De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

11 minuten leestijd

Genesis 2 vers 16 en 17. En de Heere God gebood den mensch zeggende : Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten. Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten ; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

2e Serie. Uit het ongeschreven Woord. VIII.
Naarmate de nieuwe wijsbegeerte aan invloed won, aan Christus' Kerk de eeuwen door geleefd had en zich de zuurdeesem betoonde, die het Westersch cultuurleven zijn stempel opzette, langzaam maar zeker werd teruggedrongen en dus het ontkersteningsproces voortschreed, naar die zelfde mate kwam er eene Schriftbeschouwing tot invloed, die lijnrecht inging tegen de belijdenis van Gods Kerk aangaande de Heilige Schriftuur als het onfeilbaar Woord van God. Met de geschiedenis der wijsbegeerte loopt de geschiedenis der moderne Schrift-critiek evenwijdig. Reeds dit wettigt het vermoeden, dat wij in deze, met zooveel ophef als wetenschappelijk zeker aangeprezen resultaten der historische critiek op den Bijbel, niet van doen hebben met rein wetenschappelijk zekere wetenschap, maar met een door wijsgeerigen invloed bepaald onderzoek, waarvan de uitkomsten afhankelijk zijn van de wijsgeerige beschouwing der geschiedenis in het algemeen. Dat deze met liet etiket der volstrekt wetenschappelijk zekerheid aangeprezen Schriftcritiek aan het geloof in Gods Woord groote nadeelen heeft toegebracht en dat zij op hare beurt dus mede eene der factoren tot ontkerstening is geworden, kan niet ontkend. Zij is eene der oorzaken tevens van het verval der Kerk, van de opkomst eener verwaterde orthodoxie, die het leven van Gods Kerk trachtte te versmelten met de wijsheid dezer eeuw en niets verstond van het diepgaand onderscheid, dat de apostel Paulus ons heeft voorgehouden tusschen „de wijsheid onder de volmaakten" en „de wijsheid dezer wereld", tusschen „den geest der wereld" en „de Geest, die uit God is", gelijk hij ons dit in 1 Cor. 2 heeft ontwikkeld. De Geest, die Gods Kerk wederbaarde, en de geest van de wijsheid dezer wereld, dus van hare wijsbegeerte, zijn volstrekt onderscheiden van elkander naar oorsprong, wezen en werking en kunnen dus niet straffeloos worden vermengd. Ook hier geldt, dat niemand twee heeren dienen kan, of hij zal den eenen haten en den anderen aanhangen. En de ervaring heeft het dan ook geleerd, dat de eerbied voor den geest dezer eeuw velen, die om gevoelsoorzaken nog aan Christelijke voorstellingen vast meenden te moeten houden, langzaam maar zeker van het fundament der vastigheid zijn afgegleden. Het profetische Woord, dat zeer vast is, en waarvan de apostel Petrus vermaande : „gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de morgenster opga in uwe harten", dat Woord werd prijsgegeven voor het drijfzand van het menschelijk gevoel, dat zij als eene wichelroede tegenover de Schrift gebruiken willen om uit te maken wat Woord van God of menschenwoord, waarheid of verdichting zal wezen.
Een der uitgangspunten voor deze moderne bijbelcritiek op de Mozaïsche boeken is het gebruik van de verschillende Godsnamen, zoodat tegen de eenheid dezer geschriften van daaruit de operatie begon. Omdat er in Genesis 1 van God „van Elohim" gesproken werd en in Genesis 2 „de Heere God" als de handelende Godheid ingevoerd wordt, zou daaruit blijken, dat hier stukken van geheel verschillenden oorsprong waren samengevoegd. En wat eenmaal aldus begonnen was, werd nu over heel de Mozaïsche Schrift doorgezet en op steeds verfijnende wijze systematisch toegepast. Voor de eenheid der Schrift, anders dan in een uiterst algemeenen zin, bleef hier geen plaats. Zij werd vernederd tot het product van een zoogenaamden redacteur, die allerlei en van alles soms op de meest grillige en dikwijls willekeurige wijze zou hebben samengeflanst. Reeds meer dan een eeuw is de moderne bijbelcritiek bezig de naden op te speuren, die de aaneengeregen stukken zouden scheiden. En geslachten aaneen zijn met deze critische wijsheid opgevoed en dit moderne bijbelgeloof drong ook in orthodoxe kringen door. Geheel in strijd met het woord des apostels werd de bijbel tot een boek, voortgebracht door den wil eens menschen. De redacteur had het alles op zeer Ingewikkelde wijze soms aaneengeregen, dat de Schrift van God is ingegeven, trad geheel op den achtergrond, want zij werd zoo de vrucht der letterkundige vaardigheid van dezen redacteur, die het Schriftwoord uit allerlei bronnen saamgelezen had.
