MEDITATIE
„Nu laat Gij, Heere, Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord : want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien". Lukas 2 vers 29 en 30.
OUDEJAARSAVOND.
Nog één dag en van 1932 geldt het woord uit Ezechiël 7 vers 2 : „het einde is er, het einde is gekomen". De zinrijke Oudejaarsavond is als zulk een profetengestalte, die zwijgend terugwijst naar het jaar, neen, het leven, dat achter ons ligt; die vooruit wijst naar het einde onzes levens. Zwijgend wijst hij ook omhoog, herinnerend naar Maleachi's woord (3 vers 16) : „Er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven". Ja, als bode Gods wijst hij tevens naar binnen en zegt: „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap ook in dit wegsnellend jaar".
Wie kan 1932 wèlgetroost eindigen ?
Hij en zij, wier leven voor tijd en eeuwigheid met al zijn wederwaardigheden, bestraald is door het Kerstlicht, in Bethlehem verrezen. Die als Simeon al zijn heil ziet in Christus Jezus. Zulk een heeft als hij, een Godverheerlijkend lied op de lippen, houdt Christus, zijn Zaligmaker, in de armen des geloofs en heeft de eeuwige Godsstad voor oogen bij het wisselen der tijden.
Van Simeon staat geschreven, dat hij was „rechtvaardig en Godvreezende, verwachtende de vertroosting Israels" (vers 25). Daarin wordt zijn leven geteekend. Verder staat er nog zoo'n gewichtig woord van hem: „ende Heilige Geest was op hem". Simeon werd geleid door den Heiligen Geest. Door dien Heiligen Geest was hem een bijzondere openbaring gedaan, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien. Maar ook door dien zelfden Geest kwam hij in den tempel op den dag, dat Jozef en Maria het kindeke Jezus daar den Heere kwamen voorstellen. Simeon had een goeden Leidsman in dien Heiligen Geest.
Wie is uw leidsman geweest in het jaar, dat teneinde spoedt? Zeg niet, dat ge geen leidsman gehad hebt, want ieder mensch heeft een leidsman in 't leven. Weet ge niet, wie uw leidsman is ? Bedenk dan, wat het ideaal is van uw leven. Is het geld, dan is Mammon uw leidsman. Spant ge alles in voor eer en genot ? Dan is de geest der wereld uw leidsman. En wilt ge met zulke leidslieden het oude jaar uitgaan, ja, het einde van uw leven tegemoet reizen ? Het eeuwig verderf wordt zoo uw deel. Mocht ge uw verkeerde idealen laten varen en Simeon navolgen ! Wat jaagt Simeon na ? Goud, eer en wat meer van dien aard is, zoekt hij niet, maar vergeving, want hij kent zich een zondaar voor God; genade, want hij weet den dood verdiend te hebben ; een kleed der gerechtigheid, want hij heeft alle eigen gerechtigheid verloren en is als naakt voor den Heilige Israels. En Simeon wist, waar hij alles, wat hij zocht, bij elkaar kon vinden. Dat had zijn geleider, de Heilige Geest, hem geleerd Die had hem onderricht, dat dit alles bijeenvergaderd was in den Christus Gods, den Beloofde aan de Vaderen. Daarnaar ging zijn hart als naar de vertroosting Israels uit. Het aardsche verloor zijn bekoring, maar hij zag heerlijkheid, troost en zaligheid in Hem, van wien de profeten spraken als den Messias, den Immanuël, den Heere onze gerechtigheid. Voor Hem had de Heilige Geest liefde in zijn hart ontstoken.
Simeon werd steeds ouder. Maar door het geloof ging hij getroost zijn levensweg, door het geloof, dat de Heere doen zou, wat Hij beloofd had, hem den Christus doen zien, eer hij stierf. O zeker, Satan zal hem dikwijls bestreden hebben, hem toefluisterende, dat die openbaring Gods inbeelding was. En dan zijn het zeker bange oogenblikken geweest, als hij bemerkte dat zijn hoofd zich begon te buigen, zijn bloed langzamer ging vloeien. Ook van zijn leven gold het Psalmwoord : „Wij vliegen daarheen !" Maar als de Heilige Geest dan zijn geloof aan Gods belofte deed opwaken, vond hij juist troost in hetgeen hem eerst in de engte dreef. Moest hij staren op 't einde zijns levens, dan troostte zijn geloof hem : Spoedig moet Hij nu komen, die voor eeuwig mijn hoofd zal opheffen. Wees zwakheid op een naderend einde, dan zeide dit hem tevens : Spoedig scheurt Hij nu den hemel, om neder te komen en mij de zaligheid in te voeren.
Op zekeren dag dreef de Heilige Geest hem naar den tempel. Hij wist niet, dat de Heere Jezus reeds geboren was. En toch hadden veertig dagen geleden, ook met het oog op hem, de engelen reeds in Ephrata's velden gezongen ter eere van den Inmanuël en was ook voor hem de boodschap des engels gebracht: „Vreest niet, want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal: namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids". Zoo heeft de Heere voor Zijn volk alles reeds bereid in Christus, terwijl de zielen Zijner uitverkorenen nog in het donker hun weg gaan. Maar op Gods tijd, gaat het licht op in de duisternis. Zoo ook hier !
