De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Intusschen is Jap niet weinig met haar houding verlegen. Nog nimmer was zij zoo dicht in de nabijheid van den man, aan wiens vriendelijke zorg het te danken was, dat er zulk een gunstige omkeering in het huis harer ouders had plaats gegrepen. Meermalen had zij gehoopt den Jonker eens te mogen ontmoeten. 'Zoo gaarne zou zij hem eens willen zeggen hoe dankbaar en blij zij is, dat haar vader op „Grovestins" werd aangenomen, doch nu zij zoo onverwachts voor hem staat, weet zij niet hoe te moeten beginnen.
„En is boer Brandsma ook thuis ? " vraagt de Jonker, terwijl het hem niet ontgaat, dat zij niet weet wat te moeten doen. „Jawel, mijnheer ; zal ik mijnheer even inlaten? " Meteen heeft zij de klompen reeds uit, steekt op haar sokken de schoone straat over en opent de boven-en benedendeur.
Opeens zamelt zij echter al haar moed bijeen en, terwijl een hoogroode kleur haar gelaat doet glimmen, zegt zij :
„Ik ben de dochter van Mollema, mijnheer, mag ik u meteen wel bedanken voor alles, wat u aan mijn besten vader en daar door aan ons allen gedaan hebt ? "
Een fijn lachje speelt om den mond van den Jonker.
„'t Beteekent niets, meisje ; je vader heeft mij onlangs een grooten dienst bewezen, en voor wat hoort wat."
Zie zoo, nu is het er uit bij Jap en zij heeft haar schuld betaald. Later heeft zij er zich over verbaasd, dat zij dit alles tegen den Jonker heeft durven zeggen, maar het hart dwong haar tot spreken. 't Volgend oogenblik staat vrouw Brandsma in de gang om den hoogen bezoeker tegemoet te gaan. Dat is nog nooit gebeurd. Jonker Van Sterrenburgh op „de Eendenkooi".
Zoo vlug het haar mogelijk was heeft Anneke de tafel opgeruimd en is toen even spoedig door een zijdeur verdwenen.
„Goeden morgen, vrouw Brandsma, hoe gaat het ? " klinkt het opgewekt. — „Morgen, mijnheer, best; is het met mijnheer ook goed ? " — „Dank je, hoe is het, tref ik je man thuis ? " — „Jawel, mijnheer, de boer is op de opkamer ; wil ik u maar even voorgaan ? " — „Heel graag".
Sloffend in haar wijde muilen gaat zij daarop door de woonkamer en vervolgens een trapje op naar de lange gang, die toe­ gang geeft tot de ruime vierkante kamers in het voorhuis. Dat zijn de pronkkamers, welke alleen gebruikt worden bij buitengewone gelegenheden, zooals bij familiebezoek of wanneer voorheen kraamvisites gehouden werden of ook, wanneer een begrafenis plaats had.
Meermalen vertoeft Brandsma hier, 't zij voor zijn zaken om in stille afzondering zijn berekeningen te maken, 't zij om hier in de eenzaamheid te zitten overpeinzen, te midden van de oude schrijvers uit wier lijvige boekwerken hij zijn zielevoedsel haalt.
Ook thans heeft hij zich afgezonderd. Voor de zooveelste maal ligt daar voor hem op de tafel een kaart van het kadaster, voorstellende de plattegrond zijner boerderij, benevens tal van notariëele akten en bescheiden, welke allen betrekking hebben op zijn eigendom, en daarnaast het burgerlijk wetboek. Blijkbaar is hij zeer verdiept in de lektuur. De zwartgebrande goudsche pijp is neergelegd. In voorovergebogen houding, de koperen bril laag op den neus, het grijze haar verward over het hooge voorhoofd, den wijsvinger op de teekening, zoo is hy met zijn gansche persoonlijkheid bij datzelfde onderwerp, dat nu al maanden lang, bij dag en bij nacht, hem bezighoudt; dat hem zijn rust en vrede ontneemt; dat hem niet zelden vol verbittering doet zijn tegen alles, wat Overheid genoemd moet worden"; dat hem zelfs, o dwaasheid van het menschelijk hart, den gang naar het Godshuis belet, omdat hij dan in aanraking moet komen met personen, die hij niet ontmoeten wil. Want boer Brandsma is een innig vroom man, wiens godsdienst er niet van buiten op zit, maar boer Brandsma is ook een koppige Fries, die van geen buigen weet; die er op roemt dat een zijner voorzaten eens den moed had tegen een gekroond hoofd te zeggen : „wij Friesen knibbelje allinne foar God" *), wiens ja, „ja", en wiens neen „neen" is, en die bij al den ootmoed voor den Heilige, toch ook een zekere halsstarrigheid tegenover de menschen aan den dag kan leggen, vooral wanneer hij in zijn rechten meent te zijn aangetast; een halsstarrigheid, welke laakbaar is en niet zelden het nobele karakter der Friezen ontsiert.
Ternauwernood merkt hij dan ook, dat de kamerdeur geopend wordt, en eerst wanneer zijn vrouw zegt: „boer, hier is de Jonker, die je even wilde spreken", ziet hij op van zijn arbeid.
Ook hem schijnt deze komst een verrassing, te meer, waar hij zoo juist nog met zijn gedachten verwijlde bij den man, wien verreweg het grootste deel van Kleiterp behoort, maar die nog nooit in persoon één woord met hem gewisseld had, en dien hij altijd beschouwde als iemand, die zich ver verheven gevoelde boven het gewone slag menschen, waartoe hij en zijns gelijken behoorde, waar het de dingen van dit leven betrof, en zich overigens als een goddelooze om God noch Zijn gebod bekommerde.
Het volgend oogenblik treedt de Jonker binnen. Langzaam staat Brandsma op uil zijn breeden leuningstoel en ziet Van Sterrenburgh vlak in het gelaat.
„Goeden morgen, Brandsma". „Morgen", luidt het bondige bescheid er tegelijk wijst hij den bezoeker een stoel. Het ontgaat de boerin niet, dat haar mat plotseling in hevige ontroering is gekomen en een donkere wolk over zijn voorhoofd hangt. Hoofdschuddend is zij aanstonds teruggegaan, maar al te zeer vreezend, dai hier wel eens enen storm kon losbreken, als deze twee karakters tegen elkaar inbotsen Met 'n zwaren zucht keert zij naar de woonkamer terug. Wat kan toch een enkele gebeurtenis een donkere schaduw werpen over een heel huis, denkt zij.
Intusschen is het ook den Jonker aanstonds duidelijk, dat de man daar voor hen allesbehalve vriendelijk jegens hem gezind is. Toch doet hij, als of hij het niet merkt „Druk aan den arbeid ? " vraagt hij op vriendelijken toon.
„Ja", is wederom het korte antwoord. „Een kaart van het kadaster, als ik het wel heb ? "
(Wordt vervolgd)


*) „Wij Friezen knielen alleen voor God".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's