MEDITATIE
Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijne ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijnen Geest op Hem gegeven ; Hij zal het recht der heidenen voortbrengen. Hij zal niet schreeuwen, noch Zijne stem verheffen, noch Zijne stem op de straat laten hooren. Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal Hij niet uitblusschen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijne leer wachten. Jesaja 42 vers 1—4.
MIJN KNECHT, MIJN UITVERKORENE.
Adventsoverdenking.
Grijze wolken, donkere luchten overal. De wolken hangen zoo laag, de grauwe luchten zijn zoo zwaar. De wereld is zoo klein, de horizont is zoo beperkt, de hemelkoepel drukt zoo laag overal. Wanneer de mist neerhangt, als de droppelen uit de dikke, sombere wolken neervallen, kan het zoo angstig en benauwend zijn, zonder uitzicht, zonder toekomst, zonder hoop.
Donkere dagen voor Kerstmis. Beeld van het leven, van de wereld, van de menschheid, zooals alles daar ligt met grijze, kleurlooze vlakten, mat, zwaar, moe van zorgen, van moeiten, van teleurstellingen.
Stemmen verheffen zich wel. Lichten worden er wel ontstoken. Vaandels worden er wel ontplooid. Leuzen worden er wel aangeheven. Redders, verlossers, helpers worden overal aangekondigd. Men steekt de hoofden bij elkaar. De massa wordt in beweging gebracht. Optochten zijn er. Ook zangen worden er gehoord; vroolijkheid komt er bij alles wat wordt uitgestald, onder jongen en ouden, rijken en armen.
Maar we voelen het zoo bizonder nu, dat de wereld wordt bedrogen en bedrogen wil worden. Al verheft men overal de stem op de straten, al schreeuwt men in vergaderzalen en op de pleinen, al strooit men z'n woorden, vol van beloften, met kwistige hand onder de menigte — het is niet wat ons verlossen kan. En we voelen het, nu het naar 't Kerstfeest gaat, dat men minachtend voorbijgaat en verachtelijk verwerpt, wat de Heere, de God van hemel en aarde, als Godsgeschenk aan de wereld biedt in Jezus Christus, zeggende : Komt, koopt en eet en wordt verzadigd, om niet, zonder prijs en zonder geld !
Tusschen al het onsoliede, onwaarachtige, onbetrouwbare dat men van alle kanten de wereld voorzet, overladen met allerlei schoonklinkende, maar valsche beloften. ziet de Apostel op hetgeen God gedaan heeft voor een in zonden zoo diep ellendige wereld en hij schrijft, ook voor ons en onze kinderen : „Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig : dat Christus Jezus in de wereld is gekomen, om zondaren zalig te maken".
Och, dat wij zelf dat woord maar meer en meer voor eigen ziel mogen aannemen en vertrouwen. Dat de wereld oogen en ooren kreeg, om er acht op te geven. Want men kan zeggen en doen wat men wil, maar hier is de Eénige Naam, die onder den hemel is gegeven, door welken wij moeten zalig worden !
Als we zalig worden, zal het door Hem, door Hem alléén zijn !
Jesaja, de koninklijke profeet, de Evangelist van het Oude Verbond, heeft in zijne dagen, die donker en bang waren, gesproken van troost. En hij troost met den Messias-Koning, die komen zal als de lijdende Knecht des Heeren, die het recht bestellen zal op aarde in waarheid.
Deze Vorst Messias is de van God uitverkorene, in Wien de ziele Gods een lust heeft; Wien de Heere zeer bemint en in Wien Hij Zijn welbehagen heeft. (42 : 1).
Dat wijst ons op Zijn uitgang uit de eeuwigheid ; dat bepaalt ons bij de Godsgave, die de Heere geeft om Zijns Zelfs wil en waarmee Hij verlossing biedt voor de einden der aarde, zoodat de eilanden op Zijn leer wachten, (vers 4).
Onder de menschen was er niet één die den Heere behagen kon en in wien de ziele des Heeren een lust had. Tezamen zijn we afgeweken, er is niemand die goed doet, ook niet tot één toe.
Maar dan is er in de eeuwigheid, dan is er bij God Eén. En van dien Eénen getuigt de Heere door den mond van Jesaja : „Zie, Mijn Knecht, dien Ik ondersteun. Mijn uitverkorene, in denwelken Mijne ziel een welbehagen heeft", (vers 1).
Straks zullen we, als God het ons vergunt, in Bethlehems stal staan bij de kribbe en we zullen met Jesaja in blijde verrukking mogen zeggen : „Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven ; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst".
Boven de kribbe, achter de kribbe zal ons geloofsoog moeten zoeken. En dan zullen we vinden, naar het Woord des Heeren, door Jesaja gesproken : „Ziet, hier is de Knecht des Heeren, dien Hij ondersteunt. Hier is des Vaders uitverkorene, in denwelken Zijn ziel een welbehagen heeft!"
