De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

UIT DE VOLHEID VAN CHRISTUS BEDEELD.

8 minuten leestijd

En uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Joh. 1 vers 16.

UIT DE VOLHEID VAN CHRISTUS BEDEELD.
Daar is bij den zondigen mensch een geweldige leegheid voor God.
God eischt waarheid in den mensch en — geen waarheid wordt van nature in hem gevonden.
God eischt gerechtigheid van den mensch en— in plaats van gerechtigheid woont de ongerechtigheid in zijn ziel.
De Heere eischt heiligheid, en in plaats van heiligheid wordt daar in den natuurlijken mensch niet anders dan zonde gevonden.
Als dan ook de Geest des Heeren in den weg der ontdekking den zondaar komt stellen voor de vierschaar Gods, dan blijft hem niet anders over dan de bange erkentenis, dat de Heere geen onrecht zou doen, als Hij het vonnis des doods aan Hem zou voltrekken. En in al zijn ledigheid staat dan die mensch voor God zonder zelfs een quadraat-penning te bezitten om zijn schuld te betalen.
Als er nu misschien zulk een ledig mensch voor God onder de lezers van deze meditatie is, dan mag ik dien ledigen mensch op een rijken Christus wijzen.
Immers, het is des Vaders welbehagen geweest, gelijk Paulus heeft geschreven in zijn Brief aan Colosse, dat in Christus al de volheid wonen zou.
Ledige mensch ! die volheid woont in Christus, niet opdat Hij haar voor Zichzelven zou behouden, maar opdat Hij uit die volheid al Zijn arm en ellendig volk op aarde zou bedeelen.
Zoo groot, zoo oneindig groot is die volheid van Christus, dat al de eeuwen door Gods Kerk er uit bedeeld is geworden en nog is er geen vermindering van Zijn volheid.
Neen, want wat Hij heeft gedaan en verworven voor Zijn volk, is van eeuwige waardij. Hij is een eeuwige Christus.
Mag ik het eens zeggen met een beeld, al voeg ik er terstond aan toe, dat ook dit beeld mank gaat ?
Als ge zoudt staan aan het strand van den onmeetlijken Oceaan en een boordevollen beker scheppen van zijn wateren, dan zoudt ge in dien vollen beker in zijn verhouding tot de geweldige watermassa van den Oceaan een beeld mogen zien van hetgeen in Christus is voor een ieder van Zijn volk afzonderlijk.
Om nu recht te verstaan welke volheid in Christus door Johannes in dit woord wordt bedoeld, hebben wij nauwkeurig na te gaan in welk verband Johannes hier dit woord heeft geschreven.
Deze tekst is een gedeelte uit den proloog van het Johannes-Evangelie. En weet ge, wat nu Johannes in dien proloog wil doen ? Hii wil ons in dat voorwoord in korte, forsche trekken den Christus doen zien. Dien hij in het vervolg van zijn Evangelie nader wil aantoonen als den grooten Borg en Zaligmaker.
Zoo doet hij ons dan allereerst Christus zien als de Logos, als het Woord, omdat Hij het is, in en door Wien God Zich openbaart, zoowel in schepping als in herschepping.
Dan laat hij ons zien, hoe het Woord is vleesch geworden en dit vleesch-geworden Woord als de Zoon des menschen onder ons gewoond heeft.
Van dien Christus roept Johannes het dan uit vol blijde zielsverrukking, dat Hij vol was en vol is van genade en waarheid.
En dat niet om die volheid van genade en van waarheid voor Zichzelven te behouden, maar om uit die volheid uit te deelen, want, zoo zégt hij, uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.
Johannes zegt: „Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen". Hij zegt niet, wat hij en al Gods kinderen hebben ontvangen. Het is te veel om op te noemen. Hij kan het niet anders omschrijven dan met de woorden „ook genade voor genade", of zooals in den grondtekst bedoeld wordt: „en wel genade voor genade".
Wat is nu die volheid van het vleeschgeworden Woord, dat onder ons gewoond heeft ?
De Apostel zegt zelf : het heeft onder ons gewoond vol van genade en waarheid.
Ge moet hier dat woord „waarheid" niet verstaan in den zin van onbedriegelijke wijsheid, maar waarheid is hier hetzelfde als waarachtigheid, als trouw.
En nu gaat ge al den rijkdom verstaan van ons tekstwoord !
Immers, nu zegt de Apostel hier, dat in Christus al de volheid van Gods genade en van Gods trouw heeft gewoond.
En neem nu die beiden samen : Gods genade en Gods trouw. Dan hebt ge als 't ware de pijlers, de fundamenten van Gods Kerk op aarde, en dan hebt ge de lichtende boog, welke die Kerk omspant.
In Christus heeft al de volheid gewoond van des Vaders genade en trouw. Daarom heeft Christus Zelf gezegd, dat wie Hem had gezien, ook den Vader had gezien.
Met dat zien van Hem en den Vader bedoelt Christus dat geestelijk zien, dat alleen het deel is van ontdekte zondaren, die bij zichzelve niet anders meer vinden dan één groot ledig om voor God te bestaan, maar aan wier ziel God nu ook de onuitputtelijke volheid van Christus laat zien om hun ledigheid te vervullen.
Wie dan ook arm en ledig in zichzelven, aan zijn doodstaat en ellende ontdekt, met zulk een verlicht geestes-oog mag staren op den Christus in al Zijn volheid — hy komt niet uitgesproken en uitgezongen van wat er woont in Christus.
Wie kan de volheid van die Goddelijke genade en trouw, die daar woont in Christus, ooit omschrijven !
Zoo min als gij omspannen kunt met uw blik de wijdte der hemelen en met uw oog kunt peilen de diepten van de ruischende kolken der zee, zoo min kunt gij ooit die volheid peilen.
Die genade en trouw stralen uit als Christus nederligt in Bethlehem's kribbe.
Zij stralen uit, als het bloedig zweet Hem uit de poriën geperst wordt in den hof van Gethsémané.
Zij stralen uit, als Hij hangt in het snijpunt van de ruwe balken van het vloekhout op Golgotha.
Zij stralen uit in Zijn heenvaren ten hehemel met zegenende handen, in de uitgieting van den Geest uit de hoogte, in Zijn Hoogepriesterlijk werk, dat Hij voor Zijn volk verricht in het binnenst Heiligdom.
Lezer of lezeres, hebt ge oog voor die volheid en zijt ge uit die volheid bedeeld ?
Uit Zijn volheid hebben wij ontvangen, en wel genade voor genade.
Johannes spreekt hier van ontvangen, terwijl hij dan in het volgende vers zegt:
„Want de Wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden".
Begrijpt ge, wat Johannes bedoelt?
De Wet, die door Mozes was gegeven, deed niet anders dan eischen. Die Wet schonk niets, maar dreigde.
Maar Christus kwam om te geven, en wel uit Zijn volheid.
Gods kinderen hebben dan ook ontvangen genade voor genade.
Ontvangen, ondanks hun zonden ! Ontvangen, ondanks hun doemwaardigheid!
Ontvangen, als zij zich ledig kenden voor God, want het blijft in geestelijken zin van kracht, wat Maria zong in haar lofzang : „Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken heeft Hij ledig weggezonden"
Genade voor genade ! Dat kon Petrus getuigen, toen hij bezig was geweest onder vloek en eed den band met Christus door te snijden.

