VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 3 vers 8 en 9. En zij hoorden de stem van den Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijne vrouv/ voor het aangezicht van den Heere God, in het midden van het geboomte des hofs. En de Heere God riep Adam en zeide tot hem : waar zijt gij ?
2e Serie.
II.
De daad der zonde heeft eene geweldige uitwerking op des menschen zielsbestaan. Dat was zoo in de levensgeschiedenis van den eersten mensch, en daar in hem de geheele menschheid begrepen was, is het ook zóó in al wat mensch is, de eeuwen door. De moderne menschheid moge zich inbeelden, dat zij door hare cultuur, door hare wijsheid en wetenschap, niet het minst ook door hare philosophie, de zonde kan wegredeneeren, om aan deze den angel der schuld uit te trekken, gelukken doet haar zulks toch niet. De ervaring leert, dat ook in den diepst gezonken misdadiger de mensch niet volkomen sterft. De teekenen van den vinger der conscientie zijn onuitwischbaar geschreven in het menschelijk bewustzijn. En moge al in den levensgang ook het zondekwaad wassen en toenemen naarmate de zonde gieriglijker wordt bedreven en de stem des gewetens tot zwijgen gebracht schijnt te worden, meer dan schijn is dit toch niet. Immers, de ervaring leert, dat de dag komt, waarin de zondedaad weer vlijmen gaat met nieuwe smart en wat lang vergeten scheen, als met vernieuwde kracht weder opleeft om te branden op de ziel. De dienst der zonde, hoe machtig hare bekoring ook wezen kan, is toch zoo wreed, zoo gruwzaam soms in belooning. Eens gedaan, blijft zij telkens zich weder aandienen. De schijnbaar door de vergetelheid omzwachtelde wonde rijt zij telkens weder open, om telkens opnieuw haar vlammend leed te doen gloeien. Het is geen wonder, dat de Heilige Geest de heilige schrijvers leert v/orstelen met de taal om de zonde-werking in de menschelijke conscientie ons toch maar klaar en duidelijk te teekenen en alzoo ons te leeren, welk een harde, wreede, gruwzame meesteres de zonde is voor den mensch. Zij komt hem in de ure der verleiding voor als een engel des lichts. De schoonste idealen spiegelt zij voor. Zij vleit en maant en trekt om alle aandacht af te leiden op zlchzelve en alzoo den mensch te boeien met de klem der onweerstaanbaarheid. En als zij hem eindelijk overwonnen heeft, dan legt zij haar masker af om hare ware gestalte te toonen. De eerst zoo schoone engel des lichts verkeert alsdan in een gruwlijken daemon, die den zondaar dwingt zijne zonde te zien, zooals zij waarlijk is, hem verwijt en vervolgt en beangstigt en beklemt. Ja, het leed der zonde gaat zóó diep, dat het kan boren en snijden en grieven door de ziel. Denk slechts, hoe de Heere Jezus ons teekent het zieleleed dergenen, die voor eeuwig zijn verloren gegaan. Van de buitenste duisternis spreekt Hij en omschrijft haar aldus : „aldaar zal weening zijn en knersing der tanden". En andermaal spreekt Hij van den Zoon des menschen, die Zijne engelen zal uitzenden om de ergernissen uit Zijn Koninkrijk te vergaderen en allen, die de ongerechtigheid doen, en zij zullen dezen werpen in den vurigen oven, daar zal zijn weening en knersing der tanden. En ook het deel der geveinsden wordt met diezelfde woorden omschreven. En elders weer wordt gesproken van het kaf, dat met onuitblusschelijk vuur verbrand zal worden. Dit is het beeld, dat ons het ziele-lijden malen doet, dat evenals de eeuwige vreugde. Waarvan Gods kinderen hier de beginselen smaken mogen, ook een beginsel heeft in dit leven, dat profeteert van het eeuwig lot van hen, tot wie Hij zeggen zal : „Ik zeg u, Ik ken u niet, vanwaar gij zijt, wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid". Buiten uitgeworpen, zullen zij ervaren, dat „buiten" beteekent „waar weening en knersing der tanden" is. Ja, de Heere Jezus spreekt op aangrijpende, ontroerende wijze van het eeuwig oordeel onder Gods recht. Slechts de Satan leert den mensch ook daaraan het geloof te verliezen.
Zoo was de weg der verleiding voor den eersten mensch geëindigd in den val en greep tegelijk daarmede ook het zondelijden in, want ongekende zielesmarten deden zich gevoelen, zoodra met de overtreding des gebods zijne zedelijke levenswet was gebroken. Zijn innerlijk bestaan werd ontwricht en vroeger ongekende bewustzijnstoestanden traden in.
