STAAT EN MAATSCHPPIJ
HET VACCINATIE-VRAAGSTUK.
Sedert het is komen vast te staan, dat er een oorzakelijk verband bestaat tusschen de encephalitis-gevallen en de vaccinatie, is de indirecte verplichting tot inenting, zooals wij deze bij ons al tientallen jaren kennen, opgeschort geworden.
Van welke .beteekenis het encephalitisgevaar voor de gevaccineerde kinderen is, daarvan worden in 't rapport van de Engelsche Encephalitis-Commissie belangrijke mededeelingen gedaan.
Uit dat rapport blijkt ib.v., dat in Engeland in de jaren 1928—1930 niet minder dan 90 encephalitis-gevallen zijn bekend geworden, waarvan 25 met doodelijken afloop ; in Duitschland in de jaren 1927— 1929 zich 57 gevallen voordeden, waarvan 19 met den dood van het kind eindigden, en in Oostenrijk — om het bij deze drie landen te laten — in de jaren van 1925— 1929 officieel zün vastgesteld geworden 81 gevallen, die aan 22 kinderen het leven kostten.
In ons land waar de jaarstatistieken over encephalitis-gevallen niet bekend zijn, is toch komen vast te staan, dat sedert de encephalitis hare slachtoffers maakte, er tot Januari 1930 een getal van 253 gevallen was te boeken, waarvan 78 gevallen met den dood eindigden.
Met deze cijfers voor oogen, is het begrijpelijk dat vele geneeskundigen op het standpunt staan, dat het verreweg verkieselijk is de inenting vrij te geven. Onder deze zijn er zelfs, die het volmondig uitspreken, dat in het opheffen van den vaccinedwang geen rampgevaar voor de samenleving schuilt.
Natuurlijk zijn er ook andere artsen, die van een tegengesteld gevoelen zijn en die zich ten zeerste bezorgd maken over den vaccinatietoestand der bevolking. Zij willen, nu eenmaal de schorsing der inentingverplichting is gekomen, er tegen waken dat de Nederlandsche geneeskundigen het encephalitis-gevaar te zwaar laten wegen.
Gelukkig is de Regeering het meer eens met de eerste groep geneesheeren, dan met de laatste groep.
Zoo verscheen op 29 September een wetsontwerp om den geldigheidsduur van de opschortingsbepalingen der vaccinatie, die op 1 Januari kwamen te vervallen, weder tot 1 Januari 1935 te verlengen.
Met betrekking tot de gronden voor deze verlenging schrijft de Minister van Binnenlandsohe Zaken :
Het encephalitis-verschijnsel doet zich nog steeds voor. In 1930 zijn in ons land 27.337 kinderen gevaccineerd, waaronder 11.418 beneden twee jaar. Bij de oudere kinderen werden 5 gevallen van encephalitis waargenomen, waarvan 3 met doodelijken afloop. In 1931 bedroeg het aantal inentingen bij kinderen beneden 12 jaar 28.060, waaronder 12.127 bij kinderen onder 2 jaar. In totaal zijn in dat jaar 5 gevallen van encephalitis geconstateerd, die gelukkig alle een onschuldig verloop hebben gehad. Onder de aangetaste kinderen was er één beneden 1 jaar.
Ook in het buitenland bleef de encephalitis zich vertoonen. In Engeland deden zich in 1931 5 gevallen voor, waar onder 2 met doodelijken afloop; in Duitschland 19, waaronder 5 met doodelijken afloop.
Uit hoofde nu van deze cijfers zegt de Minister, dat, waar de omstandigheden, die de wetgever in de jaren 1928, 1929 en 1930 er toe brachten, de zijdelingsche verplichting tot vaccinatie tijdelijk op te schorten, wat betreft de gevolgen van de vaccinatie, nog onveranderd aanwezig zijn en de feiten nog geen grond geven voor een andere oplossing van de moeilijkheden, de juiste weg blijft om de tijdelijke opschorting der vaccinatie opnieuw te verlengen.
Komt nu deze wettige regeling tot stand, waaraan wij niet twijfelen, dan zal de opschorting van de inenting, nadat zij in 't jaar 1928 werd tot stand gebracht, voor de derde maal zijn verlengd geworden.
In 1933 zijn wij echter met de oplossing van het vraagstuk even ver als in 1928.
De Minister verklaart, dat de deskundigen in tal van landen zijn blyven zoeken naar de oorzaken van het encephalitis-verschijnsel. Helaas — voegt de Minister aan deze verklaring toe — moet worden geconstateerd, dat deze onderzoekingen noch elders, noch in ons land tot nu toe tot eenig positief resultaat hebben geleid.
Wij zouden na deze Ministerieele ontboezeming de vraag willen stellen, of het nu niet maar de beste oplossing zou zijn den vaccinedwang voor goed af te schaffen.
