DE VERGELDING
Daar woonde in Utrecht — lang geleèn — de leeraar Abr'am van de Velde. Van wien d' aloude historieblaan het volgende verhaal vermelden. Met trouwe vlijt en teed're zorg mocht hij zijn kudde weiden, en meen'ge ziel tot haren Borg en grooten Koning leiden.
Nu woonde er in dezelfde stad een burgemeester, ruw van zeden. En reeds herhaalde malen had de leeraar hem vermaand, gebeden bij zijner ziele zaligheid — 't Mocht hem helaas, niet baten. En de verstokte dronkaard ging den leeraar bitter haten.
Eens, toen op huisbezoek hij weer zijn zonden onder 't oog hem bracht, verwekte dit zijn toorn zoo zeer, dat — misbruik makend van zijn macht — den leeraar hij beval, de stad binnen één etmaal te verlaten. En met drie dagen zich te spoên tot buiten Utrechts straten.
Ontroering greep den leeraar aan, toen hij 't bevelschrift had gelezen. Dat was de dank voor zijn vermaan ! Uit zijn geprangden boezem rezen er bange zuchten naar omhoog — 't Lijk van zijn kind stond boven aarde En onderdanig hij zich boog en smeekte den ontaarde twee dagen uitstel, om zijn kind behoorlijk eerst ter aard te stellen. — De beul hierin een middel vindt, den prediker nog meer te kwellen. „'t Lijk van uw kind ? Mijn mestkar kunt gij krijgen om het weg te brengen. 'k Heb den termijn u aangezegd ; geen uur wil 'k dien verlengen".
En, bitterlijk bedroefd, verslagen, begeeft de leeraar zich naar huis. Hij kan zijn smart schier niet meer dragen, diep buigt zijn schouder onder 't kruis. Met vrouw en kroost terneergebogen, klaagt hij zijn nooden aan zijn God — Een wond're vree daalt uit den Hooge, en stil aanvaardt hij 't moei'lijk lot.
Nog eens — voor 't laatst — zet hij zich neder, en neemt het Bijbelboek ter hand. Zoo menigmaal — en thans ook weder — vond hij hier 't licht, dat twijfel bant. „Zal God geen recht doen Zijn verkoor'nen ? " Zoo leest hij met ontroerd gemoed. „Gewis ! Hij zal hun haastig rechtdoen". En de versaagden vatten moed.
Een drietal vrienden, hoog van aanzien, gaat naar den burgemeester toe, en trachten nog, hem te vermurwen Zij keeren weder, droef te moe. Nu wordt het huisraad uitgedragen, — Ook 't lijkje van het dierbaar kind. — Zij gaan aan boord ; van d' oever staren hen weenend na zoo maag' als vrind.
De burgemeester, die een buiten bezat, gelegen aan de Vecht, staat uit te zien, om voor het laatst nog zijn haat te koelen aan Gods knecht. Daar ziet hij 't kleine vaartuig naad'ren De onverlaat opent zijn mond, om met zijn schimp den man te treffen, , wiens hart zoo diep reeds is gewond.
Maar — eer hij nog een woord kan uiten, daar zijgt hij machteloos ter aard als door Onzichtb're Hand getroffen. — Een knecht ijlt toe, en zeer vervaard, vindt hij bewusteloos hem liggen. De man, verlegen, legt zijn heer op 't eerste 't beste voertuig neder. Hij legt hem op de mestkar neer.
Hij haast zich, hem naar stad te voeren, naar den geneesheer ; maar aleer de poort hij inrijdt, blaast de zondaar den adem uit — en is niet meer. En voor nog d' avond nederdaalde, begaf het drietal zich op pad, dat den verdreev'ne wederhaalde, en blijde weerbracht in de stad.
Zoo melden het d' historiebladen, en Gos is 't die d' historie schrijft: Hij redt uit doodsnood, wie Hem baden, en velt, die zich in 't booze stijft. Nog heerscht de God der legerscharen. Die wonderlijk Zijn volk bevrijdt, en Die Zijn kind'ren zal bezwaren van nu tot in all' eeuwigheid.
Lunteren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's