KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE EENHEID DER KERK (2)
In den eersten tijd van de Christelijke Kerk waren het vooral de verschillen in de leer omtrent de God-menschelijke natuur van Christus, die aanleiding gaven tot splitsingen. De eene groep verhief 't menschelijke element ten koste van het goddelijke, de andere omgekeerd het goddelijke ten koste van het menschelijke. De Ebionieten beweerden : „God zelf is niet in 't vleesch gekomen, want Jezus is niet meer dan een bijzonder reine en begenadigde mensch". De Doceten spreken van een schijnlichaam, enz.
De Kerk trad op in haar strijd voor de volle goddelijkheid en menschelijkheid in den éénen Jezus Christus. En hoewel de tegenstellingen verzwakten, bleef de Kerk ook tegen de zachtste vormen van dwaalleer in deze, onverbiddellijk. Zoowel de Monophysieten, die geen volkomen menschelijke ziel in Christus aannamen, als de Nestorianen, die Christus niet als God-Logos, maar slechts als tempel van God-Logos erkenden, werden uitgestooten.
Naast de leer aangaande Christus waren het vooral de opvattingen omtrent de Triniteit, Drieëenheid, die altijd weer nieuwe splitsingen te voorschijn riepen. Daarbij kwam nog een belangrijk derde motief voor splitsingen : het enthousiasme van het Oer-Christendom kwam in verzet tegen de institutioneele Kerk met haar ambten en instellingen, zoo b.v. bij de Montanisten en Donatisten. De eerstgenoemden kwamen op voor de spontaan werkende kracht des geestes, die volgens hen onafhankelijk was van instituties en ambtsdragers (geestdrijvers). De anderen hielden tegenover de geïnstitueerde Kerk met haar ambten — die zulks ontkende — vol, dat de genade der Sacramenten afhankelijk was van de persoonlijke heiligheid van de uitdeelers (Kerk der heiligen en wedergeborenen). Zoowel de eersten als de laatsten werden door de Kerk uitgesloten : de Montanisten, omdat zij het gevaar van dweperij in zich droegen (pneumatisch anarchisme), de Donatisten, omdat zij gevaar liepen de gaven der Kerk aan de menschen te binden. De Kerk verachtte den Geest niet maar hield vast aan de ambten en leerde, dat de genade des Heeren Christus niet afhankelijk was van menschen. De grens tusschen ketters en heiligen is uiterst subtiel. En zoo wordt b.v. het monnikendom niet uitgestooten, maar in de Kerk ingelijfd, terwijl andere stroomingen met den ketternaam gebrandmerkt werden.
Dat de Kerk al de ketterijen zegevierend overwon is een gevolg zoowel van uiterlijke als van innerlijke factoren. De Goten, die de Ariaansche leer aangenomen hadden, verdwenen van den aardbodem. De Byzantijnsche heerschers hebben, ter versterking van de riiksmacht, de dwaalleeringen met geweld onderdrukt. En wat wel een van de voornaamste dingen is: de Kerk bezat groote geesten als Athanasius, Chrysostomus, Augustinus e.a., die de zuivere leer tegenover alle misvorming in een helder licht wisten te plaatsen. Zóó komt het, dat de oud-christelijke ketterijen ons nog slechts aandoen als „grafsteenen" op den doodenakker der Kerkgeschiedenis. Slechts twee ketterijen leven nog tot heden, zij 't in een verzwakten vorm, voort n.l. het monophysitisme bij de Armeniërs en de Jacobieten, en het Nestorianisme bij de Oost-Syrische en Zuid-Indische Christenen. De Kerk triomfeerde.
Maar haar zege duurde niet lang. De Christenheid viel tegen het einde van de eerste duizend jaar, eerst tijdelijk en daarna voor goed, in twee helften uiteen : de Oostersche-en de Westersche Kerk. De aanleiding daartoe was niet zoozeer gelegen in twisterijen omtrent de leer, als wel in de rivaliteit tusschen het Oosten en het Westen, tusschen de beide metropolen of bisschoppen, waarvan de ééne, Rome, aanspraak maakt op den vóórrang op grond van den Apostollschen oorsprong (Petrus eerste bisschop van Rome) en de andere, Byzanthium, op grond van haar politieke beteekenis. Beiden hebben elkander wederkeerig vervloekt en daardoor een scheiding veroorzaakt, die achteraf met verschilpunten in leer en cultus (filioque n.l. dat de Heilige Geest van den Vader en ook van den Zoon uitgaat, de leer van het vagevuur, ongezuiverd brood bij het Avondmaal) gemotiveerd werd.
