De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

IN STRIJD MET DE FEITEN.
Het is wel ontstellend, om geen ander woord te gebruiken, wanneer de voorstanders van de eenzijdige, nationale ontwa­pening met de mannen van „Kerk en Vrede" voorop, klagen over de militairiseering van het Nederlandsche volk, benevens over de zware lasten, welke de bevolking ten behoeve van de uitgaven der weermacht heeft te dragen, als men daarnaast stelt de feiten, die juist het tegenovergestelde bewijzen.
Wat door de ontwapenaars wordt aangevoerd om te bewijzen, dat hunne klachten gegrond zijn, is dan ook niet anders dan reine demagogie (volksmisleiding).
Zooals bekend is, heeft de Amerikaansche President Hoover tijdens de ontwapenings-conferentie, dezen zomer, te Geneve het voorstel gedaan, dat elk Rijk zijn weermacht te land met een derde deel zal verminderen, voor zoover die weermacht boven de sterkte der politie uitgaat, om langs dien weg te komen tot een politieleger.
Naar aanleiding nu van dit voorstel is ter conferentie een staat opgemaakt geworden, waarin de gevolgen zijn nagegaan, die het voorstel voor de Europeesche weermachten hebben zal.
En dan blijkt uit dezen staat, — Nederland en België als Rijken van ongeveer dezelfde grootte vergelijkende —, dat de sterkte van de landmacht van onzen zuidelijken nabuur 68920 man bedragen, terwijl die sterkte voor ons land op 16293 man staat; en voorts, dat bij doorvoering van het plan Hoover, België, omdat zijne weermacht belangrijk boven zijne politiesterkte uitgaat, 17200 man zou moeten afschaffen, terwijl Nederland's landmacht nog 427 man onder de politiesterkte van dat land blijft.
Nederland staat, wat de verhouding tusschen politie en leger betreft, onder aan de lijst van Hoovers voorstel, 't Heeft zelfs Noorwegen en Denemarken, de landen, waarop de ontwapenaars zich bij voorkeur beroepen, als de landen, die in de richting van de eenzijdige, nationale ontwapening sturen, nog boven zich.
Nederland bezit in verhouding tot andere volken de kleinste landmacht. Onze landmacht is geringer in sterkte dan onze politiemacht. Het verschil tusschen deze twee is 492 man, zoodat zelfs bij eenige versterking van onze landmacht het plan-Hoover ons nog niet zou raken.
Daarom is het pure dwaasheid om te spreken over militairiseering van het Nederlandsche volk.
Niet anders staat het met de bewering, dat de kosten van de weermacht zoo hoog zijn, dat ze door ons volk niet te betalen zijn. Tegen deze klacht moge worden opgemerkt, dat het eindcijfer der begrootingen van Oorlog en Marine voor het jaar 1922 in totaal stond op ƒ 129.771.667, en dat voor het jaar 1932 de ontwerp-Defensiebegrootlng een eindbedrag aanwees van ƒ 99.135.809 ; dat is eene vermindering op de uitgaven met *ruim ƒ 30 millioen of eene bezuiniging van 23.6 %. Voegt men daarbij, dat de ontwerp-begrooting voor 't loopende jaar nogmaals met ƒ 2.6 millioen werd verminderd en dat voor de begrooting voor 1933 het eindcijfer opnieuw met ƒ 7.5 millioen omlaag ging, dan staan de feiten zóó, dat in den loop van tien jaren op de Defensie-uitgaven ruim ƒ 41 millioen bezuinigd is geworden.
Er is dan ook geen enkel Departement van algemeen bestuur aan te wijzen, waarin het bezuinigingsmes zoó diep is gezet, als juist bij het Departement van Defensie.
Het is zelfs de vraag, of met de bezuiniging van ƒ 41 millioen, de grens van het toelaatbare niet is overschreden geworden.
Hoe dit alles intusschen ook zij, de onpartijdige beoordeelaar, die de Defensieuitgaven onder de loupe neemt, zal tot geen andere slotsom kunnen komen, dan dat de gelden, die voor de weermacht worden uitgegeven, tot een minimum zijn teruggebracht.
Daarbij komt dan nog, dat op de Defensie-begrooting ten behoeve van de tractementen voor burgerlijk-en militair personeel niet minder dan een kleine ƒ 40 millioen, en ten behoeve van de pensioenen en wachtgelden een groote ƒ 20 millioen wordt uitgetrokken.
Bij eenzijdige, nationale ontwapening, zou bij het behoud van een veiligheidswacht, zooals de Sociaal Democraten die noodig achten, het, financieel voordeel voor de schatkist slechts zeer gering zijn.
Het is daarom een Jegende, en niets dan een legende, wanneer beweerd wordt, dat Nederland in de richting gaat van het militairisme.
Deze bewering is ten eenenmale in strijd met de feiten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's