De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

6 minuten leestijd

Vraag: Wat zijn de Christelijk zedelijke beginselen, die betrekking hebben op den eigendom, het recht van bezit en van gebruik, van het stoffelijk goed ?
Antwoord: De mensch heeft eigendom. God geeft dat aan ieder en God wil het voor ieder beschermen door in het 8e gebod te zeggen : gij zult van het goed van een ander afblijven ; gij zult niet stelen ! God wil dat ieder 't zijne zal hebben en dat zulk bezit van stoffelijk goed, veel of weinig, veilig zal zijn. Daar mag een ander niet aankomen, niet over beschikken. Niemand mag den eigendom van z'n naaste schade toebrengen of rooven.
Eigendom is : het recht dat iemand heeft op een bepaald bezit, met uitsluiting van anderen. Het is z'n eigen bezit. De eigenaar is heer en meester van dat bepaalde goed (huis, grond, geld, enz.) ; heeft het in bezit en mag het gebruiken zooals hij zelf wil. Zijnde „rentmeester" in den dienst des Heeren, Die de groote Eigenaar is en blijft.
Maar dan komt dadelijk de gemeenschap (vrouw, kinderen, familie, kerk, armen, ongelukkigen, enz. enz.) ook een woordje meespreken. Een mensch is niet alléén op de wereld ! Zóó heeft God het niet gewild.
Niemand is dus absoluut eigenaar ; niemand heeft absoluut eigendom. Ieder zal zich verantwoordelijk moeten weten tegenover God, Wiens goed het is en blijft. Hy, de Schepper van de einden der aarde, is de Eigenaar van alles. „De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid ; de wereld en die daarin wonen" Psalm 24 vers 1 ; Hand. 17 vers 24, enz.
Al wat de mensch het zijne noemt (en ook zoo mag noemen, als God het hem gegeven heeft en hij 't eerlijk heeft verkregen) bezit hij als een gave Gods. In hoogste en eerste instantie is het van God ! Gen. 1 vers 29 ; Psalm 8 vers 7, enz. Daarom zegt God, b.v. Lev. 25 vers 23 : „Het land is Mijn". Most en koren is van den Heere, gelijk ook het goud en het zilver en het vee op duizend bergen. Israël moest daaraan voortdurend gedachtig zijn en het nooit vergeten !
In onze consciëntie zullen we dan ook. levend bij Gods Woord, er van overtuigd moeten zijn, dat we met ons bezit, met ons eigendom, doen naar Zijn goddelijken wil, die ons niet verborgen is gehouden, maar in Zijn Woord en Wet is geopenbaard. Gods Geest en onze geest moeten daarin saam getuigenis geven, als 't goed is. We moeten ons rentmeester (Lukas 16 vs. 2) weten voor Gods aangezicht; wat we dagelijks, ook in ons gebed en onze dankzegging, zullen moeten gedenken, opdat we deze heel ernstige zaak, rakende ons persoonlijk leven èn ons gemeenschapsleven, maar niet louter en alleen als - een zaak achten voor de rechtspraak van den jongsten dag ! Dagelijks zullen we, ook wat deze dingen aangaat, voor Gods aangezicht moeten in-en uitgaan ! Het is een zaak, voor ons tijdelijk leven hier op aarde van 't grootste gewicht.
Dan zullen we ook bedenken, dat we ons bezit niet op roekelooze en zondige wijze mogen zoeken te vermeerderen (loterij, woeker, enz.). Ook zullen we zorg moeten dragen, dat ons bezit niet vermindert of verloren gaat, door onze zorgeloosheid of lichtvaardigheid , noch door zondige practijken, van welken aard ook (speculatie enz.). Jezus Zelf heeft ons geleerd, dat we ons geld en goed ook niet „in een zweetdoek" werkeloos , renteloos, onnut mogen wegbergen. Gierigheid is zonde ; verkwisting is een groot kwaad. Spaarzaamheid, zuinigheid, matigheid is geboden, opdat we niet zorgeloos opmaken, wat God ons gaf voor ons leven. Spaarzaamheid tot later nuttig gebruik is de plicht eens Christens. Maar noodeloos onttrekken van ons bezit aan het gebruik voor ons persoonlijk, voor ons gezin en voor de gemeenschap, is zonde. God geeft ons de dingen om ze nuttig te gebruiken voor ons zelf én voor anderen.
Voor God zijn we verplicht mede te deelen aan de minderbedeelden, en den armen hulpe te bieden. Voor de dingen van Gods Koninkrijk zal onze gave niet mogen worden ingehouden ; we zullen onze offeranden Gode brengen, met een dankbaar hart.

Vraag : Hoe staat de Christen tegenover privaat bezit ?
Antwoord: De Christen zegt: Gods bestel en Gods gave zijn de grond van den eigendom ; en God geeft ieder 't zijne en wil dat ook beschermen, dat een ander er niet aan komen zal en 't niet zal stelen.
„Gij zult niet stelen",, luidt het, 8e gebod en dat is de grond en bevestiging voor alle privaat bezit, voor allen persoonlijken eigendom, 't zij deze eigendom en dit bezit groot, minder groot of zeer klein is. De mensch en z'n bezit zijn geen speling van de natuur, geen evolutionistische vrucht van de materie : hier is God de Schepper en Wetgever, die aan den mensch de behoefte aan eigendom ingeschapen heeft en ook eigendom geeft, meer of minder, dat z'n „eigen"-dom is. Gods bestel en Gods gaven zijn voor den Christen grond van het bezit, van den eigendom, ook van ons privé bezit, van ons „eigendom ; dat van ons zelf, en van niemand anders is. Het privaat-bezit is gegrond in de menschelyke natuur. Een mensch zou z'n levenswerk niet kunnen volbrengen, als hij niet z'n eigendom had ; als hij niet allerlei had, wat hij het zijne kan noemen en waarover hij zeggenschap heeft. Privaat bezit wordt ondersteld in het 8e gebod en het wordt door het gebod goedgekeurd en beschermd, 't Is daarom geheel verkeerd en zonder eenigen grond als beginsel uit te spreken : „eigendom is diefstal". (Proudhon).
Het Communisme wil opheffing van alle privaat-bezit, van allen persoonlijken eigendom. Alles moet aan de gemeenschap behooren. Dan gaat onze eigen woning, onze eigen eet-en slaapkamer, onze vrouw en kinderen, ons geld en goed naar de gemeenschappelijke woning enz. Dan is het ons ontnomen en behoort aan „de gemeenschap".
In 1826 stichtte Robert Owen in Amerika een communistische maatschappij „New Harmony". En Rusland met z'n Bolsjewisme bewijst, dat de ideeën van het absolute communisme, dat stoelt op het materialisme, niet uitgestorven zijn, maar nog leven.
Ook hier geldt: wat God vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden ; en : wat God gegeven heeft, zal men niet stelen ! Het verlaten van Gods wegen en het verachten van Gods ordeningen sticht verwarring ; en in het houden van Gods geboden ligt groot loon — ook voor 't gewone menschen-leven.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's