De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WISSELING DES JAARS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WISSELING DES JAARS

15 minuten leestijd

Psalm 25 vers 6 : Gedenk, Heere ! uwer barmhartigheden en uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.

Gods Woord ontsluit een wonder diep inzicht in den gang van ons menschelijk leven en de Heilige Geest kiest de treffendste, sprekendste beelden om het ons te laten zien gelijk het wezenlijk is. Zoo zegt de Psalmist, wanneer hij peinst over de kortheid onzer levensdagen : „Heere ! maak mij mijn einde bekend en welke de mate mijner dagen zij, dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij. Zie, Gij hebt mijne dagen een landbreed gesteld en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mensch, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid, Sela. Immers wandelt de mensch als in een beeld". Daar laat de Godgewijde zanger ms een licht opgaan over ons menschelijk bewustzijnsleven in verband met den tijd.
"Wij wandelen als in een beeld", zegt hij, om ons te doen verstaan, dat het leven met zijne opeenvolgende verscheidenheden niet anders dan als een bewustzijnsbeeld aan ons voorbijgaat. Al die uren, dagen, maanden en jaren gaan in ons bewustzijn aan ons voorbij, kennen wij slechts als aan ons zielswezen zich openbarende beelden, die als een kaleidoscoop aan ons voorbij trekken. Zij zijn als de schimmen der werkelijkheid, die geworpen worden op den spiegel van ons bewustzijn. Zoo teekent de dichter ons de onwezenlijkheid, de ijdelheid, de vluchtigheid van die dingen, waaraan wij menschen gewoonlijk eene hooge waarde toekennen. En zoo ontleent Mozes in den 90en Psalm een beeld aan het wonderlijke, mysterieuse van ons herinneringsleven, als hij spreekt van de duizend jaren, die bij den Heere onzen God zijn „als de dag van gisteren als hij voorbijgegaan is". En elders zegt hij in dezen zelfden Psalm :
"Wij brengen onze jaren door als eene gedachte". Zoo teekent hij onder beelden, aan ons eigen geestelijk leven ontleend, de luchtigheid van ons bestaan. Job daarentegen wijst ons op hetgeen onze oogen dagelijks aanschouwen, als hij van zijne dagen segt, dat zij lichter geweest zijn dan een ooper, dat zij voorbij gevaren zijn met achtschepen en gelijk een arend, die naar het aas toevliegt. Hoe treffend juist zijn de teekeningen van Gods Heiligen Geest, ons in des Heeren Woord beschreven, van onzen levensgang ! Immers, zoo vlieden onze levensdagen aan ons voorbij, en is ook dit daar als een schaduw aan ons voorbijgegaan, hoe levendig herinneren wij ons nog, dat wij het intraden, terwijl het voor ons verscheen als de geheimnisvolle toekomst, waarvan wij niet konden weten wat zij voor ons in haar schoot droeg. Maar nu weten wij niet, dwingt het ons een oogenblik tot stilstaan en tot stilheid tevens. De oudejaarsavond predikt ons zoo luide de vergankelijkheid, de vervloeiing van het schepsel, zooals hij ook dringt te vragen naar wat niet vergaat, maar eeuwig blijft en steun kan bieden te midden van het wankelende leven.
