De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTELIJKE ETHIEK

9 minuten leestijd

Op de verhouding van de Ethiek tot de Wet Gods moet in de Christelijke Ethiek zeer sterk de aandacht worden gevestigd, telkens weer; onder alle omstandigheden en voor alle tijden, bekleed met goddelijke autoriteit. Want de Wet des Heeren is de korte, duidelijke, blijvende uitdrukking en omschrijving van Gods wil. De burgerlijke en ceremonieele wetten des Heeren aan Israël gegeven, waren vooreen bepaalden tijd voor het Joodsche volk en zijn nu voorbijgegaan (hoewel vele beginselen blijvende waarde hebben) maar de Wet der tien geboden (de Decaloog : de tien woorden) is geenszins voorbij gegaan en niet krachteloos geworden (al staan er dingen in, b.v. in zake den sabbathdag als zevende dag, die onder het N. T. voller beteekenis hebben verkregen, Hebr. 1:1). Daarom moet bij de behandeling van de Ethiek steeds met de Wet des Heeren rekening gehouden worden, waarom ook de Heidelbergsche Catechismus in het derde deel, waar het stuk der dankbaarheid en des nieuwen levens behandeld wordt, een breede bespreking vindt. (Zondag 34—44). Ze wordt daar geroemd als de regel des levens voor den christen, die op allerlei terrein geroepen wordt om God te dienen naar Zijn Woord en den naaste te dienen naar Gods wil. Het persoonlijk en huiselijk leven, het leven in Kerk, Maatschappij en Staat moet onder de tucht van Gods Wet en Waarheid staan. „Tot de Wet en de Getuigenis, zoo ze niet spreken naar dit Woord, ze zullen geen dageraad hebben".
De Wet is verdeeld in twee tafelen, | waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden; de andere wat wij onzen naaste schuldig zijn.
Het eerste gebod zegt : God, Jehova, is alléén God en er zijn geene goden behalve Hij.
Daar proclameert de HEERE Zich als de eenig en eeuwig zijnde, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn.
We zullen alles moeten mijden en vlieden en we zullen den eenigen waren God, die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, recht moeten leeren kennen, om in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid Hem alleen te dienen en Hem van ganscher harte lief te hebben, te vreezen en te eeren, alzóó, dat wij eer van alle schepselen aflaten, dan dat wij in het allerminste tegen Zijnen wil doen. Zondag 34.
Het tweede gebod zegt: wij mogen den éénigen waarachtigen God niet op eigenwillige wijze dienen, maar alleen zooals Hij in Zijn Woord bevolen heeft. We moeten niet wijzer zijn dan God, die Zijne christenen door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben. Geen eigenwillige Godsdienst dus! We zullen den Heere moeten dienen naar Zijn Woord. Zondag 35.
Het derde gebod wil dat we Gods' Naam niet zullen misbruiken, maar dat wij 's Heeren Naam heiligen en in al onze woorden en werken voor Hem zullen uitkomen, om Hem te eeren en te prijzen. We zullen op publiek terrein den eed handhaven. God erkennend als onzen hoogsten Rechter, ons wachten voor ijdci zweren, voor valschen eed, voor vloek er. spot en laster. We zullen tegen de ontheiliging van Gods Naam het eerbiedig getuigen zetten. Zondag 36 en 37. (De Dooperschen verwierpen den eed, omdat ze het voor zich zelf, als geloovigen, niet noodig achtten ; om hun getuigenis te bevestigen, zij spreken de waarheid en daarmee uit. Maar zij rekenden, als geloovigen, maar al te weinig met het feit en de kracht der zonde en namen voor het publieke leven de ordinantie Gods betreffende den eed, dien God instelde, om in 't midden der wereld nog trouw en waarheid in stand te houden, wèg. Ze willen eigenlijk in alles de wereld maar aan zich zelf overlaten — de „Doopersche mijding" — en stoorden zich niet aan de eischen voor het burgerlijk leven. Voor hen bestond alleen de geloofsgemeenschap der belijdenis. Daarom wilden ze ook geen overheidsambt bekleeden, geen militaire diensten verrichten en ook voor de rechtbank geen eed doen. Hierin komt uit dat de Calvinist z'n roeping voor 't leven op allerlei terrein geheel anders ziet dan de Dooperschen. Zij spraken van levens wijding en de Dooperschen van levens mij ding.
Het vierde gebod zet den dag des Heeren, om dien te heiligen en te rusten van allen slaafschen arbeid, midden in het leven. Aan den Kerkedienst en de Scholen zal dan bizonder gedacht worden, om die te onderhouden met onze gaven ; ook zullen we aan de armen christelijke handreiking doen ; we zullen ons offer brengen voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk; en wij en onze kinderen zullen zoo getrouw mogelijk den dienst des Woords, der Sacramenten en gebeden in het midden der gemeente 'bijwonen. „En ten andere" — zegt de Heid. Catech. in Zondag 38 — „zal ik al de dagen mijns levens van mijne booze werken rusten, den Heere door Zijnen Geest in mij laten werken, en alzoo zal ik den eeuwigen Sabbath in dit leven aanvangen". Van de werken der liefde en der barmhartigheid zullen we ons dus niet mogen onttrekken, de werken der natuur zullen we niet mogen verachten, maar overigens zullen we ons onthouden van allen wereldschen, dagelijkschen en slaafschen arbeid, om des te meer en des te beter te kunnen werken om de spijze die niet vergaat, maar blijft tot in het eeuwige leven ! (Zondagsrust en Zondagsheiliging).