Jozef en Maria komen met het kindeke Jezus in den tempel. Ook Simeon is in den voorhof. Daar aanschouwt hij dat Kind en met diepe ontroering der ziel beseft hij : dat is de Beloofde der Vaderen, dat is de Vertroosting Israels !
Maar hoe kon hij dat weten met zekere gewisheid ? Wel, de Heilige Geest was immers op hem en Deze leidde hem in deze zalige waarheid. Hier waren Zienersoogen. Hij neemt het Kindeke in zijn armen en loofde God en zeide : „Nu laat Gij, Heere ! Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord : want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken : een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël".
Aan het einde des jaars komt tot u en mij nu de vraag : Gaat ook gij zoo getroost door het geloof uw levensweg ? Gaat ook uw verlangen des harten uit naar den Christus Gods als den eenigen Troost in leven en sterven ? Is ook uw geloof en hoop alleen op Hem gevestigd, doordat gij eeuwigen vrede gevonden hebt door het geloof in Hem ?
Buiten Jezus Christus is geen ware troost en vreugde. Mensch der wereld, al gaat ge met schatten, eer en groote aardsche verwachtingen het oude jaar uit en het nieuwe jaar in, en dat alles vervult en bevredigt uw hart, dan gaat ge steeds verder van den eenigen Zaligmaker af. Als de dood u zoo overvalt, moet ge alle wereldsche schatten loslaten en zult ge het wanhoopsgeroep der hel versterken : Misleid ! Te laat, voor eeuwig te laat!
Maar den armen, den treurenden, den boetvaardigen wordt hier nog een blijde boodschap gemeld. Zooals eenmaal Jozua en Kaleb met de druiventros uit Kanaan in het leger stonden, om het goede, dat God Zijn volk in Kanaan had bereid, voor te houden, zoo staat Simeon met het Kindeke Jezus in de armen, voor het oog uwer ziel. 't Is of hij tot u spreekt en zegt: zoekt gij gerechtigheid voor God, wijsheid, heiligmaking, ja, volkomen verlossing ? Het is alles in Jezus door God bereid. „Wie Hem aanroept in den nood, vindt Zijn gunst oneindig groot!" „Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden !"
Simeon met het Kindeke Jezus in de armen geniet vrede met God en schouwt met zijn zielsoogen zaligheid in den Immanuël. Hij verheugt zich in zijn Borg en Zaligmaker. Me dunkt, ziende op zich zelf, moest hij met Jacob uitroepen : „Ik ben geringer dan al de weldadigheid en trouw, die Gij uw knecht bewijst". En ziende op Jezus, mocht hij met Asaph wel zeggen: „nevens U lust mij niets op aarde". Want hoe is eigenlijk de positie van Simeon bij het licht der eeuwigheid ? Dan heeft hij een geopend graf voor zich, een arm zondaarsleven achter zich, een heilige wet des Heeren, die hem schuldig stelt voor den hoogen God, naast zich de eindelooze eeuwigheid, hem wachtend achter 't graf ; daar een rechterstoel, waarvoor hij verschijnen moet en de satan daarbij om vreeselijke en ware aanklachten tegen hem in te brengen. En toch, hoewel Simeon dat alles weet, nu hij zijn Borg en Zaligmaker in zijn armen heeft, en dat niet slechts in zijn lichamelijke armen, maar meer in de armen des geloofs, nu wil hij wel sterven, vredig kan hij het dal der schaduw des doods ingaan, want starende op Christus, schouwt hij niets dan zaligheid.
Het einde des jaars herinnert ons met ernst aan ons levenseinde.
Lezer en lezeres, hoe staat gij tegenover het doodsdal ? Zoudt ge het nog alleen moeten betreden, zonder Borg en Zaligmaker tot uw deel ? Als ge wist: morgen moet ik sterven, zoudt ge radeloos en wanhopig zijn. Weet ge zeker, dat ge het nieuwe jaar nog zult beleven ? Waarom bij het onzekere van uw sterfdag, heden, nu, Jezus niet gezocht met uw gansche ziel ? Alleen wie als Simeon Jezus in geloofsarmen mag omhelzen, kan als hij, in vrede heengaan, zaligheid wachtende. Verwondert het u, dat Simeon verlangt heen te gaan ? Welke schoonheid zou de wereld hem nog kunnen toonen, nu hij Hem aanschouwt, die de Schoonste is der menschenkinderen, op Wiens lippen genade is uitgestort. En als hij deze wereld, die in het booze ligt, verlaat, zal hij verlost zijn van zonde, bevrijd van aanvechtingen, ontheven van alle aardsche zorgen en de Godsstad binnen treden, in welker poort de Heere voor eeuwig al zijn tranen zal afwisschen.
Daarbij, hij verlaat zelfs hoopvol voor de menschheid de aarde, nu hij in Christus zaligheid gezien heeft, die Gij (zegt hij) bereid hebt voor het aangezicht van alle volken, een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël.
Hoe velen zullen dus met hem juichen in Christus' heil!
En gij ? Zucht gij schuldverslagen en heilbegeerig ?
„Voor elk, die in het duister dwaalt, Verstrekt deez' zon een helder licht, Dat hem in schauw des doods bestraalt, Op 't vredepad zijn voeten richt.
Barneveld. B. BATELAAN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1932
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's