Van die wankeling getuigt de laatste ure in het voorbijgeschreden jaar, omdat zij ons herinnert; aan de velen, die wij op onzen levensweg hebben ontmoet en ons ontvallen zijn, aan onze dierbaren, wier liefde ons nog als een kostbaar goed is, als een lichtende glans in de dagen van weleer. Vooral denken we op den oudejaarsavond aan zoovelen, die met ons den jaarkring binnentraden, maar er niet meer met ons zullen uitgaan. Er zijn ledige plaatsen in elken kring. De lange lijsten der namen, door de groote bladen afgedrukt om te herinneren aan hen, die aan ons publieke leven ontvielen in het voorbijgegane jaar, spreken van de dooden, brengen ze nog een maal in herinnering en dan ruischt de stroom des tijds weer verder en worden ook zelfs de zeer groote figuren nauwelijks meer genoemd. En naarmate de geslachten voorbijgaan, verdwijnen zij allen uit de heugenis en wordt nauwelijks iemand van die velen, wier afsterven in hun Ievenskring ontroering wekte, meer gedacht. Zoo worden ook wij allen tenslotte onder gedompeld in den stroom des tijds, zijn wij allen voor de vergetelheid bestemd, hoe gewichtig wij ook ons zelven wanen. Op den oudejaarsavond kunnen wij den Prediker verstaan, wanneer hij het ons verkondigt, dat er een tijd is om geboren te worden en een tijd om te sterven. Doch te midden van de vervlietende tijden kende hij deze zekerheid, die hem een onwankelbaar steunpunt bood in den levensstrijd : „Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn". Want het kan een wonderschoone vertroosting ons wezen, te mogen verstaan, dat al's wij ondergaan in den nacht der vergetelheid, zooals de geslachten voor ons, op wier graven wij wandelen, er in zijn ondergegaan, wij mogen weten, dat in eeuwigheid de Heere onze God onzer gedenken zal. Ook de kleinste, ook de nietigste mensch, onder de menschen vergeten en niet meer geacht, de Heere kent hem eeuwiglijk. En zoo wordt op den oudejaarsavond de vraag ons voorgelegd, hoe Hij, voor Wiens oogen alle dingen open liggen, voor Wiens oogen ook de verborgenste schuilhoeken van ons hart worden ontsloten, ons zal kennen in Zijne eeuwigheid. Dan wordt de oudejaarsavond ons eene ure van gebedsworsteling om de zekerheid van ons eeuwig heil, dan zullen wij in de donkerheid van dien nacht leeren smachten naar het eeuwig licht van die wondere liefde Gods, die het hart Zijner kinderen verblijdt. Maar daarvan zullen wij niet kunnen smaken, indien wij niet , op den oudejaarsavond in dat zelfde eeuwige licht met onze zonde verschijnen om voor de vierschaar van Gods recht het vonnis onzer verlorenheid te beluisteren en ook in dien weg des rechts eenswillend worden gemaakt met Hem, van Wien ons , Job heeft getuigd : „Mijnen Rechter zal ik om genade bidden".
Ook dit voorbijgegane jaar zal ons oordeelen. Het zal tot een iegelijk onzer een getuigenis doen uitgaan van de goedertierenheid onzes Gods, en daarom ook van onze ontrouw, van onze zondeschuld. Ja, dat is ook zoo, al meenen wij menschen, dat het crisis-leed van deze donkere tijden op bijzondere wijze ons heeft getroffen, al staan duizenden onder den druk van zware lasten, al is veler uitzicht omzwachteld door ondoordringbare nevelen. Toch geldt het ook nu nog te midden van de geweldige ontevredenheid over den rampspoed van dit voorbijgegane jaar : „Hij doet ons niet naar onze zonden, vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden". Hoe weinig wordt daarvan beseft, als wij opmerken, dat de massa ook van ons Gereformeerde volk de handen smeekend uitstrekt naar den Staat, als naar den grooten afgod van het moderne leven. Hoe luide klinkt uit den mond dergenen ook, waarvan men zou verwachten, dat zij beter wisten, de roep om de reddende daden van de regeering, die overladen wordt met verwijten, omdat zij niet bij machte blijkt al te doen, wat men van haar afdwingt. Het voorbijgegane jaar met zijn vreeselijke nooden is er het treffend bewijs van, hoe ver we zijn afgeweken van den waren dienst onzes Gods. Het werd de massa geleerd, zelfs onder aanroeping van Gods Naam, van den modernen afgod, die „Staat" heet, verlossing te eischen van wat de levende God in Zijne rechtvaardige oordeelen over de zonde der wereld, over de zonde der volken, over de zonde van ons volk, ja, niet het minst ook over de zonde van Gods volk, als eene tuchtroede legde. Aan het volk ontbreekt de ware verootmoediging. Er is geen bukken onder Gods krachtige hand. Hoogstens is er het naderen met de lippen, terwijl het hart zich verre van Hem houdt. Ja, dat geldt ook de massa van ons Gereformeerde volk. Zijn zij in hunne gedragingen onder het crisis-leed onderscheiden van de kinderen dezer wereld ? Als de vormen er worden afgenomen, wat blijft er dan over, dat getuigt van de waarachtige vreeze Gods ? Waar is dan dat volk, dat den Heere in het recht stelt met de verliezen, die het in dit jaar leed ? Waar zijn zij, die met Habakuk belijden kunnen : „Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en geene vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geene spijze voortbrengen ; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils ? " Wij beleven nu zulke dagen, dat het schijnt, alsof de Heere geen zegen meer geven wil. En er is nog een volk in Nederland, dat zich op Zijnen Naam beweert te beroemen, maar waar zijn nu die menschen, die .als zij het jaar, dat achterligt meten met het oog van den zakenman, die bij en met alle verliezen van vreugde opspringen in den Heere ? Wij hebben ons zoo diep te verootmoedigen, als wij het alles aanzien, als wij er opmerkzaam op worden, - hoe wij tot de moderne afgoden mede geroepen hebben met den grooten hoop en tot de Staatsmacht hebben gezegd : „geeft, o Schilden, geeft!" (Hosea 4 vers 18).
