VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 3 vers 15. En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw en txisschen uw zaad en haar zaad. Datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.
2e Serie.
IV.
Het licht der Godskennis doofde in het menschelijk geslacht. Niet anders bleef, dan de onuitroeibare behoefte, die de eeuwen door drong tot een zoeken, of zij Hem mochten tasten en vinden, hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons. In den nacht van donkerheid waart de menschheid rond, smachtend naar het goddelijk licht en nergens is er aan onzen hemel een ster der hope te ontdekken. De breuk tusschen God en mensch is volkomen, is onherstelbaar diep. Door eigen kracht en uit eigen wil zal er nimmer van terugkeer sprake kunnen zijn, zoodat den mensch niet anders bleef dan een honger naar vervulling van zielsbehoeften, die niet verzadigd worden zal. Reeds daarin ligt voor de menschheid een bron van schrijnend zieleleed, een blijvende storing van de harmonie zijns levens, die in ongerechtigheid en gruwel van zonde hare openbaring vinden moet. Zoo zou aan dit geslacht geen uitkomst wachten. Geen oog heeft medelijden met den menscli, die zells geen medelijden heeft met zichzelven en in de verdwazing zijner ongehoorzaamheid voortspoedt naar zijn eeuwigen dood.
Maar nu is dit juist het schoone en het heerlijke, dat in het Vaderhart Gods het onuitblusschelijk vuur Zijner goddelijke liefde blijft gloeien, zoodat waar die mensch zich niet meer uitstrekt naar Hem, zooals Hij waarachtiglijk is. Hij zelve Zich wil nederbuigen tot dit gevallen geslacht. En dat doet Hij door in dien nacht van zonde opnieuw het licht Zijner kennis te doen opgaan.
Alzoo staat de geschiedenis der menschheid in het teeken der worsteling tusschen God, die den mensch wederbaart door de onwederstandelijke kracht Zijns Heiligen Geestes, èn den mensch, die als Gods vijand weigert Zijn Koningschap te erkennen. Die strijd zet in nog voordat de zondaar het paradijs heeft verlaten en zal niet eindigen voordat de laatste van Gods kinderen in heerlijkheid is ingegaan. Deze antithese beheerscht de ontwikkeling der historie. Zij werd dus niet uitgevonden om politieke doeleinden na te streven, is geen bedenksel van menschen om een scheuring te trekken door ons volksleven, maar zij vloeit onmiddellijk voort uit de daad van Gods reddende genade, waardoor een volk geroepen wordt uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, opdat in dat volk Zijne kennis wederom zal worden geboren. En deze antithese was er dus reeds eeuwen voordat er van een Heilige Schrift kon worden gesproken. Zij was er van het oogenblik af, toen God Zijn Woord des ontfermens sprak tot den gevallen mensch, en in dat genadewoord zelf het licht deed opgaan, waardoor de duisternis werd gescheiden.
Groot was wel het onderscheid in de verhouding tusschen God en mensch voor en na den val, en groot was daarom ook het onderscheid tusschen de wijze, waarop God voor en na den val Zijn Woord sprak tot den mensch. Vóór den val betoont zich de mensch in zijne verhouding tot God rein passief. De mensch ontvangt Gods Woord, neemt het spontaan, als vanzelf en in overeenstemming met zijn wezen in zich op. De Heere God sprak Zijn Woord, opdat het menschelijk bewustzijn zou worden opgeklaard en de mensch ontving het als eene leering, waardoor zijne levensgaven tot rijker ontplooiing kwamen en zijn inzicht werd verdiept. De mensch werd in dien weg opgevoed door zijnen Schepper, zóó, dat hij als ontdekt werd voor hetgeen hij bezat. Vóór den val doelt dus het Woord, dat God tot den mensch spreekt, op de ontwikkeling der krachtens schepping hem ingelegde gaven. Toen was er geene antithese, maar slechts de samenstemming tusschen den mensch en zijn God, waarin de mensch de zaligheid smaakte eener natuurlijke levensharmonie met zijn God. Daarom wist de mensch niet van een zich stellen tegenover zijn God, van een anders willen dan zijn God, maar hij doorleefde eene eenheid met Hem, waarin met de reine uitleving zijner natuur ook de innerlijke zelfbevrediging zijn deel was. Zoo verkeerde hij in den hof van Eden, terwijl zijne ziel er als eene schoone bloem hare kelk ontplooide, die zich wendde naar het licht, dat God Zelve als de levenszon uitstraalde naar Zijne schepping. Zoo mocht hij zich baden in de diepe stroomen van de liefde Gods en zalig zijn in Zijne kennis. Met dat licht dronk hij als het leven in en wist zich in alle levensuiting één met Hem, die het leven hem toevloeien deed. Tusschen hem en zijn God was geene scheiding en in de onschuld rustte hij als Gods kind aan Zijn Vaderhart. Hij gevoelde zich staag gedragen door Gods voorzienige kracht, door Hem, in Wien hij ademde, leefde en zich bewoog.
