BRIEVEN TOT GEESTELIJKEN OPBOUW
Van de kinderen in Christus.
Wat aangaat de kinderen in Christus : er is nog een groot onderscheid tusschen hen en de vaders en jongelingen. Want vooreerst zijn de kinderen nog niet in het verstand zoo hoog verlicht om God, Zijne werken, weldaden en de godzaligheid des levens recht te kennen, omdat zij door gewoonte hun zinnen nog niet zoozeer geoefend hebben (Hebr. 5 vers 14), alhoewel zij God kennen en Hem als hun Vader aanroepen ; want Gods kinderen roepen door den Geest: Abba, Vader ! (Rom. 8 vers 15).
Ten tweede, zijn zij ook nog in het begin van den strijd der wedergeboorte ; en het vleesch heeft daarom nog meer kracht in hen, en doet hen lichter struikelen, zooals kinderen die eerst beginnen te loopen; alhoewel zij met een oprecht hart het goed meenen, en altijd in alles wél willen wandelen, en God niet willen vertoornen, noch zondigen, en met Paulus wel zeggen met een gewillig gemoed : „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? " (Hand. 9).
Ten derde, zij kunnen ook die hooge stukken van den Christelijken godsdienst in hun kracht zoo niet begrijpen, maar dienen God met een kinderlijke eenvoudigheid, en hebben nog melk van noode en niet vaste spijze, omdat zij nog onervaren zijn in deze hemelsche verborgenheden (Hebr. 5 : 12, 13). Daarom kan die hooge gemeenschap met God en Christus en de hemelsche verborgenheden nog in hen zoo geen plaats hebben, maar God voedt hen met zoete melk van uitwendige genade, en ook wel met geestelijke vreugde, waardoor zij al meer en meer zeer begeerig worden naar de redelijke en onvervalschte melk van Gods Woord, om daardoor óp te wassen (1 Petrus 2 vers 2). Ook verlangen zij naar heilige en goddelijke samensprekingen, en bij de vromen te wezen, want God stort hen zulk een zoeten trek in, naar Hem en Zijne genade, dat zij Hem naloopen in de reuk Zijner olie (Hooglied 1 vs. 3, 4), Waardoor zij, naar hun begrip en bekwaamheid, aan hun ziel gevoed worden naar Gods wijsheid, tot Zijne eer en hunne zaligheid, al' hebben zij niet die hooge gemeenschap met God en den Heere Jezus Christus, gelijk anderen wel kennen.
Indien wij dan nog kinderen zijn in de wedergeboorte, zoo moeten wij ons niet voorstellen in ons te vinden hetgeen aan de vaders in het geloof méér eigen is dan aan de kinderen, 't Moet ons dan genoeg wezen, dat de Heere ons voedt met melk, dat Hij ons lust geeft en genieting in Zijn Woord, en een goddelijke droefheid naar God, dat wij Hem vertoornd hebben, om ons dan een ijverige begeerte te schenken om met God verzoend te mogen wezen en te hebben een gehoorzaam hart, om voor God oprecht te wandelen en Hem te gehoorzamen, en dat wij de zonde haten en vijand zijn. Dat is genoeg om ons te verzekeren, dat wij een kind van God zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's