Het vijfde gebod verplaatst ons in de samenleving met anderen en brengt ons allereerst in het gezinsleven, met vader en moeder. God wil „dat ik mijn vader en mijne moeder en allen, die over mij gesteld zijn, zal eeren — aangezien het God belieft, ons door hunne hand te regeeren", Rom. 13 : 1 : „Alle ziel zij de machten over haar gesteld onderworpen. Want daar is geene macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God verordineerd". In de verschillende kringen van samenleving : gezin, maatschappij. Staat, gaat het ten slotte om de erkenning van de machten, die van God gesteld zijn. „Vreest God, eert den Koning" enz. (1 Petr. 2 : 13—25).
Het zesde gebod eischt, dat ik eerbied zal hebben voor 's menschen leven ; waarbij de Overheid van Godswege een bizondere roeping heeft (doodstraf, enz.).
Het zevende gebod eischt, dat ik eerbied zal hebben voor het lichaam en de eerbaarheid van een ander en van mijzelf. „Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zoo wil Hij, dat wij die beide zuiver en heilig hewaren" ; daarom zullen we alle onkuischheid van harte vijand zijn en kuisch en tuchtelijk moeten leven, hetzij in den heiligen huwelijken staat en buiten denzelve". Zondag 41. Huwelijksleven, sexueele vragen en practijken, sexueele Ethiek is hier dus aan de orde.
Het achtste gebod beschermt den eigendom en het persoonlijk bezit en verbiedt alle stelen en rooven, hetwelk de Overheid straft; maar verbiedt óók alle booze stukken en aanslagen, waarmee wij het goed van onzen naaste aan ons denken te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met valsch gewicht, el, maat, woeker of door eenig middel, dat van God verboden is. Daarbij wordt ook verboden alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven. We zullen getrouw moeten arbeiden, opdat we den nooddruftige helpen kunnen. Zondag 42. (De Heere wil Zelf ons eigendom, ons privaat bezit beveiligen en ons tegelijk onze roeping voor de gemeenschap voorhouden).
Het negende gebod verbiedt valsch getuigenis te geven, te liegen, valsch te veroordeelen enz. We zullen de waarheid moeten liefhebben, oprecht moeten spreken en getuigen. Ook zullen we de eer en het goed van onzen naaste naar ons vermogen moeten beschermen, verdedigen en bevorderen. Spr. 10 vers 12 : „Haat verwekt krakeelen ; maar de liefde dekt alle overtredingen toe". Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen niet !
Het tiende gebod eischt, dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod niet zal opkomen en dat ik stil en tevreê zal leven met het goed, dat God mij geeft. Psalm 119 vers 37 : „Wend mijne oogen af, dat zij geene ijdelheid zien ; maak mij levend door Uwe wegen".
De Christelijke Ethiek wil, dat het leven des menschen naar die richtlijnen zal worden ingericht en dat de Christen in overeenstemming met de Wet des Heeren leven ? al. Dan zal het tot eere Gods zijn en tot zegen voor den naaste, tot zegen en vreugd voor héél het leven bij alle levensverhoudingen in gezin, school. Kerk, maatschappij en Staat.
En dan leert de Christelijke Ethiek niet, dat de Christen al deze geboden houden kan. Want de Catechismus zegt zoo terecht: „Ook de allerheiligsten, zoolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid". Geen perfectionisme of volmaaktheidsdrijverij. Maar ook anderzijds geen antinomianisme of verachting van de Wet. Want laat het waar zijn, dat niet één van Gods kinderen in dit leven de volmaaktheidstrap kan bereiken — 't is toch zóó bij de oprecht geloovigen, „dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods beginnen te leven". (Zondag 44).
Dat heeft niets te maken met farizeïsme of eigengerechtigheid. Maar dat is de liefde tot God en tot Zijn dienst, welke liefde vrucht des Heiligen Geestes is, zij 't dan dat de gebreken en de tekortkomingen vele zijn. Rom. 7 vers 22 : „Ik heb een vermaak in de Wet Gods, naar den inwendigen mensch".
Daarom moeten we ook dagelijks den ouden mensch der zonde afleggen, om den nieuwen mensch des Geestes en der liefde aan te doen ! Efeze 4 : 21—24; „Te weten, dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mensch, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding — en dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds, en den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid". Dat bedoelt ook de Catechismus, als hij zegt in Zondag 44 : Vraag : „Waarom laat God ons dan zoo scherpelijk de tien geboden prediken, indien toch niemand ze in dit leven houden kan ?
Antwoord : Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leeren kennen, en des te begeeriger zijn om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.
Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken". (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

CHRISTELIJKE ETHIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's