Waarlijk, er is reden tot verootmoediging, oorzake te over om uit onzen roes op te waken en te leeren, dat des Heeren oogen zien naar waarheid in het binnenste. Het is zoo noodig, dat ons Gereformeerde volk weer tot zichzelf kome om zich waarachtiglijk voor Gods aangezicht te verootmoedigen, af te zien van de. afgoden dezes tijds, de ooren te sluiten voor het valsche geroep om de Staatshulp, om de redding alleen weder te verwachten van den levenden God. Als het daartoe mocht komen op den oudejaarsavond, dan zullen wij dit gebed van David niet slechts kunnen begrijpen, maar kunnen nabidden, en dan zal onze knie zich buigen in die laatste ure en zullen wij tot God zeggen : „Gedenk, Heere ! uwer barmhartigheden en uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid".
Hoe blijkt ook hier weder, dat het waarachtig gebed niet is alleen in woorden, maar geboren wordt uit geloof. Immers, daarover toont zich de psalmdichter wel zeker, dat er bij den Heere barmhartigheid en goedertierenheid woont. Hij verstond door het levende geloof, dat er in God den Heere eene wondere liefde is voor Zijn arm, verloren volk. Ja, hij besefte reeds, hoewel de dag des nieuwen Verbonds nog verre was, hetgeen na de volheid des tijds de apostel Johannes getuigde : „En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft". Ook toen reeds had de Heilige Geest aan Gods kinderen daarover het licht doen opgaan, want in den weg der ontdekking worden zij allen daartoe geleid, dat zij Gods wondere liefde leeren prijzen, nadat zij door het recht geleid werden tot verbrijzeling des harten en verslagenheid des geestes. Daarom luidt het getuigenis van den H6en Psalm : „Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen". Diep was deze God-gewijde zanger ingeleid in zijne verlorenheid, want hij had de banden des doods gekend en de angsten der hel hadden hem getroffen. Hij vond benauwdheid en droefenis. Maar hij had, na geworpen te zijn in den smeltkroes van het recht, gesmeekt om bevrijding zijner ziel en ervaren, dat de Heere Zijn kind niet hulpeloos laat omkomen. De Heere had aan zijne ziel welgedaan. Welk een wonder van genade was er aan hem geschied, toen de reddende daden der genade aan hem voltrokken waren. En omdat hij dit alles had doorleefd, de angsten der hel had gekend, daarom kon hij dat lied aanvangen met dat wonder schoone, heerlijke getuigenis : „Ik heb Hef". Hij wist nu te spreken van de liefde, die God tot ons heeft, bij ervaring. En als wij daarvan niet zelven genoten hebben, dan kunnen wij wel, zooals dikwijls geschiedt, luid spreken over de liefde Gods, tot de menschen zeggen, dat God liefde is, maar dan kunnen zij er toch nimmer iets van verstaan. Het blijven dan ijdele woorden, die misschien even de snaren des gevoels doen trillen, maar niets uitwerken, dat wezenlijk beteekenis heeft. Maar waar nu inderdaad het werk des Heiligen Geestes in de zielen openbaar wordt, daar wordt een geloof geboren, dat de liefde van het heilige, Drievuldige Wezen Gods ontdekt, en er de ziel een houvast aan geeft. En zoo was het nu ook hier bij David, als hij spreekt over de barmhartigheid en de goedertierenheid Gods. Nooit had hij daarvan kunnen spreken, als hij niets gekend en in het verborgene ook gesmaakt had van de liefde Gods. Die woorden toch, waarvan hij zich bedient, wijzen zelve reeds heen naar den lichtglans der eeuwige liefde, die in de schoonheid van Gods deugdenbeeld de albeheerschende is.
