De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

 Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
T
evergeefs had ds. Velthuis met den Kerkeraad getracht hem tot andere gedachten te brengen. Hoewel het hem was aan te zien dat hij leed onder het geval, verhinderde zijn trots hem om het Friesche hoofd te buigen. Het laatste woord dat hij tot den dominé gesproken had, was, dat men hem maar stil moest laten begaan, totdat het hem duidelijk zou geworden zijn wat de wil des Heeren in dezen was.
Zoo was men langzamerhand aan den toestand gewoon geraakt, 't Was al gewoonte, dat de boer Zondags thuis bleef en de groote knecht desnoods het paard inspande om, als het weer dit vereischte, met de vrouw kerkwaarts te rijden. En er waren er die zeiden, dat Brandsma een man was, omdat hij het hoofd er zoo flink voor hield, precies zooals zijn voorouders ook zouden gedaan hebben.
Maar daar komt nu de Jonker, en zonder ook maar een oogenblik den toorn van boer Brandsma te vreezen, grijpt hem, recht toe recht aan, in zijn consciëntie met een vraag, die hem door de ziel snijdt. Of Brandsma waarlijk meent op zulk een wijze zijn Christelijk beginsel in het leven te moeten toepassen, en of dit nu een aanbeveling is voor degenen, die buiten staan.
Langzaam zakt het grijze hoofd van Brandsma naar beneden. Opnieuw valt zijn oog op de kaart daar voor hem. Ja, daar staat die roode lijn nog, als met tergenden spot hem de richting wijzend, hoe zijn eigendom gescheurd wordt. Wat zou hij niet willen geven als hij die voor altijd kon uitwisschen ! Nog meer desnoods dan het Rijk hem wil vergoeden, want het gaat bij hem niet om het geld, maar om het recht. En in dat recht is hij, naar hij meent, gekrenkt.
Een zacht gekreun komt op uit zijn borst. Hij is in een hevigen tweestrijd ; de Jonker ziet het wel. Onbeweeglijk, met iets droefs in zijn oog, zit deze op den afloop te wachten. Eindelijk verbreekt Brandsma de stilte.
„'t Valt zoo zwaar, Jonker".
„Wat valt zwaar, Brandsma ? "
„Afstand te doen van wat altijd in de familie geweest is. O, als het nu nog ging om dat stuk rietland, daar achter den watermolen, of desnoods om de vruchtbare terp, die ik indertijd zelf heb aangekocht, dan zou ik nog stil zijn, maar mij nu juist het beste stuk van de heele hofstede te ontnemen, dat altijd bij de boerderij behoord heeft."
„Ik had gedacht, dat een Christen heel anders tegenover de aardsche dingen stond", zegt de Jonker met iets teleurstellends in zijn stem.
„Wat bedoelt u ? "
„Ik meen, dat in den Bijbel zoo iets moet voorkomen 't geen zegt, dat men zijn hart niet moet zetten op de goederen van dezen tijd, omdat zij zoo ongestadig zijn en niemand weet wie deze eenmaal tot zich nemen zal, en dat de schat van een mensch veel hooger liggen moet dan in de stoffelijke wereld, die voorbij gaat."
Opnieuw ziet Brandsma met groote verbazing zijn bezoeker aan. Is dat nu de groote grondbezitter van „Grovestins", Jonker van Sterrenburgh, wiens voorgeslacht, voor zoover hij weet, nooit godsdienstig geweest is, en die zelf ook nimmer de bewijzen gegeven heeft dat de geestelijke dingen hem boven alles dierbaar waren ? Wat bedoelt hij met zoo te spreken ? Is dat een schamper verwijt om den boer te treffen en te doen gevoelen hoe theorie en practijk bij hem in strijd zijn ? Maar het gelaat van den Jonker vertoont geen zweem van spot, integendeel, het schijnt hem ernst, hooge ernst te zijn.
„Heeft de Jonker een Bijbel ? " — vraagt Brandsma verwonderd.
„Zeker ; een geschenk mijner moeder". Bij dit woord gaat den boer een licht op. Meermalen heeft hij hooren vertellen, dat Mevrouw Van Sterrenburgh een ander beginsel dan haar man was toegedaan geweest. Hij weet ook, dat zij in haar gezonde dagen vrij geregeld kerkte bij ds. Feurman. Door middel van oude Marijke heeft hij wel eens vernomen, dat zij een vrome vrouw geweest moet zijn, die geen gemakkelijken levensweg heeft gehad. Overigens heeft hij hierover nooit verder nagedacht. Vooreerst behoorde zij tot een andere kerk en dan tot een anderen stand, en vervolgens tot een geheel andere omgeving, en toen zij gestorven was, had er bij de begrafenis niets plaats gegrepen, waaruit ook maar iets kon worden afgeleid. Er was niet eens bij het graf gesproken en in enkele oogenblikken was alles afgeloopen. Zou het evenwel mogelijk zijn geweest, dat in haar een Koningskind was heengegaan, en zij op 't eenigst overgebleven kind misschien zulk een invloed ten goede heeft uitgeoefend, dat ook in zijn hart de zaden van godsvrucht tot ontwikkeling kwamen ? Neen, genade is geen erfgoed, dat ondervindt hij helaas met zijn eigen kinderen, maar aan den anderen kant is 't ook waar, dat de Geest des Heeren machtig is elk zondaarshart tot bekeering te brengen, 't zij het klopt in de borst van een edelman of een bedelman, en waar Hij komt, daar wordt immers de ziel uit God geboren ?
„Van uw moeder", zegt Brandsma meer tot zichzélf dan tot den Jonker. En dan meer rechtstreeks tot dezen :
„Mevrouw hield nog al van een goed woord, naar ik meen ? "
„Mijn moeder was een Christin, die beleed wat zij geloofde".
Weer gaat dit woord als een pijl in het hart van den ouden boer. Dat hem zooiets uit dézen mond gezegd moet worden !
„Dat is geen kleinigheid, Jonker, wat gij daar zegt".
„Maar het moet kunnen, of het is waardeloos. Voor een geloof, dat in het leve» geen kracht toont te bezitten, heb ik in 't geheel geen respect".
Natuurlijk is Brandsma het ook daarmee eens, doch nimmer heeft hij de moeilijkheid van dit alles zoo ervaren, als in d« laatste tijden. Dan vervolgt Jonker van Sterrenburgh :
„Er zijn, meen ik, nog anderen, van wie naar het mij voorkomt, het geloof nog net iets anders gevraagd heeft". „Wie bedoelt gij ? "
„Degenen, die hun geloof met hun lever hebben bezegeld". „De martelaren ? "
„Ja, en allen die ter wille van wat zij heilig achtten alles hebben veil gehad". „Maar het gaat hier niet om het Konininkrijk Gods ; 't gaat hier om het recht van eigendom", brengt Brandsma hiertegen in. „Waarvan u ten eenenmale geen afstand kunt doen, ook al wordt het van Overheidswege geëischt, omdat gij uw hart er op gezet hebt. Als wij, die in overvloed leven, ja in weelde ons kunnen baden, zóó vóórgaat wat moet het volk dan niet doen, dat vaak van alles verstoken is en anders niet dan zijn arbeidskracht heeft ? "
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's