De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

SPINOZA.
24 November 1632 is te Amsterdam geboren Baruch de Spinoza, een Jood, van Portugeesche afkomst, die ver van het land zijner vaderen hier een veilige schuilplaats heeft gevonden, hoewel zijn levensloop als wijsgeer met afwijkende denkbeelden, met veel onrust is gepaard gegaan. Door de rabbijnen onderwezen, is hij geen schijnend licht der synagoge geworden, maar, om de wille van zijn ongeloofstheorieën uit de synagoge geworpen. Arabische wijsbegeerte vormde hem voor een groot deel, maar ook was de invloed van Bruno, Cartesius en Hobbes groot op hem. In Den Haag staat een standbeeld voor den peinzenden philosoof, die, ondermijnd door de gevreesde tuberculose, reeds in 1677, nog geen 45 jaar oud, stierf
Spinoza heeft zijn philosophisch stelsel opgebouwd naar de strenge wetten van de wiskunde. (Ook zijn Ethica). Consequent Pantheïst, ging hij uit van den Al-geest, de ééne oneindige substantie, die alles in zich .bevat en waaruit al de eindige dingen zijn te voorschijn gekomen. Heeft men een driehoek, dan heeft men ook 180 graden, 't tweede is het vanzelfsprekend gevolg van het eerste. Zoo ook zijn met de ééne oneindige substantie, die God genaamd wordt, al de eindige dingen rondom ons gegeven. Uit die nader niet te omschrijven éénheid is de veelheid der dingen. Alles gaat naar de vaste, strenge, consequente wetten, die als wiskunstig zeker door Spinoza worden voorgesteld. Schepping is er niet, onderhouding van het geschapene ook niet. Alles is zooals het is, alles loopt zooals het loopt. Zoo moet nu eenmaal alles gaan — het gaat naar de onverbiddelijke wet van oorzaak en gevolg, alles voortkomend uit die eene en oneindige substantie. Streng determinist is de pantheïst Spinoza. Wilsvrijheid bij den mensch bestaat niet, hij is een schakel van het gebeuren, een rad in de machine, zij 't een levend en denkend rad. Boven alles staat de onverbrekelijke natuurorde. Dat is de God van Spinoza. Telkens noemt hij dien naam, 't welk den argeloozen lezer zou kunnen bedriegen, want Spinoza bedoelt héél iets anders dan God, den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en aarde, Die alle dingen als met Zijn hand onderhoudt en regeert.
Spinoza kent alleen de eene en oneindige substantie, waaruit al de eindige dingen voortkomen, en leeft bij een mechanische natuur-philosophie.
De gedachtenlijnen van Spinoza zijn met meesterlijke gestrengheid en evenredigheid getrokken, maar de Christen mist er in, wat voor den Christen onmisbaar is.
Voor Spinoza was Gods Woord niet een lamp voor den voet en een licht op het pad en zijn groot en verheven denkvermogen is niet geheiligd geweest door de vreeze Gods.
Pantheïst, determinist was Spinoza. Hij was niet een Christen, die de onspeurlijke wijsheid Gods, in Christus geopenbaard en in Zijn Woord tot ons komend, heeft doorzocht met een geheiligd verstand en met een heilbegeerig hart. Een groot wijsgeer was hij, maar die tenslotte dwaas was in het verwerpen van Gods Waarheid. Die niet kende den eenigen troost des Christens. Die als Jood van geboorte, vreemd is gebleven aan Abrahams geloof. Een Israëliet, die niet tot het ware Israël behoorde.
De liberalist kan hem eeren, de Christen prijst z'n denkvermogen, maar veroordeelt zijn leer, verwerpt zijn theorieën, waarschuwt voor zijn beginselen en gevolgtrekkingen.

EEN MATERIALISTISCHE VERKLARING VAN DE AFSCHEIDING IN 1834.
Het Socialisme met de leer van het historisch-materialisme, verklaart alle geestelijke beweging uit stoffelijke factoren. Dat Luther tot de daad van de hervorming der Kerk kwam en tot het propageeren van geestelijke beginselen voor heel het leven, is eenvoudig gevolg van de sociale, van de economische toestanden van den tijd. En de leer van het strenge Calvinisme is de neerslag van de maatschappij-toestanden van die dagen. Een onderdrukt, lijdend volk geloofde gaarne in de souvereiniteit Gods, in de leer van de voorbeschikking enz., wat hun maatschappelijke, stoffelijke omstandigheden als vanzelf mee brachten.
