FINANCIËN
Dezer dagen kreeg ik van iemand me toegezonden een gift. Op den achterkant van het girobiljetje had hij in een enkel woord zijn gedachtengang weergegeven, n.l. : Geve de Heere u te verstaan het woord tot Zijn volk Israël: „zeg den kinderen Israels dat zij voorttrekken". Zoodra ik dat las, zag ik daarin een wenk van hoogerhand.
Wij staan weer voor een afgesloten jaarkring. Ons boekjaar prijkt weer met een nieuw opschrift. Wij kunnen den blik wel achterwaarts omwenden, en dit doen wij onwillekeurig. Dit doen wij allemaal. Wie dit nalaat doet niet verstandig, 't Mag zelfs niet nagelaten worden. De Heere roept het ons tegemoet : „gedenkt den weg, dien Ik met u gehouden heb". Waarop als antwoord de dichter de klanken zijner ziel weergeeft:
'k Zal gedenken hoe voor dezen, Ons de Heer' heeft gunst bewezen, 'k Zal de wond'ren
gadeslaan Die Gij hebt van ouds gedaan.
Van achteren bezien gaan wij telkenmale als tusschen de wonderen door.
Hierbij een oogenblik stil te staan laat tweeërlei vrucht achter. In de eerste plaats, God wordt er in verheerlijkt, en onmiddellijk volgt er op, dat eigen ziel er door verkwikt en versterkt wordt. Welk een bange vreeze bleek telkens misplaatst, en hoe werd alle kleinen ongeloof beschaamd.
Hieromtrent zullen we het heelemaal eens zijn : bij elke mijlpaal moet de schrede worden ingehouden. Wie zóó maar doorgaat, zóó maar passeert handelt ondankbaar en is onvoorzichtig.
Nu kan het nog verschillen, welke mijlpaal wordt gepasseerd. Want al is de aanblik van alle vrij eender, toch heeft ieder zijn eigen geschiedenis. Het kan zijn, dat ge zuchtende de bekentenis doet hooren : „wat is dat een jaar geweest, wat hebben we daarin niet doorgemaakt met elkander"; het kan ook zoo zijn, dat ge zegt: „nu, ik zou er wel dadelijk mijn hand op willen geven, als het jaar, dat nu staat te beginnen, maar net zoo was als wat is voorbijgegaan". Ge ziet bij beide hetzelfde gebeuren, en toch is het grootelijks verschillend, welke gewaarwordingen worden wakker geroepen.
De mijlpaal, welke thans door ons wordt gepasseerd, draagt voor ons twee opschriften. Ik lees aan den eenen kant: tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen, en aan de andere zijde : zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken. De Heere heeft geholpen op wonderschoone wijze. Wij willen het belijden : tegen al onze zonden en verkeerdheden in. Hij beschaamde onze ontrouw op de meest duidelijke wijze. Wat dus voor de hand zou liggen, vlak voor de hand, is dat, dat wij met het grootste vertrouwen den voor ons llggenden weg zouden inslaan. En toch is dit zoo niet. Elken keer weer komt diezelfde bangheid om 't hoekje gluren en een fluisterstem beluistert ge van heel dicht nabij : maar zal het nu wel goed blijven gaan ? Verleden was het nog heel wat anders en heel wat beter, toen waren de onheilswolken lang zoo donker niet als thans. Aan wat ge gehad hebt, hebt ge niet veel. Ge leeft nu in een heden van ondoorzichtige tijden.
Dat is zoo de sprake van binnen. Uit dat ongeloovig hart wellen deze gedachten als een al tijd-volle bron. Het allerschoonst verleden en het meest blije heden houden het zelfs niet tegen. Wij zien hier het wezen van den mensch.
Mag dit aan de eene zijde hem smarten en leed doen, in de allereerste plaats tegenover God, Die in alles zoo wonderlijk heeft voorzien, daar is toch ook een andere kant aan dezelfde zaak, wanneer hij er n.l. dit uit leert: ge hebt gelijk, het verleden biedt geen waarborg, ook het heden is niet bestendig. Ge hebt God noodig. Zijn bijstand. Zijn nabijheid is het eenige wat ge behoeft. Vraag het Hem maar. Voor Hem bestaat geen oud en nieuw. Hij beschikt over een eeuwig heden. De hoogste bergen zijn voor Hem vlak en de diepste zeeën worden droog, als Hij Zijn gebiedende stem laat hooren.