En in dien verborgen omgang beluisterde hij Gods Woord, dat hem als toevloeide in zijne ziel en het wekte in hem den jubelzang van eeuwig zalig leven in storelooze gemeenschap met Hem, Die tot hem sprak op zoo wondere, verborgene wijze, waarbij zijne ziel werd ontroerd, maar ook zijn oog verlicht, zijn inzicht verrijkt en verdiept. God sprak Zijne woorden tot den mensch door de sprake van Zijnen Heiligen Geest, en de mensch luisterde als een kind en hij dronk Gods wijsheid in gelijk het zoogkind leven indrinkt uit de moederborst, die hem zoogt, zich niet bewust van de wonderen des levens, die hem geschieden. Wij lezen dan ook niet, dat Adam vóór den val tot God spreekt. Hij spreekt wel tot zichzelven en voor zichzelven. Als hij dieren namen geeft, dan openbaart hij daarmede dat hij een inzicht heeft verworven in het wezen van het dier en dat daarmede dus het dier een bepaalde beteekenis voor hem heeft verkregen, en dat hij zich daarvan bewust is geworden. En zoo ook, als zijn zielsoog ontsloten wordt voor wat de vrouw voor hem zal zijn en hoe innig en teeder de levensgemeenschap zal wezen, waarin hij tot haar zal staan, dan spreekt hij tot zichzelven en openbaart het als voor zichzelven in het woord, dat zij is been van zijn been en vleesch van zijn vleesch. Maar de Schrift deelt ons niet mede, dat de mensch vóór den val eenig woord tot God richt. Vóór den val spreekt alleen de Heere God, Hij alleen gebiedt, van Hem alleen gaat het Woord uit. Ook in het paradijs waren de uitgangen des levens bij God, is Hij in het verbond de eerste. En na den val is Hij nog de eerste, gaat nog Zijn roepend Woord uit, opdat de mensch zal worden ontdekt, maar dan is het met den mensch anders geworden. Tegenover het Woord van den Heere God stelt dan de mensch zijn woord. Dan is er de antithese tusschen mensch en God, en daarmede is ook het oogenblik gekomen, waarin God den mensch het wezen en de diepte van zijn val verklaren kan, doch ook het licht kan doen opgaan over zijne redding.
Den geweldigen strijd, die de eeuwen door zal woeden, die gansch onze historie zal beheerschen, stelt de Heere God nu voor het menschelijk zielsoog. En dat niet alleen, maar Hij wederbaart ook tegelijkertijd dien Adam, opdat hij het licht, dat God nu voor hem doet opgaan, zal kunnen zien, opdat hij het Woord, dat tot hem gesproken wordt, zal kunnen verstaan en daarmede zich bewust zal zijn, dat hij als de eersteling der gemeente Gods eene roeping kennen zal in de komst van dat nieuwe Godsrijk, dat uit de daden der genade opkomen zal.
Daarom zegt God : „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw". Aan de eene zijde Is daar de slang, de oude slang, de Satanas, die in de verschijning van den antichrist het hoogtepunt van zijn werk zal bereiken; aan de andere daarentegen de vrouw, de moeder aller levenden, die in Gods gemeente hare glorie bereikt, als zij het Kindeke baren zal, dat als nieuw Verbondshoofd en tweede Adam optreden kan. Welk eene tegenstelling treedt ook hier aan den dag. Van te voren bestond er tusschen deze vrouw en de slang eene groote vertrouwelijkheid in den omgang. Met aangenaamheid had zij geluisterd naar der slangen influistering en hare voorspiegelingen wekten begeerten op naar idealen, die voorheen haar ganschelijk vreemd waren. Zij beschouwde het dier als met eene wijsheid toegerust, die de hare verre overtrof en hare bewondering opwekte. Met een innerlijke vreugde begroette zij het schoone goed, dat haar in uitzicht werd gesteld. En nu zij naar die stemme der verleiding het oor had geneigd, openbaarde zich de ontroerende teleurstelling in de ontwrichting der conscientie, in het diepe bewustzijn van hare zonde tegenover den Heere God. Zij ontwaarde de breuk in de gemeenschap met Hem, Wiens Woord haar tot dusver een lamp was geweest voor den voet. En bovendien klonk nu het vonnis in hare ooren, dat er vijandschap zijn zou, eeuwige, onverzoenlijke vijandschap tusschen haar en die slang, welker vriendschap zij zoo aangenaam had genoten.
