De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Daarna gaat de Jonker, terwijl hij hen beiden met groote vrijmoedigheid in de oogen blikt, op beslisten toon voort : „Het zal u na deze mededeelingen niet meer bevreemden, dat het mijn vast voornemen is door een nauwkeurig onderzoek van wat de geloovige menschen „de Waarheid" noemen, en tot nog toe mij zoo goed als vreemd geweest is, te trachten dezelfde zekerheid des geloofs te verkrijgen, die zoovelen gelukkig maakt. Of ik slagen zal, weet ik niet. Wél is mij reeds nu duidelijk geworden, dat ik tot hiertoe verworpen heb wat ik niet kende — ook wel eens lichtzinnig gespot heb met wat mij eigenlijk geheel vreemd was. Dit spijt mij, omdat het allesbehalve van ridderlijkheid getuigde. Mocht Ik echter langs dezen weg tot het bezit van datgene komen, v/at ik eigenlijk niet onder woorden kan brengen, maar waarnaar mijn hart verlangt, dan geef ik u de verzekering, dat niets en niemand mij beletten zal eerlijk en rond voor elk, die 't weten wil, te belijden wat mijn hoogste blijdschap werd, en mij het geluk schonk, dat tot hiertoe tevergeefs door mij werd nagejaagd".
Het is moeilijk te zeggen welke gewaarwordingen deze bekentenis bij de beide vrienden teweeg brengt. Na een nieuwe, pijnlijke stilte, spreekt Van Nauta : „Wat ik ook gedacht had, niet, dat het dezen weg met je zou opgaan. Als evenwel de hééren zoo gaan doen, dan is het geen wonder, dat het volk ook anders wordt, en ons mooie, vrije Friesland eerlang onder de macht komt van socialisme en clericalisme".
Een vroolijke lach van Jonker van Sterrenburgh, zooals in geen tijden van hem gehoord werd, is het antwoord op dezen uitval.
„Zou je werkelijk denken, dat deze combinatie bij elkaar past ? " En zelf het antwoord gevend op deze vraag, gaat hij voort: „Wat rnij aangaat, zooveel is mij wèl duidelijk, dat, waar in waarheid het geloof der Christenen heerschappij heeft, het eigendom der aardsche goederen verzekerd is. 't Zullen juist de kerk en de godsdienst zijn, welke diegenen in den weg staan, die in een algeheele omkeering der wereldorde of in een revolutionaire beweging het heil der menschheid zien".
„Dat ben ik volkomen met je eens", zegt thans Van Rinia. „Natuurlijk deel ik je gevoelens niet. Evenmin heb ik lust een onderzoek in te stellen naar die dingen, die tot den godsdienst behooren. Ik zeg, geniet het leven zoolang het lampje brandt, en wat dan verder komt, moeten wij maar eens afwachten, daar breek ik mijn hoofd niet mee. Maar dat de zoogenaamde vrome lui oorzaak zouden zijn van de maatschappelijke verwikkelingen, spreek ik beslist tegen en is met de geschiedenis ook niet te bewijzen ; wèl het omgekeerde. Overigens, zeg ik, leven wij in een vrij land en kan ieder gelooven wat hij wil. Alleen hoop ik maar, dat de vriendschap tusschen ons er niet om verflauwen zal".
„Dat zal aan mij niet liggen", antwoordt de Jonker, „en ten bewijze daarvoor noodig ik je beiden uit over een paar weken deel te nemen aan de lange jacht te Kleiterp en omstreken".
Beiden nemen deze uitnoodiging aan, en nadat nog over een paar algemeene dingen gesproken en de dag bepaald is, waarop men elkander op „Grovestins" ontmoeten zal, nemen de vrienden afscheid van elkander.
„Wil je wel gelooven, dat hij voor ons verloren is !" zegt Van Nauta tegen Van Rinia, als de Jonker is heengegaan.