Dan kwam er een goed einde aan deze onverkwikkelijke zaak.
DE SOCIALE VOORZORG.
Er bestaat bij velen nog altijd een onjuiste voorstelling ten aanzien van de sociale voorzorg, oftewel de sociale verzekering. Dezer dagen kwam in „De Standaard" een asterisk voor, dat de verzekering van hare principieele zijde belicht en dat der overweging ten volle waard is.
Wij laten het stuk hieronder volgen. „De Standaard" schrijft:
Verzekering" is een onprettig woord voor den Christen, die bij de aankondiging zijner toekomstplannen steeds de toevoeging gewend is, die de apostel Jacobus leerde: „Als de Heere 't wil". Maar er zullen onder de Christenen wel zeer weinigen zijn, die bij 't overdenken hunner „verzekerings"-plannen niet in hun gedachten de afhankelijkheid van 's Heeren gunst tegelijk vasthouden. Het gaat tenslotte niet om het woord, dat afgestompt is tot een geijkten term, maar om den inhoud, dien men zelf er aan geeft.
Zoo is ons Protestantsche woord „dominé", dat „meester", „heer", beteekent, ons als woord heel wat minder sympathiek dan het Roomsche „pastoor", dat „herder" beteekent. Doch geen Protestant zal daarom zijn herder voortaan weigeren dominé te noemen, en hem voortaan als pastoor betitelen. Zoo gaat het met het woordje „verzekering" ook. Natuurlijk zullen onze Christenmenschen zich niet van het gebruik der verzekering laten afhouden alleen en enkel, omdat er anderen zijn, die er een verkeerd gebruik van maken. Dan kunnen wij wel uit de wereld gaan, want welk ding of woord wordt niet misbruikt. Maar dan zouden wij ook door de misbruiken laten bepalen, wat wij zelf zouden doen. Dat ware toch wel een zeer averechtsche houding.
Want al mag het woord „verzekering" ongelukkig gekozen zijn, de verzekering zelve is voor den Christen zeer wel aanvaardbaar, ja, veelszins zelfs plicht. Jehova openbaarde aan den vromen Jozef de beteekenis van Farao's droomen immers met de kennelijke bedoeling (welke Jozef ook begreep) dat Jozef uit de 7 vette jaren voorraad verzamelen zoude mende magere jaren. Gods Woord houdt den menschen de mieren voor, wien de Schepper der aarde instinctief leerde, in den zomer te vergaren voor den winter ; en menschen, die zulks niet doen, en maar bij den dag leven, noemt datzelfde Schriftwoord luiaards, dat zijn lieden, die de kansen, die God geeft, ongebruikt laten voorbijgaan.
Alleen wil de Heere niet, dat wij gehoorzamende Zijn roeping, om ons te „verzekeren" tegen den kwaden dag, dan Hem vergeten en op onze maatregelen al ons vertrouwen alleen zetten. Christus keurt dat af met de gelijkenis van den zelfvoldanen rijken man, die zich veilig waande om zijn volle schuren. En de Heiland wil ook niet, dat we doen zullen alsof 't alleen en uitsluitend van onze maatregelen komen moet, alsof we heidenen waren ; „zijt niet bezorgd*', waarschuwt Hij, dat is : gaat niet op in uw aardsche zorgen. Hij wijst op het primaat van het Koninkrijk der hemelen.
Niet de verzekering, maar het misbruik daarbij bestrijdt God in Zijn Woord. Zoo zullen dan ook wij hebben te doen.
De Heere wil, dat de mensch werkt en de middelen Gods benut. Hij gaf den menschen geleidelijk al meer inzicht in de wetmatigheid der schepping en der tijdelijke verschijnselen. Door dat licht van Gods algemeene genade geleid, is het mogelijk geworden om een systeem van „verzekeringen" tegen komende schade op te bouwen, dat des te beter werkt, naarmate er meer menschen aan deelnemen, 't Is voor onze meelevende menschen niet meer noodig om dat breeder uiteen te zetten. Men weet dit allengs algemeen wel.
Daar God de roeping stelde, dat de mensch in zijn goede dagen zal zorgen, om voorraad te hebben in de kwade dagen ; en daar God ook steeds meer den menschen de middelen leerde, om die voorzorgen te treffen, daar is het 's menschen plicht ook die maatregelen te nemen. Doch dan is het ook plicht voor ieder, ook dus voor den loontrekkenden arbeider.
En daarmee staan wij midden in het vraagstuk van wat wij plegen te noemen de „sociale verzekering".
Het is duidelijk en klaar, wat hier over de sociale voorzorg gezegd wordt. Toch vreezen wij, dat over dit onderwerp nog niet het laatste woord zal gezegd zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's