Maar de scheiding zou niet mogelijk geweest zijn, als niet inderdaad in het type der beide kerkhelften dieper liggende verschillen aanwezig geweest waren, die logisch leiden moesten tot een verschillende ontwikkeling. De Oostersche Kerk n.l. is geheel op 't hiernamaals, op het zuiver geestelijke gericht; haar is 't te doen om de verheerlijking der wereld door het licht Gods ; — de Westersche Kerk daarentegen is gericht op de practijk, op de beheersching der wereld door de Kerk, op het regnum Christi.
Deze verschillen zou men tot oplossing gebracht kunnen hebben, als menschelijke zonde dat niet wreed verhinderd had. Zoodoende duurt de vijandschap voort tot heden. Ja, de klove werd zelfs steeds dieper door de eigenaardige ontwikkeling van de Kerk van Rome, die zich voortdurend meer van het Oosten verwijderde. En de Oostersche Kerk viel uiteen in een veelheid van nationale Kerken, die los van elkander voortleefden. Men denke ook aan de gescheiden deelen der Russische Kerk in het vaderland én in de verbanning, die wederkeerig het „anathema" en het interdict (Kerkban) over elkaar uitspraken.
(Wordt voortgezet).
EEN BIJZONDERE LEERSTOEL TE LEIDEN.
De bladen hebben het reeds gemeld, dat bij Koninklijk Besluit de Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk, overeenkomstig artikel 170 der Hooger Onderwijswet, de bevoegdheid heeft verkregen om bij de faculteit der Godgeleerdheid aan de Rijks-Universiteit te Leiden een bijzonderen leerstoel in de Gereformeerde Godgeleerdheid te vestigen.
Op deze Koninklijke beslissing was ons wachten.
Want men wist in onze kringen reeds lang, dat alle schikkingen getroffen waren om het mogelijk te maken, dat prof. dr. H. Visscher, die reeds jaren in Utrecht als bijzonder hoogleeraar vanwege den Gereformeerden Bond colleges geeft, ook in Leiden zou kunnen gaan doceeren.
Nu alle officieele stukken in orde zijn, behoeft er niet meer lang te worden gewacht en zal dus prof. Visscher, in het jaar dat wij gedachtenis vieren van den 400sten geboortedag van Prins Willem van Oranje, de stichter van de Leidsche Universiteit, zijn onderwijs in de Gereformeerde Godgeleerdheid aanvangen. 1533 en 1933 kan dus in onze kringen als een merkwaardige combinatie van jaren geboekt worden. En het is onze hartelijke wensch en bede, dat de Heere het werk van prof. Visscher te Leiden nog rijkelijk zegenen mag.
Wonderlijk zijn Gods wegen.
Zelf student geweest zijnde aan de Leidsche Hoogeschool, mag prof. Visscher, na langen tijd te Utrecht te hebben gewerkt, ook nog als professor door de poort te Leiden binnengaan. En de Gereformeerde Godgeleerdheid zal, indien het God belieft, te Leiden in hem nog een vurig verdediger vinden.
Wij hopen zoo van harte, dat onder de studenten belangstelling mag wezen straks voor de colleges van prof. Visscher. Ieder weet, dat zijn onderwijs altijd van de grootste beteekenis is geweest en getuige zijn afscheidsrede te Utrecht, is het vuur in hem nog niet uitgedoofd. Met een frisschen geest en goeden moed hoopt onze Professor straks naar de Sleutelstad te gaan en onze verwachting is, dat zijn onderwijs ook te Leiden op Gods tijd nog rijke vruchten zal dragen.
„Er ging een zaaier uit om te zaaien " De Heere geve een wèltoebereide aarde en straks dertig-, zestig-, honderdvoudige vrucht !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's