Zoo ontsloot de Heere God het strijdperk, waarin Zijne gemeente zou worstelen met een wereld, waarin die slang haar nageslacht voortbrengen zou en liet Hij van den aanvang reeds, nog voordat de mensch uit het paradijs verdreven was, het licht hem opgaan over den levensgang voor hem. De Heere leert het hier aan Zijne gemeente, reeds in hare eerste prille jeugd, als zij nog slechts vertegenwoordigd is door het eerste menschenpaar, hoe zij door Gods verkiezende en wederbarende genade een roeping zal hebben te volbrengen in eeuwigen strijd met de machten der duisternis. Tusschen de slang en die vrouw, tusschen Satan en Gods gemeente zal nimmermeer vriendschap kunnen bestaan.
En zoo wordt dan ook in Gods Woord ons geopenbaard, hoe die worsteling onder het Oude Testament verschijnt als een geweldige geestelijke strijd tusschen Gods oude Kerk en de levens-en wereldbeschouwing, die haar draagt en de wereldmacht van Babel. Dit Babel is niet slechts een machtig rijk, waardoor de toenmalige wereld beheerscht werd, maar tevens de drager van cultureele idealen, en ook dus van een levens-en wereldbeschouwing, die de groote antithese is van de komst van Gods Koninkrijk. De strijdbijl tusschen deze twee wordt nooit begraven. Wie dit meent, is Babels onderdaan. Dat Babel Is de drager van het slangenzaad. Hoor slechts, hoe een Jesaja Gods oordeelen er over aankondigt, als hij, Jesaja 13, den last Babels, dien hij gezien had, uitroept: „Des Heeren dag", zoo zegt hij, „komt, gruwlijk, met verbolgenheid en hittigen toorn om het land te stellen tot verwoesting en deszelfs zondaren daaruit te verdelgen. De sterren des hemels zullen niet meer lichten, de zon zal verduisterd worden, de maan niet meer schijnen. De boosheid zal bezocht worden en over de goddeloozen hunne ongerechtigheid. Daarom, zegt God, zal Ik den hemel beroeren en de aarde zal bewogen worden van hare plaats, vanwege de verbolgenheid van den Heere der heirscharen". Aan dat Babel, dat nu in zijne Godvergetenheid en afgodendienst opgaat, wordt het oordeel voltrokken. Alzoo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hoovaardigheid der Chaldeeën zijn, gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. En van dat zelfde Babel zong de Psalmist: „o dochter Babels, die verwoest zult worden ! Welgelukzalig zal hij zijn, die u uwe misdaad vergelden zal, die gij aan ons gedaan hebt; welgelukzalig zal hij zijn, die uwe kinderen grijpen en aan de steenrots verpletteren zal". Zoo spreekt God niet over de zuigelingen van Babel in eigenlijken zin, maar van het slangenzaad, waarvan Babel de drager is, van die satanische geesten, die de menschheid voortdwingen in haar vijandschap tegen God almachtig of zij ook Gods souvereine majesteit zouden mogen ontwrichten en Hem onttronen, die toch alleen God is. Het zijn de geesten uit den afgrond, die zich keeren tegen Gods volk, omdat zij zich keeren tegen God Zelven.
En zooals er door de profetie getuigd werd van die eeuwige, onverzoenlijke vijandschap, zoo is dit ook het geval in het Nieuwe Testament. Wordt niet in het boek der Openbaring ons diezelfde worsteling geteekend, als de ziener op Patmos de zwangere vrouw aanschouwt, die bekleed was met de zon, de maan onder hare voeten en op haar hoofd de kroon met twaalf sterren ? Hij zag ook den draak, den grooten rooden draak met alle teekenen zijner macht. En als de vrouw het kind zal baren, dan staat hij voor haar, opdat hij het kind verslinden zal. Zoo teekent de ziener de vijandschap tusschen het zaad der slang en dat der vrouw en toont hij ons, hoe de Heere Jezus Christus is gezet tot een val en een opstanding, hoe met Hem de strijd het hoogtepunt bereikt, maar ook, hoe in die worsteling Gods volk wordt uitgered op dikwijls wonderlijke wijze, Openb. 12 : 6. Door alle eeuwen gaat die strijd, waarover aan den ingang der historie de Heere reeds het licht heeft doen opgaan, opdat Gods volk zal gewaarschuwd zijn, opdat het niet zal wijken, noch vreezen, maar volkomenlijk hopen op de genade, die toegebracht wordt in de openbaring van onzen Heere Jezus Christus, die de overwinning wegdragen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's