MEDITATIE
GEEN BLIJVENDE STAD.
„Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende". Hebreen 13 vers 14.
Wij hebben hier geen blijvende stad, zoo beleden eenmaal de aartsvaders, maar zoo belijden ook nu nog alle ware vromen, wier schreden gericht zijn op het pad des vredes. Wij hebben hier geen blijvende stad ; dat riep ons kortgeleden de verwisseling toe van het nieuwe jaar. Dat roept ons zoo menig getuigenis der Schrift toe. Hoort wat een Jacob getuigt, toen hij door Farao naar zijn leeftijd werd gevraagd : „Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen der jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen". Verneemt het woord van een Job : „De mensch, uit eene vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust". Of ook de ernstige vermaning van Jakobus : „Welaan gij, die daar zegt: wij zullen heden ol morgen naar zulk eene stad reizen, en aldaar een jaar overbrengen en koopmanschap drijven, en winst doen. Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven ? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt".
Ziet, al deze Schriftwaarheden, zij getuigen van de broosheid en vergankelijkheid van dit leven en al dit aardsche.
Wij hebben hier geen blijvende stad, dat roept ons ook het verloren paradijs toe.
O, voorzeker, eenmaal bezat dat eerste menschenpaar wel een blijvende woonstede, toen het nog verkeerde in dien staat der rechtheid, gelijk God Zijn schepsel niet geformeerd had om het alweer tot stof te doen wederkeeren, maar opdat het, gelijk de Catechismus zegt: „met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen".
Evenwel, de zondeval kwam tusschenbeiden en tengevolge hiervan een gesloten paradijs en de paradijsbewoner een balling, een zwerver, een vreemdeling geworden op een aardrijk, dat om der zonde wU vervloekt is. Neen, neen, de reisstaf kan niet worden nedergelegd, het leven kan niet worden stilgezet. Voort, andermaal voort, dat roept ons iedere dag, ieder uur, iedere polsslag toe. Totdat het uurwerk van ons leven is afgeloopen en de wijzer op 12 uur staat. Want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis, dat is volgens den Prediker het graf, waarachter slechts de eeuwigheid gevonden wordt.
Is het leven alzoo van een iegelijk onzer eene reis, korter of langer, naar de eeuwigheid, het leven des Christens is eene reis naar het Jeruzalem dat boven is. Immers zoo belijden Gods kinderen met de aartsvaders in onzen tekst: „maar wij zoeken de toekomende". Gelijk de apostel schrijft, Hebr. U vers 14 en 15 : „Want die zulke dingen zeggen, betoonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken. En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden den tijd gehad hebben, om weder te keeren. Maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is, naar het hemelsche. Van nature waren zij slechts zoekers van de dingen dezer wereld en hare begeerlijkheid. Van nature aardsch uit de aarde en vleesch uit vleesch zijnde, lagen zij met die gansche wereld verdoemelijk voor God.
Doch ziet, daar brak het uur der minne aan. Daar kwam God hen te arresteeren op den zondeweg. Daar kwam de Heilige Geest hen te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, en kregen zij met het recht Gods te doen, hunnen Rechter om genade biddend. Evenwel, daar kwam ook Christus zich aan hunne ziel te openbaren als Profeet, Priester en Koning, en kregen zij deel aan al Zijne schatten en weldaden.
Doch ziet, alstoen konden zij, evenals Bunyan, het in die stad des verderfs, op dat breede spoor der zonde niet langer volhouden, met een Mozes verkiezend liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben. Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte ; want hij zag op de vergelding des loons".
Van die ure afaan werden zij zoekers, als van God gezochten, van de dingen die boven zijn. Wandelaars op dat nauwe pad, dat ten hemel leidt, met de bede der Bruid in het hart: „Trek mij, Heere, en wij zullen U naloopen".
„Maar wij zoeken de toekomende".
Vraagt gij, wat wij hieronder te verstaan hebben ? Het is het hemelsch Jeruzalem, dat boven is, welks kunstenaar en bouwmeester God is. Gelijk alweer de apostel, Hebr. 12 vers 22, dienaangaande schrijft : „Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods; tot het hemelsch Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen".
Het is die stad met haar paarlen poorten en gouden straten. Dé, ar is de troon van God en het Lam. Daar zijn de engelen en de geesten der volmaakt rechtvaardigen, gelijk Johannes de zaligheid van de inwoners van die stad beschrijft: „Zij zullen niet meer hongeren of dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch eenige hitte Want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot de levende fonteinen der wateren ; en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen".
Ziedaar, de toekomstige Godsstad, welke die pelgrims naar de hemelstad zoeken; zoeken als vrucht des nieuwen levens ; zoeken in den weg van een voortdurend afsterven van hun ouden mensch ; zoeken in den weg van strijd en zelfverloochening, van geloofsvertrouwen en geloofsverzekering.
Totdat zij de poort dier hemelstad, dat is Christus, door het geloof ingaan, van welke Poort wij zingen :
Dit is, dit is de Poort des Heeren, Daar zal 't rechtvaardig volk door treên.
Om hunnen God ootmoedig t' eeren Voor 't smaken Zijner zaligheên.
Om nog een enkele toepasselijke opmerking te maken, de vraag : Zijt gij reeds door genade een zoeker van die toekomende Godsstad geworden ?
Ach, van nature aardsoh uit de aarde, zoeken wij slechts de wereld en hare begeerlijkheid. „Zij zoeken allen het hunne", — schrijft de apostel — „niet hetgeen van Christus Jezus is".
En daarom, dat het den Heere behagen moge, door wedergeboorte beslag te leggen op uwe zielen en uwe schreden te richten in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
En wat u betreft, reizigers met het aangezicht naar het Jeruzalem dat boven is, of in uw onverzekerd geloof nog van verre staande : Bedenkt dat de inwoners eener stad niet alleen bestaan uit volwassen menschen, maar ook uit kinderen, ja, zuigelingen ; en zoo ook in de genade.
Wij lezen van den oud-Hollandschen dichter en teekenaar Jan Luyken, dat hij bij de verwisseling des jaars op zijn zonnewijzer schreef : „Dit telt af". Welnu, waar wij zoo kort geleden van jaar zijn verwisseld, mocht dit ook van u gelden.
Indien gij dan met Christus zijt opgewekt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, ziende op dien oversten Leidsman en Voleinder des geloofs. Die ook Zélf hier beneden een vreemdeling is geweest, opdat Hij vervreemden van God zou binnenleiden in dat eeuwige Vaderhuis daarboven.
Hoevelaken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's