In de eerste plaats openbaarde zich een diepgaande wijziging in de verhouding des menschen tot zichzelven. De harmonische ontplooiing van het menschelijke leven, zooals het krachtens Gods ordinantie op voortplanting aangelegd was, werd verstoord en riep het schaamtegevoel wakker. Zoo ergens, dan blijkt juist in dat geslachtelijk leven, hoe het levensdoel door de zondedaad wordt gemist. Want dit is, helaas, de vrucht der zonde, dat maar al te zeer de voortbrengende daad geheel op den achtergrond treedt voor het vleeschelijk genot, zoodat de mensch, die ook naar zijn geslachtelijk leven aan hoogere zedelijke ordinantie onderworpen moest zijn, den beesten soms gelijk worden kan. Met de zondedaad verging de heiliging van het leven des geslachts. Het verschijnt nauwelijks meer in' Gods licht. Vooral in onzen tijd wordt het openbaar, dank zij de oververzadiging der moderne cultuur, hoe het beest in den mensch hem drijven kan tot de wellusten des vleesches, die voor geene grenzen staan blijven, zoodat de onnatuurlijke ontucht op de vreeselijkste wijze voortwoekert. De verwoesting van eigen lichamelijk leven is van dit alles het gevolg, de verstoring van het zenuwleven, waardoor de zenuwziekte een sociaal verschijnsel is geworden.
Doch de grond dezer innerlijke disharmonie, die in het schaamtegevoel hare natuurlijke reactie vindt, ligt voor alle dingen in de verstoring van des menschen verhouding tot God. En zoodra dan ook na de openbaring der zedelijke ontwrichting er bij dien nu gevallen mensch weder sprake komt van zijne betrekking tot het goddelijke Wezen, blijkt ook terstond, hoe geheel anders deze is geworden. Voorheen is des menschen verhouding tot God en die van God tot den mensch ongebroken. De Heere God verkeert met den mensch als een Vader met Zijn kind, en de mensch verkeert met zijn God als het kind met zijn Vader. God handelt met den mensch door eene zich in het menschelijk bewustzijn openbarende daad. God spreekt tot den mensch, ontdekt door Zijn Woord dien mensch voor alle schoone en heerlijke gaven, die in het beeld van God hem geschonken waren. De sprake Gods, die tot den mensch uitgaat, doelt slechts op de volkomen ontplooiing van hetgeen als vermogen in den mensch sluimerde. En daarmede gaat gepaard eene ontdekking voor de levensbestemming, die de mensch te verwerkelijken heeft. En nergens wordt er ook maar met eenig woord gerept van hetgeen de mensch tegenover die ontdekking heeft te stellen. De mensch aanvaardt het alles zonder eenige tegenspraak, zonder eenige bedenking, als iets, waarop zijne ziel het „ja en amen" uitsprak. En dat ligt ook voor de hand, orndat het alles in volkomen overeenstemming was met des menschen levenswet. De Heere God legde hem niets op, dat in strijd was met zijne natuur, legde hem ook niets op, dat zijne natuurlijke gaven en krachten te boven ging. Die mensch in rechtheid stond, naar het woord van Augustinus, onder den druk van Gods genade gesproken, voor Gods aangezicht met de belijdenis des harten: „geef wat Gij beveelt en beveel dan wat Gij wilt". Ja, die mensch verkeerde met zijn God op zulk eene natuurlijke, spontane wijze, dat de omgang met Hem zoo vanzelfsprekend was, dat hij het in het geheel niet als iets bijzonders bij zichzelven waarnam, hoezeer ook de eerbied zijne ziel vervulde. Zooals het kind zich in vol vertrouwen overgeeft aan zijn vader en nimmer behoefte toont zich, zoolang het een kind blijft, daarvan rekenschap te geven, zoo had ook de mensch in rechtheid niet de minste aanleiding zich voor zijn God te verantwoorden, zichzelven te stellen tegenover Hem. Er was geene schaduw van in zijne ziel om zelfs een „waarom ? " op de lippen te nemen. Al wat Gods scheppende daad hem bereid had, hij ontving het met dankbaarheid in zijne ziel. En al hetgeen, waarover Gods Woord het licht der ontdekking hem deed opgaan, aanvaardde hij met eene blijmoedigheid des harten, die de gehoorzaamheid kenmerkt. Er was geene scheiding tusschen den mensch en den Heere God. En al wat tot hem gezegd werd, lokte geen tegenwoord uit. God sprak tot den mensch en de mensch luisterde, en nergens blijkt van eenigen afstand, van eenige scheiding, van eenige disharmonie in beider betrekking. De mensch geloofde in zijnen God, in Wiens hand hij zijn adem wist en van Wien hij verzekerd was, dat Hij ook alle zijne paden kende. Adam, de zoon Gods, hij kende Hem als zijnen trouwen God en rustte aan Zijn Vaderhart.