Dat kon Saulus van Tarsen getuigen, toen in de donkerheid zijner ziel het licht in Christus opging.
Dat kan heel Gods Kerk getuigen, door alle eeuwen heen.
Maar dat dan ook Gods Kerk het bedenke, dat Christus dien rijkdom heeft verworven als een vrucht van den arbeid Zijner ziel.
Het komt alles voort uit dien arbeid Zijner ziel onder doodsangst en vloek op Golgotha.
De gerechtigheid en de heiligmaking en de volkomen verlossing, het vloeit alles voort uit dien arbeid Zijner ziel.
Als uw oog dat ziet, dan wordt Jezus eerst schoon voor u. Dan is al wat aan Hem is, begeerlijk voor uw hart.

Dan zinkt ge op uw knieën met het woord van den dichter : „Wat zal ik den Heere vergelden voor al Zijne weldaden, aan mij bewezen !"Hij schenkt genade voor genade, dat is : de eene genadegift in de plaats van de andere.
Hij schenkt u alles, naar gelang van uw nooden en behoeften.
Melk en wijn, vaste spijze en toespijs, al naar uw nood het vordert.
Levenskracht en stervensgenade, alles op den juisten tijd.
Hij schenkt het uit de volheid van Zijn genade en waarheid.
Gods kinderen mogen met David gelooven : „mij zal niets ontbreken". Mij zal niets ontbreken, al is mijn leven één aaneenschakeling van moeite en van leed.
Mij zal niets ontbreken, als Gods hand de schaar in het zwarte rouwkleed zet en het mij hangt om de schouderen.
Mij zal niets ontbreken, als Zijn hand de bange ziekensponde voor mij spreidt of voor degenen, die mij dierbaar zijn.
Mij zal niets ontbreken, zoolang ik hier het pelgrimskleed moet dragen.
Mij zal niets ontbreken, ook als ik niets meer versta en begrijp van de wegen, die God met mij houdt, want als Christus mijn Borg is, dan zal ik ontvangen genade voor genade uit de volheid van Zijn genade en uit den rijkdom van Zijn eeuwige trouw.
Lezer, moogt ge dat zeggen ?
Zing dan in de dagen van zon en van licht, waarin ge zegen op zegen moogt smaken : „Loof, loof den Heer', mijn ziel, met alle krachten", maar bid ook den Heere dat gij, ziende op de volheid, die in Christus is, in den donkeren nacht van het leed met den dichter moogt zeggen :
„'k Zal mijn hart, wat mij moog' treffen, Tot den God mijns levens heffen".
Renkum.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's