JONKER VAN STERRENBURGH
Een verhaal uit het Friesche volksleven
Met toestemming van den Uitgever J. H.. Kok te Kampen
„Ja, van wat sinds menschenheugenis tot in geslachten het eigendom mijner familie is geweest".
„Nu toch ook nog ? " „Neen, nu niet meer".
Hier schijnt Brandsma met moeite zijn opkomenden toorn te kunnen bedwingen. Een groote, blauwe ader kronkelt langs zijn rechterslaap om zich in het grijze haar te verliezen. Zijn neusvleugels trillen. Zijn borst hijgt. Zijn oog schiet vuur. Dan vervolgt hij met trilling in zijn stem :
„Zij hebben mij mijns vaders erf ontstolen !"
Zijn bevende hand grijpt naar de teekening en wijzend op een roode streep, die dwars door een paar vakken gaat, welke een tweetal stukken weiland moeten voorstellen, vervolgt hij :
„Ziet gij die bloedstreep ? Dat hebben zij mij ontnomen, en daarmee mij in mijn eigendom aangetast!"
„Wie heeft dat gedaan, Brandsma? " — vraagt de Jonker op kalmen toon.
„Wie dat gedaan heeft? Dat behoef ik u waarlijk niet te zeggen ! Gij allen met elkaar ! Gij, en de Gemeente en de Provincie en het Rijk en alle groote heeren, maar gij het meest, want als ik mij niet vergis, is van u dat rampzalig plan van die spoorlijn uitgegaan !"
„Ik had gedacht van u iets anders te hooren", antwoordt de Jonker, niet zonder eenige bitterheid in zijn stem en bijzonder den klemtoon leggend om dat „u".
„Wat dan ? "
„Dat gij als een Christen met grijze haren, die jaren lang vooraan in de gemeente gestaan hebt, en een ander ten voorbeeld hebt te zijn, het recht van de Overheid zoudt eerbiedigen, en u aan haar, als aan het wettig gezag, onderwerpen. Ik meende, dat in dien Bijbel stond" — en bij dit woord werpt de spreker een blik op een opengeslagen foliant — „dat de Overheid Gods dienaresse is, aan wie elk zich heeft te onderwerpen".
Al had op datzelfde oogenblik de bliksem vlak bij de boerderij ingeslagen, dan kon Brandsma niet vreemder hebben opgezien.
Is dat Jonker Van Sterrenburgh, die daar spreekt ? En moet deze man, dien hij en zeker alle vrome menschen van Kleiterp met elkaar steeds gehouden hebben voor iemand, die zich met den godsdienst niet inliet en vanzelf tot den grooten kring der verlorenen behoorde, hem nu gaan wijzen op hetgeen de Bijbel zegt ?
Een oogenblik is het stil in de ruime kamer. Beide mannen zien elkaar vlak in 't oog, alsof zij elkanders krachten willen gaan meten en in elkanders hart zoeken te blikken.
Er is een groot onderscheid tusschen die twee. Brandsma in zijn eenvoudig, maar degelijk boerenpak, met nog altijd, niettegenstaande den last der jaren, die breede, stoere, krachtige gestalte, welke zoo den welbewusten, Frieschen boer verraadt, die weet wat hij wil en gewoon is voor niemand uit den weg te gaan, èn de Jonker, met dat ietwat tengere in zijn gansche voorkomen, die echter tevens in heel zijn houding, in al zijn bewegingen, in elk zijner woorden het beeld is van den fijn beschaafden, wèlopgevoeden edelman.
Dan vervolgt de Jonker :
„Dezer dagen had ik een vergadering, waarin mij werd medegedeeld dat gij bij wijze van protest geweigerd hebt de gelden, welke u voor de onteigende gronden rechtens toekomen, in ontvangst te nemen, met de bijvoeging, dat dit nu de vrucht was van het Christendom in deze gemeente. Ik ben daartegen ingegaan, doch zou van u zelf wel wenschen te hooren, of ge waarlijk meent op zulk een wijze uw Christelijk beginsel in de practijk van het leven te moeten toepassen, en of dit nu een aanbeveling is voor degenen, die buiten staan".
Wat Brandsma ook verwacht heeft, nimmer, dat van déze zijde zulk een vraag tot hem zou komen. Meermalen is die zelfde vraag bij hem opgekomen, als hij zich rekenschap gaf van zijn handelingen. Vele slapelooze nachten heeft hij terwille dezer kwestie doorgebracht. Soms was het, alsof een inwendige stem hem zeide, dat hij zeer verkeerd deed door zich zoo te verzetten tegen 't geen nu eenmaal van hoogerhand besloten was, en waarbij onmogelijk met al de begeerten en verlangens van enkele personen kon gerekend worden.
Het meest had hij, vooral gedurende de eerste tijden, 's Zondags geleden, wanneer de gemeente bij klokgeklep ten bedehuis werd opgeroepen, en uit den ganschen omtrek al wat de Waarheid liefhad, opging, om de prediking des Woords bij te wonen. Dan gingen ook zijn huisgenooten ter kerk — de vrouw en de knechts naar den morgendienst — de meid, met de overige leden van het gezin naar de middagpreek, en dan zonderde hij zich af in deze zelfde kamer, om te trachten zich te verdiepen in de wegen Gods door het lezen eener predikatie of eenig stichtelijk werk. Doch 't was toch het ware niet. Hij gevoelde dan wel, dat hij niet op zijn plaats was. Dat hij behoorde onder de belijdende en lofzingende menigte en niet in de afzondering, niet in de eenzaamheid, al was hij daar ook bezig met goddelijke dingen. Dan was het meermalen alsof de stroom des Geestes hem voorbijging. Zijn gedachten dwaalden immer af van het lezen, en al maar zag hij die roode lijn op die kaart, welke zijn eigendom, zoo hij het noemde, „verwoesten ging".
Eens was hij bijna geneigd het trotse hoofd te buigen, 't Was op een Zaterdag toen hij bij zichzelf reeds besloten had de volgenden morgen met zijn vrouw kerkwaarts te gaan. Maar toen was het gebeurd, dat eenige vreemde werklieden, onder aanwijzing van een vreemden opzichter, de spade in den grond, zijn grond gestoken hadden, om de zoden weg te nemen en een begin te maken met den wei waarlangs eens de trein zou rijden, toen waren er andere arbeiders gekomen met kruiwagens en planken, om te gaan graven en dempen en egaliseeren, en toen, toen is hij woest geworden, hij, de vrome boer van de „Eendenkooi", en toen heeft hij den vuist gebald tegen de onverlaten die hem in zijn rechten durfden aantasten en tegen allen, die het met deze hielden, en toen heeft hij Gods oordeel uitgeroepen over de hoofden der schuldige: die zooveel leed over zijn huis hadden gebracht.
Dat was een vreeselijke morgen geweest De boerin had haar man nog nooit zo kwaad gezien en voor een beroerte gevreesd en het dienstvolk was hem uit de weg gegaan. Sinds dien tijd zag zijn oog zoo min mogelijk in de richting, waar me dag uit, dag in bezig was met dien arbeid aan de lijn, en nooit werd in zijn tegenwoordigheid, door wie ook, één woord over het spoorwegplan gerept.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's