Als hij bidt, dat de Heere toch gedenken zal Zijner barmhartigheden en goedertierenheden, dan wordt daarin de eeuwige lichtbron van Gods liefde verondersteld, want die barmhartigheden en goedertierenheden zijn slechts openbaringsvormen van die ééne, eeuwige liefde Gods, die Johannes zeggen deed, dat God liefde is. Immers de barmhartigheden Gods worden openbaar in Zijne reddende liefde, zooals zij door Hem betoond wordt met betrekking tot onze .diepe ellende, die de vrucht is van onze zondeschuld. „Barmhartigheid" is het woord, dat ons onmiddellijk doet denken aan den mensch, die deernis wekt vanv^e het vreeselijke leed, vanwege diepe ellende, waarin hij hulpeloos en reddeloos verzonken ligt. Het spreekt ons van het stof des doods, waarin wij neerliggen voor Gods aangezicht. En de dichter had het ondervonden, dat de Heere hem in dien afgrond niet had laten omkomen. Hij wist het wel, hoe de Heere er met Zijne reddende daden geweest was om hem op te trekken uit den ruischenden kuil en het modderig slijk, waarmede hij overdekt was. En nu stond hij weder voor zijn God met de nooden zijner ziel. En omdat hij nu geloof heeft in de daarachter liggende onuitputtelijke lief­ de Gods, roept hij nu tot den Heere, dat Hij toch aan die barmhartigheden, voorheen aan hem bewezen, zal gedenken. Als de Heere dezer gedachtig ware, dan wist hij wel, dat hij nu ook niet omkomen zou.
En als wij nu op dezen oudejaarsavond eens zóó voor Gods aangezicht verschenen met alle wonderen van Gods genade, voorheen aan ons bewezen, zou dan niet dit donkere jaar met zijn druk, met zijn verlies, met zijn geweldigen stroom van leed, ons spreken van Gods barmhartigheden ? Ja, dat zou het, want Hij deed ons niet naar onze zonde. Deed Hij ons naar onze zonde, dan zouden wij toch met Job moeten zeggen : „niet één uit duizend zal ik U antwoorden kunnen". Schoon zou ons oudejaar, dit vreeselijke crisis-jaar, voor ons besluiten, als wij het mogen uitgaan met de waarachtige bede, dat Hij gedenken zal Zijner barmhartigheden. En dan zullen wij ook niet kunnen nalaten te getuigen van Zijne goedertierenheden. Want ook dit woord getuigt van de liefde Gods, maar toch nog op eene andere wijze als Zijne barmhartigheden. Wees de barmhartigheid op onze diepe ellende, op een staat, waarin geen oog medelijden met ons heeft en waarover de Heere gekomen was met Zijne reddende daad om ons op te halen uit de diepte, ons te helpen en te verlossen. Zijne goedertierenheden wijzen ons op mededeeling van genadegaven. Zij spreken van de ongehouden, vrijmachtige daden der genade, die uit de bron van Gods liefde-Wezen wellen en in wonder-rijke veelheid ons toekomen. Als wij er maar oogen voor hebben om het op te merken, en een hart om het te verstaan, hoe rijk wordt ons dan zelfs de oudejaarsavond na een jaar, dat van zooveel leed schijnt te getuigen. Heeft niet Jeremia het ons geleerd, tot God te zeggen : „Gedenk aan mijne ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle". „Ja", zegt hij, „mijne ziel gedenkt er wel terdege aan en zij bukt zich neder in mij". Wie onzer in deze donkere dagen zucht onder zijn druk en leed, die mag het in deze laatste ure hem nazeggen. Maar die mag ook hierin op zijn voorbeeld zien, dat diezelfde man, die met bitterheid verzadigd was en in de asch was neergedrukt, als uit éénen adem daaraan heeft toegevoegd : „Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn".
Welk een rijke, heerlijke oudejaarsavond zou het ons wezen, als wij in ons hart mochten vinden dit gebed tot God te bidden, omdat de Heilige Geest zelve het daar in onze ziel had neergelegd. Dan zou er een pleitgrond zijn, dezelfde pleitgrond, waarop ook David zich beroept om verhooring deelachtig te worden. Het licht ging hem op bij een blik over de barmhartigheden en goedertierenheden in het verleden, en zijn geloofsoog ontsloot zich voor de laatste gronden der vrijmacht van Gods genade over Zijn uitverkoren volk, zoodat hij zeggen moest: „die zijn van eeuwigheid". Gods liefde is eeuwig in Zijnen Christus en in dien Christus over het volk, dat de Vader Hem gegeven heeft. Zoo alleen zullen wij op.de scheidingsure staan kunnen in het ware.licht. Het jaar, dat heenvlood, zal als een donkere wolk omzoomd verschijnen met den lichtzoom van Gods liefde, want de Heere Jezus Christus is de Heere onze gerechtigheid. En wij zullen het nieuwe jaar mogen tegemoet gaan met blijmoedigheid, hiervan zeker, dat welke nooden ook over ons beschikt worden, toch geen schepsel, zelfs de dood niet, ons zal scheiden van de liefde Gods, die in Christus Jezus is, want zij is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over al Zijne uitverkoren kinderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

WISSELING DES JAARS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1932

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's