Indien dit alles juist ware, dan is de belijdenis van Gods Kerk onjuist en ook de apostelen en de Heere Jezus Christus zelve zouden als de dwaalleeraren haar geleid hebben tot geheel verkeerde beschouwingen van de Heilige Schrift als het Woord des levenden Gods. En de geschiedenis heeft dan ook geleerd, dat allen, die ook maar den eersten stap gezet hebben op dit pad der moderne critiek, noodzakelijk moesten voortschrijden tot een andersoortig geloof, dat principieel van dat der gemeente des Heeren verschilt. Zij meenden den vasten bodem der wetenschap te betreden, en zij hadden slechts het geloof van de wijsheid dezer eeuw, waartegen Gods Kerk van alle eeuwen de eenheid der Schriften Gods, hare ingeving door den Heiligen Geest, op grond van hetgeen de Christus zelve en Zijne apostelen blijkens hunne prediking steeds hebben geloofd en getuigd. En het ligt dan ook voor de hand, dat zij, die aan dat getuigenis vasthielden, voor diezelfde verschijnselen, die voor de moderne critiek het uitgangspunt waren om haar ontbindingsproces te voltrekken, op een geheel andere wijze werden verklaard en gewaardeerd. Ook onze Vaderen toch hebben voor dat gebruik der verschillende Godsnamen een oog gehad, maar naar aanleiding daarvan de vraag onder de oogen gezien, of niet in den inhoud van het Schriftgedeelte zelf de grond moest gezocht voor het bijzonder gebruik van den daarvoor gepasten Naam van God.
Welnu, er is tusschen de strekking van Genesis 1 en 2 een zeer groot verschil. Het eerste hoofdstuk spreekt van de wonderwerken Gods, die in de schepping Zijne almogendheid openbaren. Het eerste hoofdstuk geeft een blik over de werken van Gods handen, zoodat het als de inleiding vormt op heel de wereldgeschiedenis, met den val der menschheid, hare wederbaring en voleinding tevens. Het schildert ons op schoone wijze het gansche tooneel, waarop onze historie zich zal afspelen en het geeft in een enkelen grooten trek de lijnen aan van het doelwit Gods met de werken Zijner handen. En als de mensch in het aanzijn is geroepen, dan laat het ons zien, hoe God zelve dat bewustzijn des menschen verlicht, opdat hij door Zijn Woord een inzicht zal verlangen in eigen levensgang en in de hooge roeping, die hij heeft te verwerkelijken. Hij moet inzien in de levensvoorwaarden, hem in onderscheiding van de dieren bereid, opdat hij de aarde zal 'kunnen ver­ vullen en zij aan alle oorden Gods lof zal verkondigen. En die gansche teekening eindigt dan in den Sabbath Gods, dien God geheiligd heeft, opdat alle schepsel bij monde van den naar Zijn beeld geschapen mensch Zijn lof eeuwiglij k zal zingen. In dat eeuwige licht verschijnt hier al het scheppingswerk Gods, door Hem geschapen om het te volmaken en tot zijne eindbestemming te leiden.
Maar als dan op deze wijze de gansche achtergrond is geschilderd van de schouwplaats, waarop Gods Heilige Geest door Zijn Woord het volle licht zal doen opgaan, dan vat Hij het alles saam en zegt: „Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden". Doch dan laat Hij ons ook met nadruk zien, hoe Hij nu van dit algemeene, dat de voorwaarde is voor hetgeen Hij daarna zal beschrijven, overgaat tot het bijzondere, waarom het nu verder in de gansche Schrift te doen is. En daarom wordt dan ook in het laatste gedeelte van het 4e vers van Genesis 2 de tot nu toe steeds in acht genomen natuurlijke volgorde omgekeerd. Vóór dezen wordt er steeds gesproken van hemel en aarde. Eerst wordt de hemel, daarna de aarde genoemd, want in de verhouding dezer twee is de hemel de meerdere, die de aarde verre te boven gaat. Maar nu bij den overgang tot de nadere beschouwing van hetgeen in de werken Gods het hoogste, het verhevenste, het waardigste schepsel is, wordt de volgorde omgekeerd en zegt de Schrift : „ten dage als de Heere God de aarde en den hemel maakte". Hij voert een nieuwen, tot nu toe niet gebezigden Godsnaam In, spreekt van den „Heere God", doch keert tegelijkertijd de volgorde der schepselen om en spreekt van , , de aarde en den hemel", die door den Heere God zijn gemaakt. Uit den aard der zaak is zulks niet toevallig. Er is opzet in dien ommekeer, want van nu voortaan , zal Gods Woord de aandacht inroepen voor hetgeen op deze aarde is, met name voor den mensch, die als Gods beelddrager het schepsel is, tot wien de Heere God Zijn Woord zal spreken en die in Zijne schepping het groote, centrale, het hoofdmoment is, waarin en waardoor Zijn scheppend werk vervolmaakt en voleindigd gev/orden, tot zijn Godverheerlijkend doel moet komen. Dus wordt van nu aan voor de aarde bijzonderlijk aandacht gevraagd. zal God in Zijn Woord spreken over de aarde, over hetgeen daarop is, geschiedt en worden zal. En met name dus wordt daarbij de mensch in het oog gevat en wordt hij op den voorgrond gesteld, dewijl hem eigenlijk alleen onder alle schepselen het Gods Woord geldt, dat Hij zal spreken.
