CHRISTELIJKE ETHIEK
CALVINISIISCHE ETHIEK
In Hoofdstuk X van boek III beschrijft de Institutie : „Hoe men het tegenwoordige leven en zijn hulpmiddelen gebruiken moet" (het gebruik van de aardsche goederen). De Heilige Schrift laat ons daarin niet zonder uitnemend onderricht en wil, dat we den rechten maat zullen weten bij het gebruik van de aardsche goederen, die we in dit tegenwoordig leven niet missen kunnen. Er zijn goederen, die noodzakelijk en onmisbaar zijn. Er zijn ook goederen, die meer het genot, dan de noodzakelijkheid schijnen te dienen. En nu zullen we moeten weten, hoe we de goederen van dit tegenwoordig leven in beide gevallen recht kunnen gebruiken. In het algemeen hebben we ze zóó te gebruiken, dat wij steeds bedenken, dat wij hier geen blijvende plaats hebben en dat we deze aarde als pelgrim doortrekken, 1 Cor. 7 vers 30.
Van méér dan ééne zijde is overdreven. Sommigen zijn te streng en beperken het gebruik der stoffelijke goederen tot de volstrekte noodzakelijkheid en leggen het geweten knellender banden aan dan Gods Woord beveelt. Noodzaak beteekent voor dezulken dit, dat men zich van alles onthoudt, wat men zou kunnen missen. Zoo zou men, volgens hen, aan brood en water nauwelijks iets mogen toevoegen. De Thebaan Krates was zóó streng, dat hij zijn schatten in de zee wierp, omdat hij meende dat, wanneer zij niet te gronde gingen, hij door hen te gronde zou gaan.
Anderen zijn niet streng genoeg er willen het geheel en al aan ieders geweten overlaten, zonder meer. Maar dit gaat óók te ver.
Al regelt nu de Schrift alles niet in bijzonderheden, zij geeft toch wel algemeene regelen aan. Het gebruik van Gods gaven is rechtmatig, wanneer het gericht wordt tot dat einde, waartoe de Gever die geschapen en bestemd heeft, en dat geldt zoowel de noodzakelijkheid als het genot. Zoo dient b.v. het voedsel niet slechts tot nooddruft, maar óók tot veraangenaming. God heeft ook voor genieting en blijdschap gezorgd ! Zoo was in de kleederen, behalve de noodzaak, óók de sierlijkheid en de eerbaarheid Zijn bedoeling. In de gewassen, boomen en veldvruchten, geeft de Heere niet alleen wat noodzakelijk is tot onderhouding van ons leven, maar Hij geeft ook aangenaamheid door de reuk en den smaak, opdat wij ons zullen verlustigen en verblijden bij de gaven Gods, die niet alleen noodzakelijk, maar ook liefelijk zijn. Daarom ook de bloemen, de metalen, enz., die niet slechts tot volstrekten nooddruft bestemd zijn, maar ook tot sieraad en tot verrijking van ons leven. De mensch is geen blok en van een onmenschelijke wijsbegeerte willen wij niet weten !
„Indien de Heere niet milddadig was in Zijn gaven en we ze niet mochten gebruiken, zou de dichter onder de weldaden Gods niet vermelden, dat de wijn het hart des menschen verheugt en dat de olie zijn gelaat blinkende maakt (Ps. 104 vers 15). De Schrift zou niet op vele plaatsen vermelden, tot prijs van Gods milddadigheid, dat Hij al dergelijke dingen den menschen gegeven heeft om ze te gebruiken. En de natuurlijke gaven der dingen zelf toonen genoeg aan, waartoe en in hoeverre men ze mag gebruiken. Of zou de Heere den bloemen een zoo groote schoonheid geschonken hebben, die zich vanzelf aan onze oogen voordoet, een zoo groote lieflijkheid van geur, die in onze reukorganen komt. en zou het dan niet geoorloofd zijn dat de oogen getroffen worden door die schoonheid, of de neus door dien heerlijken geur ? Wat ? Heeft Hij de kleuren niet zóó onderscheiden, dat Hij de eene aangenamer maakte dan de andere ? Wat ? Heeft Hij niet aan goud en zilver, aan ivoor en marmer een schoonheid toegekend, die hen kostbaar maken boven andere metalen of gesteenten ? Heeft Hij niet vele dingen boven het noodzakelijk gebruik ons toebereid ? "
„Wèg dus met die onmenschelijke filosofie, die, doordat ze slechts het „noodzakelijk gebruik" van het geschapene toestaat, ons niet alleen boosaardig berooft van het geoorloofde gebruik der Goddelijke weldadigheid, maar ook niet zich kan handhaven zonder den mensch van al z'n zintuigen te berooven en hem tot een blok hout te maken".
Anderzijds moeten zij, die, onder voorwendsel van geoorloofde vrijheid zich alles veroorloven, beteugeld en ingebonden worden. We moeten alles zóó gebruiken, dat het ons tot een zegen is en dat wij den Gever erkennen en dankzeggen. Bij onmatig of verkeerd gebruik komt er geen zegen en vreugd, maar vloek en ellende in ons leven en er is geen erkentenis of dankzegging mogelijk.
Ook hier is vrijheid in gebondenheid, vragende naar de bedoelingen Gods. We moeten het vleesch niet verzorgen tot begeerlijkheden, want indien wij te veel daaraan toegeven, spatten zij zonder maat en beheersching uit.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's