„Dat zie ik nog niet in", antwoordt deze, „maar wèl voor de partij, waartoe hij tot heden met ons behoorde. Toch is hij nog altijd de eerlijke, openhartige man, dien ik niet minder hoogacht dan voorheen".
In dien tusschentijd heeft Mollema alle gelegenheid de stad te doorwandelen. Hoe bekend is hem alles nog van vroeger, toen hij hier wel eens op de veemarkt kwam.
Onwillekeurig richt hij zijn schreden het eerst dien kant uit; echter vindt hij thans de markt verlaten, maar bemerkt daardoor te beter welk een model-inrichting zij geworden is.
't Is een mirakel, zegt hij bij zichzelf, als hij die ruime gelegenheid, voorzien van alle gerieflijkheden en gemakken ten dienste van het marktwezen, overziet, waar des Vrijdags de keur van Friesland's veestapel te koop wordt aangeboden. In zijn verbeelding ziet hij ze daar staan die lange, lange rijen koeien en schapen en varkens en paarden, en welke dieren meer van heinde en ver mogen worden aangevoerd om hier koopers te vinden.
Daarop gaat hij stadwaarts, zoo nu en dan met bewonderend oog halt houdend voor de een of andere winkel-uitstalling. Eigenlijk is dit niets voor hem, maar als hij thuis komt, moet hij wat kunnen vertellen. Kolossaai, wat groote ramen en wat een artikelen! Nu moest Jap hier wezen, die zou zich de oogen uit het hoofd kijken. Wat een kapitaal er onder één zoo'n winkel zit, en hoeveel lampen men daar des avonds wel niet brandt, 't Is schande, hij telt daar zoo maar even acht groote branders voor één ruit, en dan nog wel gaslicht. Bij hem thuis hebben ze maar één kleine petroleumlamp, en dan nog niet eens met een Belgischen brander. Daar moet zijn vrouw 's avonds bij stoppen en naaien en wat er meer in een huishouding te doen valt.
Hoe gaarne zou hij voor allen iets meenemen, maar het zit er nog niet aan. Later bij welzijn, als hij wat rijker is en wat ruimer zakgeld heeft. Alleen een rinkelbel voor den kleinste, dat kan. Drie stuivers kost zoo'n ding ; 't lijkt wel van been en kan ook fluiten. Als nu de kleine Benjamin kraait van pleizier, heeft het heele huis schik. Zoo heeft Mollema gedacht en gedaan.
Vervolgens is hij weer naar het logement, waar de paarden gestald zijn, gewandeld, om te zien of zij ook drinken begeerden en hen een half brood op te voeren ; en daarna kwam ook voor hem zelf de tijd van eten; zoo had de Jonker het bepaald.
Maar mensch nog toe, wat een maaltijd ! Hij was er eerst verlegen mee geweest, 'k Weet zelf niet, hoeveel vorken en lepels ik kreeg, maar daarop lette ik niet zoo nauw, vertelde hij later aan zijn huisgenooten. Ook wist hij niet te vertellen wat hij gegeten had, maar het had hem als honig gesmaakt, en een stuk vleesch dat hij had ! Wel graag zou hij iets hebben overgehouden om mee te nemen naar huis, doch dat ging natuurlijk niet. De Jonker mocht hem echter weer eens vragen voor zoo'n reisje.
De zon neigt ter kimme, als eindeliik de tijd van inspannen daar is, en dan bevindt men zich al spoedig op den terugweg. Het leek alsof de paarden het wisten, dat ze naar eigen stal gingen, zoo lustig draafden zij.
Verschillende bezigheden hadden den Jonker nog langer opgehouden dan hij gedacht had. Inzonderheid is het onderhoud met zijn rentmeester en notaris van langen duur geweest. Als de muren konden spreken, zouden zij hebben kunnen vertellen welke groote plannen daar besproken waren, en hoe de heer van Kleiterp, met het oog op zijn uitgebreide bezittingen, schikkingen gemaakt had, waarbij allen, die op eenigerlei wijze financieel tot hem in betrekking stonden, nauw betrokken waren.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's