De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
En zoover was het gekomen. Met grooten dank aan God en menschen zag hij de kans op behoud bij den dag toenemen, en nu had hij ook het vaste voornemen zooveel mogelijk in orde te maken wat bedorven was. Allereerst had hij ds. Feurman, die hem trouw bezocht, beleden hoe het hem speet op deze wijze oorzaak van veel onheil te zijn geweest en tevens als zijn wensch te kennen gegeven zoo gaarne weer te worden opgenomen in den kring dergenen, waartoe hij altijd behoorde, maar van welken hij zich moedwillig had afgescheiden.
Toen had gevraagd of Anneke niet eens bij hem wilde komen, omdat hij met haar eenige dingen te bespreken had. En daarop was die openlijke schuldbelijdenis gedaan, zonder dat hij ook maar iets ter verontschuldiging had ingebracht.
Stilzwijgend, met dank in haar hart, had zij zitten luisteren, verheugd, dat zulk een diep berouw bij hem gevonden werd. Daarna was hij vermoeid in de kussens gezonken en had haar aangekeken, wachtend op antwoord.
Toen heeft zij hem gezegd hoe zij den Heere om zijn behoud gebeden had en hoe blij ze was, dat alles ten goede gekeerd werd, ook om zijn ouders. Hij wist wel hoe goed zij het met hem meende en zijn vriendschap door haar op hoogen prijs werd gesteld, alleen ten opzichte van de allerhoogste belangen was tot nog toe tusschen hen te veel verschil geweest. Maar ook deze dingen had zij, niet het minst in den laatsten tijd, met vrijmoedigheid en in volkomen vertrouwen, aan den Heer overgegeven hoe Hij het verder ook maakte.
Daarop was nog over eenige algemeene dingen gesproken, en toen was Anneke vertrokken, echter met de belofte, waarop zoowel door Jouke als door zijn ouders was aangedrongen, van eens terug te zullen komen.
Dat alles nu heeft zij Jap in vertrouwen verteld en deze heeft zich met haar verheugd.
„'k Zie het al aankomen, Anneke, een volgend jaar bruiloft", heeft zij uitgeroepen, maar Anneke heeft geantwoord, dat het 200 ver nog niet was. Met geen enkel woord had Jouke ook maar gezinspeeld op iets, dat haar aanleiding kon geven om te denken, dat het hem om haar te doen was. Bovendien zou zij zelf ook niet met hem in inniger gemeenschap willen gaan, zoolang zij niet zeker was, dat al haar bezwaren weggenomen waren, en toen heeft Anneke aan Jap gevraagd, of zij er wel zeker van was op den goeden weg te zijn, door aan te houden met iemand, van wien het in het geheele dorp wel bekend is, dat hij eigenlijk niet bij de Christelijke partij behoort. Doch Jap heeft gezegd, dat zij niet van hem kon afzien. Hij was een nette jongen en een flink werkman. Nu ja, hij was anders dan de Kleiterpers, maar daarvoor was hij dan ook in de stad grootgebracht en had veel meer dan de meeste menschen van de wereld gezien, 't Speet haar wel, dat vader en moeder het niet met hem op hadden, en boer Brandsma geen oog voor hem had, maar als alle menschen zoo deden, wat moest er dan tenslotte terecht komen van al diegenen, die nu misschien in alles niet precies dachten zooals de lui, die naar de kerk gingen, maar het daarom toch wel goed meenden ? 't Kon immers ook wel eens zijn, dat zij voor hem nog tot een zegen werd, gelijk daarvan wel meer voorbeelden waren aan te geven ?
„'t Wil beter bergafwaarts dan bergopwaarts, Jap", heeft Anneke gezegd, „en 't lijkt mij vreeselijk toe, vooral voor een vrouw, als na haar huwelijk uitkomt dat er in het hoogste geen eenstemmigheid is".
„Ja, mij ook", was Jap's antwoord geweest, „maar ik hoop het beste".
Hiermede was dit gesprek geëindigd.
Zoo staan de zaken op dezen morgen, waarop wij Jap zoo vroolijk hooren zingen en zij in haar lied duidelijk laat uitkomen waar, ook onder den arbeid, haar gedachten zijn.
„Hoor Jap weer eens", zegt vrouw Brandsma tegen Anneke, als deze naar buiten kijkt, om haar vriendin een vertrouwelijken blik toe te werpen, „wat is zij weer los".
„'t Is zoo'n vroolijke Jap", antwoordde Anneke.
„Ja, dat is zij en wij mogen haar graag, alleen vrees ik wel eens voor haar, dat zij al te vroolijk is. In den laatsten tijd vooral is het alsof zij geheel verandert, en lang niet meer zoo ernstig is als vroeger, 'k Wou dat zij besluiten kon met dien vreemden smidsknecht te breken".
„Zij meent het anders zoo goed". „Dat doet zij ook, evenals haar ouders. Zij ziet geen kwaad, maar ik ben zoo bang dat juist dit haar ongeluk wordt. Wat zou het mij vreeselijk spijten als het eens met haar misliep".
„O, foei, ja, maar hij moet een flink vakman wezen".
„Dat is hij ook; de boer zegt, dat onze paarden nog nooit zoo flink en zoo vlug beslagen zijn als door hem. Zij behoeven niet eens in den noodstal, en om met kettingen en touwen vastgebonden te worden, omdat hij ze zóó maar, uit de hand, be­ slaat, doch daar is het niet goed mee, Anneke".
Neen, dat weet Anneke ook wel, en daar om heeft zij immers Jouke geweigerd.
„Bovendien, wie weet waar hij eigenlijk vandaan is", aldus vervolgt de boerir. „Weet jou het. Anneke ? "
„Neen, vrouw. De laatste maal is hij uit de stad gekomen, maar verder weet ik niet en heb er ook nooit naar gevraagd.
„Nou, naar ik gehoord heb, moet dat ook iets vreemds wezen. Klaas Kroontje heeft er laatst bij de Yntema's een heel verhaal over gedaan. Hij is nog altijd verbitterd over Jap, omdat zij hem onlangs zulk een afrekening gegeven heeft. Nu schijnt hij het er op toe te leggen op alle manieren zoo veel mogelijk kwaad van haar en haar familie te spreken, en van zelf wordt de smidsknecht daarbij ook niet gespaard. Wat er van aan is, weet ik niet, maar volgens zijn zeggen moet hij een Duitsche zijn van afkomst. Zijn vader moet indertijd uit het Duitsche leger gedeserteerd zijn en toen met een Friesch meisje zijn getrouwd, 't welk hij later verlaten heeft. Het recht weet ik er niet van, maar er moet over zijn verleden een schaduw liggen".

(Wordt vervolgd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's