Bij onzen arbeid hebben we dit dan ook alleen van noode. In zooverre heeft 't verleden voor ons waarde, zelfs hooge waarde, als wij daarin vinden mogen de blijken van Zijn genade. Zijn onwankelbare trouw.
Hieraan gedachtig, mogen wij pleiten op Zijn onveranderlijke goedheid en ontferming. Wij mogen zeggen : Heere, is er bij ons altijd hetzelfde op te merken : ongeloof, misplaatst vertrouwen op onszelf en anderen, is het altijd weer afdalen. Gij weet er van, Gij kent onze gedachten van verre, Gij kent ons door en door. Maar nu is Uw Wezen onveranderlijke trouw voor ieder, die U vreest. Op dien pleitgrond laat ik mijn bede hooren.
Wanneer dit in werkelijkheid gedaan wordt, worden de enkelen vast en het lichtende oog spreekt van het meest wonderlijke vertrouwen : In Wiens hand ons leven, met al zijn verscheidenheid, besloten ligt, zal Zijn zorge mij niet onttrekken.
Achter Hem kunnen wij gemoedigd voorwaarts trekken. Dit geldt voor ons allen. Voor het Bestuur, voor onzen Hoogleeraar, voor onze jonge menschen, voor allen, die met ons meeleven.
Wij moeten niet bij het zichtbare blijven staan. Dat is onze fout. Wij maken ons, evenals de Israëlieten, bang voor wat bedreigt van voren en van achteren. Wij zien op menschen, die met wijsheid en met vreeze Gods zijn begiftigd. Israël riep toen zij in nood waren, tot Mozes. En als deze van zichzelven afwijst en den Heere aanroept, zoo klinkt het hem in de ooren : Wat roept ge tot Mij ? Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken. Het is alsof de Heere tot allen, ook tot ons, het woord richt: hebt ge aan wat Ik u schonk nog niet genoeg ? In het lichtend schijnsel dat zich aan den hemel afteekent, wordt u de weg aangegeven. In de meest donkere, door de diepte heen leidende wegen, ben Ik u nabij. Gelijk Ik u de eerste voetstappen heb leeren zetten op onbekende wegen, zoo kunt ge 't ook met Mij en op Mij wagen voor de toekomst.
Ga voorwaarts, leunend op Mij. Opblikkend naar den hemel, is uw weg veilig en bewaard.
Leere de Heere ons dit telkens opnieuw en lederen keer beter : geen verwachting van den mensch, en ook geen vreeze.
Wij willen thans u voorleggen den laatsten staat van het oude jaar, en daarin zien een vingerwijzing voor wat inluidt.
zien een vingerwijzing voor wat inluidt. Wij beginnen met het groote. Tegen onze gewoonte in, gevoelen we ons daartoe gedrongen en wel hierom, omdat daarin een daad van piëteit schuilt.
1. Veenendaal heeft een collecte-Zondag gehouden. Zoo was het ingesteld door onzen onvergetelijken vriend wijlen ds. Jongebreur. Hij had zoo zijn vaste gangen. Van vrienden heb ik wel eens hooren zeggen : ge kunt er uw horloge naar regelen ; 's morgens en 's middags en altijd. Zulke voorgangers laten een spoor achter. Naar het oude gebruik werd ook nu gehandeld en — ik mag het niet verhelen — met een even kostelijk gevolg.
Ds. Van Mastrigt uit Harderwijk, een van zijn vrienden, heeft dezen vriendendienst verricht. Wat gecollecteerd werd bleef geheel in de lijn. Denkt u in, in onze dagen, de collecte bedroeg de kolossale som van ƒ325.58
Is het niet om er stil onder te worden ? Stil voor de menschen, maar niet stil voor God. „Gij, o Heere, laat de spraak hooren : Mijne knechten neem Ik weg, maar Mijn trouw blijft." Leer dit verstaan ; zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrek ken. Laat uw oog en uwe verwachting op Mij gevestigd blijven".
Wij brengen aan de gemeente van Veenendaal in haar geheel, met haar Dienaren, onzen warmen dank. Zij de Heere u in alles nabij.