De mensch vormt zichzelf een God, naar omstandigheden daartoe gebracht. En daarom — zoo leert het Socialisme — zal het zoo heerlijk zijn, als het kapitaal en de productiemiddelen niet meer in handen van particuliere personen, van een enkele klasse, van bepaalde vennootschappen zal zijn, maar als er een Socialistische maatschappij zal zijn gekomen, waar alles door en voor het volk geregeld wordt. Dan zal het óók uit zijn met den godsdienst. Dan zijn al die gefantaseerde gods-wezens niet meer noodig. Met gebogen hoofd zullen de goden, als laffe schimmen, van de aarde wegvluchten !
Zoo heeft mevrouw Roland Holst, o.a. onder ons bekend door haar gezegde : „deugd en ondeugd hebben stuivertje verwisseld", in haar boek „Kapitaal en arbeid" ook de kerkelijke beweging, die bij de Afscheiding in 1834 openbaar wordt, als een stuk „klassenstrijd" van de meer proletarische plattelandspredikanten tegen de aristocratische groote-stads-dominees geteekend. Zij schrijft: „De Synode was liberalistisch geworden; de Kerk, eeuwenlang de organisatie van het dogmatisch Calvinisme, aan zijn geest ontglipt. Hoe was dat mogelijk ? Door den vorm van het bestuur, waaronder de Gereformeerde Kerken door de Kerkelijke Organisatie van 1816 waren gebracht. „De voormalige democratie der kerkelijke republiek is overgegaan tot eene aan Oligarchie (regeering van een groep personen, die alles te zeggen hebben) naderende Aristocratie", schrijft prof. Rooyaards in zijn „Hedendaagsch Kerkrecht bij de Hervormden in Nederland". De deftige heeren speelden in haar de baas, bezetten de eervolle en voordeelige baantjes, reikten, hoe zij ook onderling afwijkend dachten op 't gebied van theologische principiën, elkaar trouw de hand, waar 't gold vooruit te komen. En zij waren de halfslachtigen, de onrechtzinnigen, de met revolutionaire filosofie besmetten. — De nederigen en geringen, het predikantenplebs, dat door geboorte, stand, fortuin, van deze cameraderie was uitgesloten en verschimmelde op verafgelegen plattelands-pastorieën, vormden een klasse-tegenstelling met de bevoorrechte, aanzienlijke heeren van de Synode en de Universiteiten, een klasse-tegenstelling, die, zéér natuurlijk onder theologen, zich in den vorm van theologische verschilpunten uitte. Deze proletariërs in de Kerk waren het, die één in levensbeschouwing, min of meer ook in levenswijze, één in rechtzinnigheid met de kleine luyden in hun gemeente, zich op hen beriepen en door hen gesteund en toegejuicht, den strijd aanbonden om de macht in de Kerk" (Prof. dr. P. A. Diepenhorst: Het Socialisme, bladz. 55).
Arme proletariërs geloofden dus nog in de Heilige Schrift als Gods Woord, beleden den Christus der Schriften als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker — enkel en alleen omdat ze nog „proletariërs" waren. Hun geloofsovertuiging kwam op uit hun maatschappelijken toestand, uit de economische omstandigheden waarin zij leefden. En heel de beweging was ten slotte niets anders dan — zooals mevrouw Roland Holst zegt — „een strijd om de macht in de Kerk".
Zoo kan men ook heel het Christendom verklaren uit de eenvoudige levensomstandigheden van Jezus, den armen timmermanszoon, en de maatschappelijke positie van de discipelen, die proletarische visschers waren. Niets dan een worsteling van de proletariërs met de Aristocratische Farizeen en Sadduceën.
Maar het is dan toch wel een heel laagbij-de-grondsche verklaring van een geestelijke beweging ! Wat trouwens geheel in de lijn van 't historisch-materialisme ligt.
Hoogere, goddelijke motieven en eeuwige beginselen kent men niet. De mensch is alles. Uit den mensch, door den mensch, tot den mensch zijn alle dingen, den mensch zij heerlijkheid tot in eeuwigheid !
NEEN, DAT MAG ZEKER NIET !
Van iemand uit Delft ontvingen we een brief. Liever dan dit schrijven als „Ingezonden" op te nemen en er een onderschrift bij te voegen, schrijven we een artikeltje er over. 't Gaat over twee dingen. Dat de Staatkundig Gereformeerden, ook ds. Zandt, tegen cumulatie van inkomens zijn. Dat wil zeggen : ze willen, met de Socialisten en anderen, mee verhinderen, dat één persoon, met name ook de Kamerleden, méér dan één inkomen zal hebben. „Terwijl" — zoo schrijft men — „ds. Kersten en ds. Zandt alle mogelijke inkomens combineeren". En nu vraagt inzender uit Delft: is het wel goed, dat een predikant Kamerlid, lid van den Gemeenteraad, lid van de Provinciale Staten enz, kan zijn en dan tegel ij k bevoegd om het Woord en de Sacramenten te bedienen en dus in volle rechten van Bedienaar des Goddelijken Woords in de Kerk te staan ?
