, opdat zij rijk mogen worden; en witte kleederen, opdat zij mogen bekleed worden en de schande hunner naaktheid niet geopenbaard worde ; en oogenzalf, opdat ze hunne oogen zalven en zien mogen.
Bij Jezus Christus is het echte goud te verkrijgen, dat waarlijk rijk maakt, want Hij is de Zaligmaker der wereld, van boven gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Hij is de drager van het kostbare goud voor een menschheid, die dorst naar verzadiging van geluk, maar het zoekt waar het niet te vinden is en het verwacht van wat haar bij nood en dood jammerlijk in den steek laat. Zij weegt geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en haar arbeid voor hetgeen, dat niet verzadigen kan.
Wat baat heeft de mensch van de veelheid zijner kennis, van de schatten van beschaving, van zijn schoone en diepzinnige godsdiensten, als hij niet den eenigen en waarachtigen God, zijn Schepper, heeft teruggevonden en tot Zijn gemeenschap Is gekomen !
Maar dat nu heeft de Heere uit den hemel bewerkt en dat verleent Hij aan een iegelijk, die het van Hem wil koopen. Hij wil niets liever dan rijk maken. Hij wil armen rijk maken met goud, dat beproefd is, dat zuiver is, waarop de keur staat van Zijnen Vader. Hij is het zelf, en wil zichzelf geven aan een ieder die wil. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij is het goud, dat door het vuur is beproefd, want Hij komt uit het vuur, het heetste vuur ; want met de zonde der wereld beladen is Hij, in onze natuur, geworpen in het vuur van Gods toorn, en hel en wereld en al wat goddeloos is, is op Hem losgelaten, maar gewillig heeft Hij den vollen lijdensbeker aangenomen, alles volbrengende, wat de Vader van Hem eischte.
Hij is niet bezweken, maar beproefd bevonden zijnde, heeft de Vader Hem verlost. De engel heeft Zijn graf geopend en triumfeerend over dood en hel is Hij in heerlijkheid verrezen. Zijn vleesch heeft geen verderving gezien.
Beter goud dan Christus is er niet: welk een kostbaren schat vertegenwoordigt het lijden en sterven van Hem, die van den dood niet kon gehouden worden. Want nu is er de Borg en de Middelaar voor verloren zondaren. Hij heeft de gerechtigheid Gods bevredigd en de verzoening met en den toegang tot God, de vrijheid en de zaligheid voor zondaren gekocht met den duren prijs Zijns bloeds. Met Hem schenkt de hemelsche Vader nu alle dingen, want de volheid Gods woont in Hem, opdat het volk al den rijkdom der genade Gods zoude deelachtig zijn.
Jezus Christus is het ware manna uit den hemel, het brood des levens, en wie daarvan zal gegeten hebben, zal in eeuwigheid niet hongeren. Jezus Christus is de Fontein van het levende water, en wie daaruit gedronken zal hebben, zal in eeuwigheid niet dorsten. In Christus is God tot ons gekomen. Hij is Immanuël voor allen, die in Hem gelooven, d.i. God met ons. Met het goud, dat Hij geeft, in de hand, in het hart, hebben we deel aan het eeuwige leven, zijn we kinderen en erfgenamen Gods en van Zijnen Christus. Maar dan zijn we ook rijk en hebben we Hem lief, die ons rijk gemaakt heeft, terwijl we arm waren. Dan leiden we een ander leven, want dan kleven v/e Hem aan, dan gaat er ook uit ons, in wie het goud van Christus wordt gevonden, een glans, een hemelsche glans uit, want dan leven wij niet meer, want wij zijn gestorven, het oude is voorbij gegaan en het is alles nieuw geworden, want Christus leeft in ons. Dan is het met de Laodiceesche zelfgenoegzaamheid gedaan, en een nieuw leven van strijd en zelfverloochening breekt door, en dan wordt een welgevallen van den Heere getrokken. De Laodicenzen waren rijk in eigen oog, maar zij waren zoo arm, en zullen echter schatrijk zijn, als zij het goud der genade Gods in Christus hebben.
Zij waren zoo arm, dat zij zelfs naakt waren, hoewel zij meenden bekleed te zijn en de schande hunner naaktheid bedekt te zijn met het deugdenkleed, dat zij zich zelf geweven hadden. Zij meenden niets te vreezen te hebben, dat ook God tevreden met hen kon zijn, omdat zij zich met hun deugdzaam leven van de heidenen gunstig onderscheidden.
Maar de Heere verklaart, dat zij naakt zijn, dat het dus voor Zijn blik is alsof ze geheel onbedekt zijn. Hij ziet door 't deugdenkleed hunne schande. Voor Hem zijn alle dingen naakt en geopend. Onder het vrome, godsdienstige. Christelijke gewaad zijn voor Zijn heilig oog hun hoogmoed, hun wereldschgezindheid, hun vleeschelijkheid, hun zelfzucht, boosheid, opgerechtigheid en ongeloof en onbekeerlijkheid niet verborgen. En dat is hunne schande. Hun Christendom is geveinsd en niet oprecht. En dat is een gruwel in Zijn oog. Het is de oorzaak, dat Hij ze haast uit Zijnen mond zou spuwen. Maar Hij raadt ze, dat zij, hunne schande nog bekennende, van Hem koopen witte kleederen, opdat zij mogen bekleed worden en de schande hunner naaktheid niet geopenbaard worde.