En daarmede hangt nu ook onmiddellijk saam de invoering van dien nieuwen Godsnaam en wordt niet meer als tot nu toe gesproken van God „Elohim", waardoor niet slechts de majesteit en verhevenheid, de mogendheid en macht, maar ook het bovennatuurlijke van het goddelijke Wezen uitgedrukt wordt en alzoo uitdrukking wordt gegeven aan het alle geschapen voorstellingsvermogen te boven gaande zijn en kunnen en werken Gods, gelijk zich dit in Zijne schepping openbaart. Maar als nu de gewijde schrijver over zal gaan tot het verhalen van wat God nu bijzonderlijk deed op deze aarde voor den mensch, dan leert hij ons ook terstond den Schepper kennen in eene zeer bijzondere verhouding, waarin het natuurlijke op den achtergrond treedt voor het geestelijke en zedelijke karakter, waarin God en mensch krachtens schepping met elkander verkeeren. En daarom bezigt hij dan ook dien anderen Godsnaam, waarmede Hij vele eeuwen later, wanneer Israël, Zijn bondsvolk, in het aanzijn was geroepen, bekend wezen zal. Dus spreekt hij van „de Heere God", van dien eeuwigen Schepper dus, die niet slechts door alvermogendheid hemel en aarde en al wat daarop en daarin is, heeft geschapen en draagt door Zijne almacht, maar die nu op bijzondere wijze met den naar Zijn beeld geschapen mensch in eene betrekking van gemeenschap zal verkeeren. Deze andere Godsnaam heeft dus de strekking de zedelijke verhouding, waarin God en mensch met elkander staan, tot uitdrukking te brengen. En dat deze onderscheiding tusschen, om zoo te zeggen, God in Zijne Scheppers-verhouding tot de natuur, en God in Zijne zedelijke bondsbetrekking tot Zijn volk, inderdaad door de heilige schrijvers aldus is gekend en tot uitdrukking gebracht, dat blijkt het duidelijkst uit den 19en Psalm. Zoolang de dichter daar zingt van God, den Werkmeester van de schepping, dan spreekt hij van de hemelen, die Gods eere vertellen, maar zoodra hij het licht van Gods Geest ziet opgaan over de werken der genade, die Hij wrocht in en voor Zijn volk, dan zegt hij : „de wet des Heeren is volmaakt, de getuigenis des Heeren is gewis, de bevelen des Heeren zijn recht, de vreeze des Heeren is rein, de rechten des Heeren zijn waarheid", en als hij in kinderlijken ootmoed zich tot Hem wendt, dan roept hij zijnen God aan en zegt: „o, Heere, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!" Alzoo blijkt het dus wel duidelijk, dat deze zelfde dichter het onderscheid kent en diep ook gevoelt door van den Heere te spreken, als hij getuigenis geeft van hetgeen hij in zijn verborgen omgang met zijnen God heeft ontmoet en van God te zingen, die Zijne majesteit en mogendheid openbaart in de hemelen, die Zijne eere, en het uitspansel, dat Zijner handen werk verkondigt.
En bij dat zelfde licht nu wordt, als de heilige schrijver ons zal mededeelen de bijzonderheden van des menschen wording en van des menschen roeping in het verkeeren met zijn God, van des menschen zedenlijk wezen, dat hem in volle klaarheid door Gods Woord zal worden onthuld, gesproken van den Heere God. Het gebod, dat van Hem uitgaat tot Zijnen mensch, moet gehoord, opdat hij den weg zal kennen, die hem voeren kan van het paradijs op deze aarde naar het paradijs des hemels.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's