Ons antwoord — gelijk bekend is — blijft luiden : neen, dat is beslist en zeker niet goed! Nooit hebben onze Gereformeerde Vaderen een bedienaar des Goddelijken Woords, die in het ambt staat, maar vrijheid gegeven om er uit en in te loopen op de meest willekeurige wijze. Daarvoor staat het ambt van bedienaar des Goddelijken Woords in het midden der Kerk — want bedienaar des Goddelijken Woords zonder en buiten de Kerk te zijn, hoog en is het veel te heilig.
Wat we ook schrijven met het oog op het belachelijk „in-en uitgaan" van ds. Lingbeek, wat het ambt van herder en leeraar betreft. Zulks moest eenvoudig verboden worden. Natuurlijk kan men „oefenen" in gezelschappen en optreden in samenkomsten enz. niet verhinderen, maar het staan in volle rechten als bedienaar des Goddelijken Woords en der Sacramenten voor iemand, die het ambt voor een politieke betrekking verlaten heeft, is zeer zeker, naar Gereformeerd beginsel geoordeeld, niet geoorloofd. Een lid van de Kamer is geen predikant meer en moest ook niet in den dienst des Woords en der Sacramenten mogen voorgaan.
De tweede vraag was : „Zondag 20 November preekte hier (te Delft) 's morgens ds. Lekkerkerker, 's middags ds. Lekkerkerker en 's avonds ds. Lammerink, en dan treedt 's avonds ds. P. Zandt, lid van de Tweede Kamer, op in „de Gereformeerde Evangelisatie", tijdens de officieele godsdienstoefening in de kerk, waar ds. Lammerink het Woord bedient. Mag dat ? "
Ons antwoord is ook hier : Neen, dat mag zéker niet!
Natuurlijk mag ds. Zandt wel in de Waalsche kerk of in het Gebouw voor Chr. Belangen enz. optreden, wat het recht van de mensch en betreft. Dan mag zoowat alles.
Maar wanneer in de Hervormde Kerk drie godsdienstoefeningen zijn, waar Herv. Gereform. predikanten voorgaan, is het verschrikkelijk wanneer een predikant, die 't ambt heeft verlaten om Kamerlid te worden, dan gaat „evangeliseeren" tegenover de prediking in de Hervormde Kerk, waar een plaatselijk predikant voorgaat, het Woord bedienend naar Gereformeerd beginsel.
Onze Gereformeerde Vaderen noemden dat „rust-en ordeverstooring door eigenwillige, hoogmoedige mannen". (Convent van V/ezel. Zie de Wezelsche Artikelen);
Dat men ook met zulke dingen de Gereformeerde „Evangelisatie" in een wonderlijk daglicht plaatst, zal wellicht duidelijk zijn. 't Werkt op deze wijze niet mee, om er dan nog heel veel respect voor te hebben. En daarom moeten we elkander hier ernstig waarschuwen. Want Hervormd Gereformeerd Evangelisatie-werk is mooi, nuttig, noodig. Maar dan moet het anders zijn dan in Delft door ds. Zandt geschiedt, blijkens zijn optreden op Zondagavond 20 November j.i. Dat is niet toelaatbaar in een geordend kerkelijk leven. Dat is allerminst Evangelisatie-werk in den gewonen zin van het woord. En daarom ook misleidend. Kunnen we nu waarlijk, als ernstige mannen, niet uit al dat klein-gedoe en uit al dat eigenzinnig en eigenmachtig optreden, uitkomen ? 't Zou zoo te wenschen zijn !

WONDERLIJKE TOESTANDEN.
Telkens lezen we berichten uit Amerika, dat blanken en zwarten, die saam behooren tot de Christelijke Kerk, niet saam willen vergaderen in één kerkgebouw. Pas nog moest in de omgeving van New-York de deur van een kerk opengebroken worden om den dienst te kunnen laten doorgaan, en nu schijnt het Kerkbestuur weer geweigerd te hebben Negers toe te laten tot de samenkomst der gemeente.
Wij willen beginnen met te zeggen, dat we van de Amerikaansche toestanden en verhoudingen veel te weinig weten, dan dat we ons een oordeel zouden durven aanmatigen. Ook weten we zéér wel, dat het rassenvraagstuk vol moeilijkheden zit — zelfs in Nederlandsche Kerken is er dikwijls onder blanken een standenverhouding, die ten hemel schreit — maar we vragen toch in verband met deze dingen : is dat nu in den geest van het Woord en naar de beginselen van het Evangelie ?
En hoe moet de wereld over de Kerk oordeelen, als zich zulke toestanden afspelen vóór en in een kerkgebouw ! Blank, bruin, zwart — moet alle verschil ten slotte niet wegvallen in Gods huis en in de Kerk van Christus ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's