KERKELIJKE RONDSCHOUW
ZITPLAATSEN IN DE KERK. (1)
Gods huis heeft een eigen orde, en men zal moeten weten, hoe men zich in Gods huis moet gedragen. Een van de eerste en van de meest practische dingen is : er moeten zitplaatsen zijn. En natuurlijk lijkt dat heel eenvoudig. Maar de practijk leert, dat hierbij toch dikwijls méér moeilijkheden zich voordoen, dan „men" dikwijls denkt.
Van 't grootste belang is, dat de kerkruimte geschikt is voor onze Protestantsche eeredienst, waar de preekstoel een centrale plaats vraagt. De kansel, met den Bijbel, moet de eereplaats hebben. Want 't gaat in onze kerken allereerst om de bediening des Woords, om de prediking des Evangelies; en wel Zondag aan Zondag, telkens weer. Bij de Roomschen gaat het om het altaar en om de mis. De preekstoel komt er minder op aan, hoewel er een plaats voor noodig is. Als dus de kerk maar zóó gebouwd en zóó ingericht is, dat het hoog-altaar in 't oog valt en allen de plechtigheden bij het altaar kunnen zien en volgen, dan is men bij Rome klaar. Dat is bij ons anders. Bij ons moet de preekstoel een plaats hebben, die heel de kerk (ruimte) beheerscht en dan moeten er zitplaatsen zijn voor allen, die de godsdienstoefeningen willen bijwonen.
Aan onze kerken ontbreekt, wat de inrichting betreft, nog wel eens wat, hier en daar. Oók soms, omdat het gebouw wel berekend is op de Roomsche eeredienst, maar niet op de Protestantsche godsdienstoefening.
En dan komt het probleem van de zitplaatsen.
De zorg hiervoor is in onze Hervormde kerken bijzonder opgedragen aan de Kerkvoogden met de Notabelen saam. Die moeten zich deze dingen indenken en alles ter harte nemen, wat nuttig en noodig is, opdat armen en rijken, mannen en vrouwen, jongen en ouden zitten kunnen.
Natuurlijk zullen er wel eens bijzondere beurten zijn, waarin voor allen die naar de kerk gaan onmogelijk een zitplaats kan worden beschikbaar gesteld. Dat zijn dan van die volle, extra beurten, dat velen „staan" moeten.
Maar als regel moet gelden, dat er in alle beurten voor allen die tot de gemeente behooren en kerkwaarts gaan, een zitplaats is; en een behoorlijke zitplaats, waar men den dominé, die de bedienaar des Woords is en het Evangelie verkondigt, zien en hooren en verstaan kan.
Bij buitengewone groei en bloei van de gemeente, wanneer als regel méér menschen ter kerk komen, dan er zitplaatsen zijn, moet, indien dat mogelijk is, het aantal zitplaatsen worden uitgebreid. Men zal dan de ruimte, die er is, meer moeten gaan benutten ; en als er geen ruimte meer is, zal men, zoo eenigszins mogelijk, de kerk moeten uitbouwen. Misschien kan de ruimte langer worden gemaakt, of wellicht kan er een zijvleugel worden aangebouwd, enz.
Wanneer dat toch niet zou helpen en het tekort aan zitplaatsen zóó niet is weg te nemen, dan moet men plannen maken tot stichting van een nieuwe kerk, zoodat er dan twee kerkgebouwen komen, waar er vroeger altijd maar één was.
Dat is natuurlijk een verblijdend iets, wanneer het in een gemeente daartoe komen mag, waarbij we denken aan gemeenten als Veenendaal, Rijssen, Huizen, enz. Gemakkelijk is het te verstaan, dat de twee kerkgebouwen — in de steden geldt het soms een derde, vierde, vijfde kerkgebouw (Arnhem, Charlois, Utrecht, Amsterdam, Feijenoord, Den Haag, Rotterdam, enz.) — niet al te dicht bij elkaar komen staan. Want dat is onpractisch en dikwijls héél lastig. Het beantwoordt niet aan het doel en het geeft dikwijls heel onaangename ervaringen. In dit verband denken we ook aan de steden, waar soms, krachtens vroegere toestanden, de kerkgebouwen in de oude stad vlak op elkaar staan (wat héél onpractisch en heel onaangenaam is), terwijl in de buitenwijken en „tuindorpen" (steden gelijk) geen enkel kerkgebouw staat. Hierin verandering te brengen is noodzakelijk, hoewel het niet zelden heel moeilijk is de juiste oplossing te vinden èn ten opzichte van de oude kerkgebouwen in het centrum èn ten opzichte van den nieuwbouw. De oude — dikwijls historische — gebouwen (we denken hier b. v. aan Delft, waar de Oude Kerk, een buitengewoon mooie kathedraal, zich vlak naast de Nieuwe Kerk, op de buitengewoon mooie Markt staande, bevindt) kan men toch zoo maar niet loslaten, hoewel het onderhoud schrikbarend duur is, en in de buitenwijken, waar kleine, gezellige kerkgebouwen nodig zijn, is men zoo maar niet klaar met kerk, pastorie, catechisatie-en vergaderzalen !
Hier is het van zoo groot belang, dat vroede, wijze, trouwe mannen, die de Kerk liefhebben, zich voortdurend beraden aangaande hetgeen nuttig, noodig (dikwijls brood-noodig) en mogelijk is.
Het groote, kolossale, waarbij men allen en alles op elkaar wil hopen — vinden wij niet het meest aantrekkelijke. Wij voelen veel meer voor een practische verdeeling van kerkruimte. In De Bildt zijn twee kerkgebouwen beter dan één. In Rijssen niet minder, enz. Waaraan natuurlijk dan verbonden is, dat er meer dan één dienst tegelijk is en dus ook meer dan één voorganger beschikbaar moet wezen — wat dus de kwestie van het aantal predikantsplaatsen, met alles wat daaraan verbonden is, aan de orde stelt. Want met kerkbouw alléén zijn we gewoonlijk niet klaar — of men moet gebouwen kunnen verplaatsen (al is 't niet in letterlijken zin), dan blijven de beurten in aantal gelijk.
Hoe moet nu de indeeling van de zitplaatsen geschieden ?
Daarover een volgend maal enkele opmerkingen.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's