De Heere Jezus bezit die kleederen alleen ; die lange witte kleederen, die bekwaam zijn om al de schuld van de schan­ de onzer naaktheid te bedekken voor het alziend oog van God, die te heilig is van oogen, dan dat Hij het kwaad kan aanschouwen, en die den schuldige geenszins onschuldig houdt. Hij biedt het kleed aan, dat den zondaar, die van den hoofdschedel af tot de voetzool toe gansch melaatsch is, van het hoofd tot de voeten bedekt.
Door die bedekking is het doemwaardig schepsel geheel rechtvaardig en rein in het oog Gods, als had het nimmer eenige zonde gedaan. En het is juist het gaan van den Borg door het vuur van het gericht Gods over de zonde der wereld, waardoor Hij die lange witte kleederen heeft verworven. Het kleed der gerechtigheid heeft Hij geweven door de schering van Zijn dadelijke en den inslag van Zijn lijdelijke gehoorzaamheid.
Met die gerechtigheid wil Hij bekleeden een ieder, die persoonlijk het van Hem, dien Koopman uit den hemel, wil koopen. Met dit kleed bekleed, mogen arme en naakte zondaren aanzitten aan den maaltijd van de bruiloft des Heeren.
En om dit nu te verstaan en overtuigd te zijn van de onmisbaarheid van het goud en de kleederen, die de Heere Jezus biedt, raadt Hij hen hunne oogen te zalven met oogenzalf, opdat ze zien mogen. Zij waren blind. Met al hun ophef over hunne kennis en hunne redeneeringen over den godsdienst was het éénige noodige voor hen verborgen. Hunne eigene wijsheid was de blinddoek, die het hun onmogelijk maakte den juisten toestand te onderscheiden. Zij zagen niet dat zy ellendig en jammerlijk, arm, blind en naakt waren. In hun hoogmoed waanden zij zich rijk en verrijkt te zijn en aan geen ding gebrek te hebben. De Heere en Heiland wilde, dat zij 't zagen en raadt hen het geneesmiddel te gebruiken, dat ook Hij alleen kan aanbieden. Dat zij acht geven op Zijn Woord en bidden om Zijnen Geest, opdat zij het zien, hoe groot hun zonde en ellende zijn, hoe arm en naakt zij in hun schande daar liggen voor God, maar óok mogen zien dat het alleen de ontfermingen Gods zijn, die hen kunnen behouden. Dan zullen hunne zorgelooze zielen aanschouwen hun zorgelijken toestand, maar óok, dat de Heere hen alleen helpen kan met Zijn genade, dat zij alleen rijk kunnen worden door zich geloovig aan Hem over te geven. Dan zal een nieuw geestelijk leven in hun hart geboren worden, want zoo zullen zij den Heere aanhangen en Hem liefhebben, omdat Hij hen eerst heeft liefgehad. Hij raadt, dat zij van Hem koopen dat goud en die kleederen des heils en de zalfolie, die hun zielsooog opent, opdat zij het evangelielicht mogen opvangen.
Dat moeten zij koopen, maar hoe ! De Heiland zegt toch zelf, dat zij arm en naakt zijn en niets bezitten. Neen, zij kunnen Hem geen prijs aanbieden, en zoolang zij meenen iets te hebben, zullen ze versmaad worden en niets van den hemelschen Koopman kunnen verkrijgen. Hij geeft het om niet aan den berouwhebbenden zondaar, die biddend pleit en zijn hart zoo zwart van zonde aan Hem overgeeft, enkel vertrougevende liefde. Is Hij niet dezelfde, die tot het diepgezonken Israël, dat het genadeverbond zoo schandelijk verbroken had, riep : „O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk".
Wat is de Heiland goed en trouw ! Hij spuwt ze nog niet uit, maar wil ze den kus der verzoening bieden en rijk maken, om deel te hebben in Zijn eeuwige heerlijkheid.
Zalig, die dien raad aanneemt en geloovend in die onbegrijpelijke liefde van Christus tot Hem komt. Hij zal niet beschaamd worden. Zijn ziel zal vet gemaakt worden en de Heere zal de lof en de aanbidding ontvangen. Zijn zondaarsliefde zal geprezen worden.
Maar dan moet ook eerst het oog geopend worden en het hart van alle zorgeloosheid en zelfgenoegzaamheid genezen worden en vernederd door de overtuiging van onze armoede en blindheid en naaktheid de knie des harten gebogen worden. Want de Heere is een Redder uit den nood, de Zaligmaker van wat verloren is.
Hoort dan naar des Heilands raad, o Christen, die wel gedoopt zijt, maar nog zorgeloos en rijk genoeg zijt, om de bekeering uit te stellen; anders zal de Heiland u uit Zijnen mond spuwen en dan is het voor eeuwig te laat en is de markt van vrije genade gesloten. Maar het is nog niet te laat, zoolang gij het voorrecht geniet, dat Christus' raad u voor de ooren verkondigd wordt. En Hij zegt er bij : Zoo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik : wees dan ijverig en bekeer u.
Amen.
G. en O.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's