Uit de eeuwigheid komt Hij, als de Gezondene des Vaders. Het Kind dat geboren is, is de Zoon, dien God ons komt geven. Er is maar één Persoon, er is maar één plaats waar de Heere Zijn welbehagen heeft : en dat is Jezus Christus, de Gezondene des Vaders, Die Gods werk komt doen als de Knecht des Heeren.
En de vleeschwording des Woords is het begin van de verwerving des heils voor Sion.
Daarom zullen we in deze bange tijden, vol zorgen en vol zonden, naar Bethlehem moeten gaan, om te zoeken, om te vinden den Knecht des Heeren, dien de Vader verkoren heeft en in Wien de Vader Zijn welbehagen heeft, om door Hem zalig te maken een arm zondaarsvolk.
Wij kunnen voor God niet bestaan. In ons kan de Heere geen welbehagen hebben. Maar in Christus Jezus heeft de Vader Zijn welbehagen, en die door de geestesbanden van geloof en liefde aan dien Christus, den Knecht des Heeren, verbonden mag wezen, zal om Christus' wil deelen in des Vaders welbehagen. Bij Hem is veiligheid. Bij Hem is leven en zaligheid. Bij Hem, dien de Vader heeft uitverkoren, dien de Heere ondersteunt, in Wien de Heere Zijn welbehagen heeft, is hulp en raad.
Bij het oordeel eener verdoemende wet, is bij Hem, den Koning der Gerechtigheid, die het recht bestelt en het recht geeft, verlossing. Bij den vloek van zonde en ellende en verderf is bij den Knecht des Heeren, die komt in 's Heeren Naam, uitredding, troost en blijdschap. De beladenen met vloek en doem ontslaat Hij van hunne neerdrukkende lasten. Den gebondenen met banden des doods, neemt Hij de banden af en Hij maakt ze vrij. Die treuren over hun verlatenheid, troost hij. De tranen der weenenden droogt Hij. Hij, de groote Zoon van Abraham, geeft lachen van blijdschap en verzadiging van vreugd een iegelijk, die in Hem gelooft.
Een ontelbare schare juicht reeds nu voor den troon. En van de einden der aarde wacht Hij armen en ellendigen, zeggende : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven". De eilanden wachten op Zijn leer. En van alle vleesch zal zalig worden.
Onder de schreeuwers en druktemakers, waardoor de wereld telkens in beroering gebracht wordt, voegt de Knecht des Heeren, in Wien de Heere een welbehagen heeft en Dien Hij ondersteunt. Zich niet. Daar is Zijn plaats niet. Maar in het gewaad der Schriften, met het Woord der prediking, gaat Hij van stad tot stad, van volk tot volk, ook tot de eilanden, die vér verstrooid liggen in de zeeën, om den heidenen gerechtigheid te schenken en de volkeren heil te gebieden.
Neen, Hij zal niet schreeuwen, noch Zijne stem verheffen, noch Zijne stem op de straten laten hooren. Hij zal stil zijn, ook als Hij als een Lam wordt geslacht, als Hij als een vervloekte gehangen wordt aan het kruis tusschen twee moordenaren. Dan zal Hij stil, lijdzaam, volgzaam zijn, om als de Knecht des Heeren het werk te volbrengen, dat er bij God te doen is. En zóó zal dan het Paradijs ontsloten worden voor moordenaren, voor tollenaren en zondaren. Zóó zal het gekrookte riet niet worden verbroken, de rookende vlaswiek niet uitgebluscht. Integendeel, aan den voet van het kruis zullen treurenden ontvangen sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Al dreigt de ondergang, al roept de dood, al wenkt het oordeel, bij Hem, den Knecht des Heeren, is hulp en raad voor hen, die geen helper hebben.
„Die Man zal zijn als een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land". (Jes. 32 : 2).
De naam Jesaja beteekent: de HEERE heeft heil verschaft.
En Jesaja wijst naar Jezus, den Zaligmaker, die Zijn volk zal zaligmaken en verlossen van hunne zonden.
Dat is de Knecht des Heeren, Die komt in 's Heeren Naam.
„En men zal te dien dage zeggen : Ziet, Deze is onze God ; wij hebben Hem verwacht en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE ; wij hebben Hem verwacht; wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijne zaligheid". (Jesaja 25 vers 9). Laat dan de Koning der eere ook in onze harten mogen binnenrijden tot vrede en zaligheid.
Laat in deze donkere dagen en bange tijden de Naam van den Heiland klinken te midden van de benauwenis.
Och, dat wij Hem verwachten mogen. Dat wij Hem ontvangen mogen. Dat wij Hem kennen mogen — om ons te verheugen en te verblijden in Zijne zaligheid.
Om ook de wereld te prediken den Naam van Hem, in Wien de Heere heil besteld heeft, in Wien de Heere verlossing wil schenken, ook in bange dagen.
Neen — laat er geen stilzwijgen bij ons zijn.
Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God ! (Jesaja 40 vers 3).
Rotterdam
M. v. Grieken
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's