2. De afdeeling van Vlissingen zond mij de contributie harer leden, bedragende ƒ 21.—
3. De afdeeling van Sommelsdijk volgde met ƒ 33.73
4. Van de afdeeling Rotterdam en Kralingen werd mij toegezonden het restant van een spreekbeurt + f 1.75 contributie ƒ 19.25
5. Utrecht volgde met een zelfde restant van een spreekbeurt + f9.50 contributie ƒ 37.50
6. Door ds. Van Grieken te Rotterdam werden enkele giften afgedragen : f4.— + fl.— + f7.—, vermeerderd met f 10.— uit het busje Bijbelcursus, samen ƒ22.—
7. Van den heer L. van Dijk te Zaandam kwam een gift in van ƒ 10.—
8. Van N.N. te Rotterdam voor het Studiefonds ƒ 10.—
9. Ds. Klüsener, thans te Vinkeveen, zond me een deel van de collecte, gehouden bij zijn intrede aldaar. Dit deel bedroeg ƒ45.50
10. Uit Elburg werd me toegezonden door een toegenegen vriend, als verschuldigd, een bijdrage voor de beide fondsen, ieder 5 gld. met onderschrift : „di. geen gift, maar verplicht" ƒ 10.—
Ik ben uitermate dankbaar voor zulke giften.
11. De heer S. gaf mij op de Bijbellezing 5 gld. als een sluitsteentje voor het oude jaar ƒ 5.—
Wij zijn ook hiervoor zeer erkentelijk.
12. Van iemand, die onbekend wenscht te blijven met onderschrift: als eersteling van eene belofte ƒ 10.—
Elk blijk van medeleven wordt door ons met grooten dank aanvaard, jonge vriend.
13. Van N. N. te N., met onderschrift : „Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken" ƒ 2.—
14. Door ds. de Looze te Renswoude een gift van A. v. M. voor het Studiefonds ƒ 2.50
15. Spreekbeurt gehouden te Maassluis, waarbij voorging ds. Pop te Monster.
De collecte bracht op ƒ33.50 Wij zijn de vrienden dankbaar en hopen eerstdaags een busje te zenden.
16. Door ds. Van Nie te Hoogeveen van een jongen vriend aldaar hem ter hand gesteld ƒ 1.—
17. Door ds. Vermaas, eveneens te Hoogeveen, van N2I., „omdat de Penningmeester tegenwoordig nog al eens klaagt" ƒ 5.— Mag ik hier even op reageeren? Klagen is het woord niet, maar de werkelijkheid bloot leggen kan er wel eens op gelijken.
18. Door ds. Heijer te Vlaardingen uit de collecte van 20 November ƒ 5.— 19. Door mejuffr. W. v. d. Pol .te Terschuur de inhoud van busje no.18 ƒ 10.— Prachtig hoor ! Wij danken voor uw zorg.
20. Door onzen Administrateur werd aan mij afgedragen van de wed. M. Bos te Zegwaart voor 't Studiefonds ƒ 6.—
En van J. M. van Meer te Harderwijk voor de opleiding ƒ10.—
21. De heer J. Serdijn te Leiden zond my een postwissel, behelzende de contributie van de afdeeling aldaar ƒ 30.—
En de opbrengst van de collecte, gehouden bij een spreekbeurt, waarbij voorging ds. Van Dorp te Den Haag ƒ 39.52
22. Van Jac. van Pijlen te Hazerswoude een klein sluitsteentje van N.N. voor het Studiefonds ƒ Ir-
23. De heer A. van Ooijen te Aalst zond mij de abonnementsgelden voor De Waarheidsvriend. ƒ 4.-
Deze zaak komt in orde.
24. Door den Administrateur van H. S. voor het Studiefonds ƒ 6.-
25. En eindelyk van mevr. de wed. ds. P. Hopman te Leiden, met onderschrift : voor uw oudjaarsdag een gave voor het Studiefonds ƒ 2.50.
Deze laatste gift heeft voor mij dubbele waarde.
De Heere zegene de gift en de geefster.
Tezaam geteld de heerlijke som van
f 707.60
Wij beluisteren daarin het Woord des Heeren : „Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken".
Hij make ons gewillig, steeds meer.
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's