Doch nu was het alles geheel anders geworden. Met gansch andere oogen zag de mensch de wereld en zichzelven, terwijl de Heere God als uit zijn leven was teruggeweken. De menschen kenden nu goed en kwaad. Het goede als een schoone herinnering, die hun was bijgebleven uit den staat der onschuld, het kwaad als de levende werkelijkheid, die hun heden met vreeze vervulde, omdat het hunne conscientie deed klagen, hunnen zielsvrede bande, omdat het ijverzucht en vijandschap wekte tegen God en al Zijne schepselen tevens. De gemeenzaamheid met den Heere God, waarin de innerlijke levensharmonie haar hoogtepunt bereikte, was geweken, en in zijn bewustzijn was het nu, alsof er geen behoefte meer sprak aan den verborgen omgang met het heerlijke, goddelijke Wezen, welks stemme hem zaligheid had doen smaken, telkens als hij Zijn woorden beluisteren moest, waardoor hem de verborgenheden van eigen leven en levensdoel werden ontsluierd, de toekomst van de gansche schepping in het licht van Gods heerlijkheid werd onthuld. De geestdrift naar den opgang tot het goddelijke Wezen, die hem vroeger bezielde, was gedoofd, en zijn zielsbestaan, voorheen doortinteld van de zaligheid van het eeuwig goddelijk leven met zijnen God, was nu niet langer ontvankelijk voor een zucht der begeerte zelfs om Hem te ontmoeten. God de Heere was weg uit Adams leven. Slechts de sprake der herinnering aan wat eenmaal was en werd genoten, bleef. Het bleef als een ideaal, waarnaar de gansche menschheid de eeuwen door, zoolang haar geschiedenis duren zou, moest uitzien als naar het onvervulbare, dat altijd voortwenkt en nimmermeer kon worden bereikt. Een heimwee zou des menschen ziel verteren, want vervreemd van zijn God, zou de mensch ook een vreemdeling zijn op deze aarde. Het licht der heerlijkheid, waarnaar hij hunkerde, zou hij niet meer aanschouwen. De paradijsdag zijns levens was ondergegaan in den nacht, waarin geen ster der hope meer blonk. En datzelfde goddelijke Wezen, eens de bronwei van zijn zalige levensvreugd, was hem nu geworden de wortel van eene onoverwinlijke vreeze, de oorsprong van den onvrede, die zijne ziel verteerde.
God was van den mensch geweken. Hij genoot niet meer des Heeren omgang in de onmiddellijke nabijheid van zijn eigen zelfbesef. Als van uit de verte hoorde hij nog iets, dat hem sprak van Zijn aanwezen. „Zy hoorden de stem van den Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags". Van te voren was Hij het zelve, Wiens woord uitging tot den mensch, nu is het slechts Zijne stem, die als uit de verte het geluid van Zijne aanwezigheid brengt. Er is nu een afstand tusschen God en Zijn schepsel. De ruischende avondkoelte spreekt van Hem, en over de menschenziel gaat de ontroering eener wondere vreeze, die haar vervult, wanneer zij zich voorstelt, dat de Heere God, met Wien hij zoo teedere gemeenschap gesmaakt had, er nu was met Zijne macht en majesteit, met Zijne heiligheid en gerechtigheid. Bange vreeze vervulde des menschen ziel, wanneer hij aan zijn God moest denken.
En zoo zien wij dan ook, dat de gevallen menschheid geen andere vreeze Gods meer kent dan die der zielsangst en benauwdheid. In de geschiedenis der godsdiensten treedt het aan den dag, hoe de angstige vrees voor de bovenzinlijke macht als een zware looden last drukt op het gemoed der volken. De kinderlijke liefde kennen zij niet meer en al wat zij nog ontwaren van eene geestelijke wereld, verkreeg voor de volken het karakter van het dreigende gevaar, waarmede zij de menschen achtervolgde. Tusschen het goddelijke en het menschelijke was de levensverhouding verbroken en de mensch dacht zich zijne godheid als de groote vijandige macht in zijn leven, welker wrake hij moest afkoopen, welker achtervolging hij moest trachten te ontkomen, aan welker ontmoeting hij zich tot elken prijs moest onttrekken. Ja, de menschheid hoort sinds haren val het geluid van den Heere God, Wiens stem ruischt in de koelte van den avond, en haar hart wordt vervuld van vreeze, want hare eigene klagende conscientie verkondigt haar, dat zij tegen Hem heeft gezondigd en gedaan wat kwaad is in Zijne oogen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's