FINANCIËN
't Valt me altijd weer opnieuw op, wanneer voor een of ander doel gecollecteerd is en de broeders storten de zakken uit, hoe dadelijk naar de groote stukken wordt gezocht en deze dadelijk worden apart gelegd. Eerst het papiergeld — zoo dit er n.l. is — en dan de rijksdaalders en de guldens. Ds kwartjes en dubbeltjes komen pas daarna aan de beurt. Wat er dan over is : het kopergeld. Weet ge wat het minst de aandacht trekt ? Dat zijn de halve centen. Er is zelfs een tijd geweest — en ik geloof dat deze nog niet geheel tot het verleden behoort —, dat men meende dat deze heelemaal hun bestaansrecht hadden verloren. Een halve cent beteekende niet met al. De regeering rekende er niet meer mee en in de groote zaken stond het er net zoo mee.
Het groote had alleen bestaansrecht. Het groote telde enkel mee. Zoo zag het de wereld onzer dagen.
Geheel hiermede in tegenspraak is wat Gods Woord ons vertelt omtrent de wegen des Allerhoogsten. Deze gaat hetgeen wij achten en waarvoor de mensch respect heeft, voorbij.
Wie denkt hier niet onmiddellijk aan den niet onbekenden dichtregel :
Die hoog zijn van gevoelen. Heeft Hij verstrooid, verward Met alles, wat het hart Dier trotschen mocht bedoelen. Die stout zijn op hun macht. Heeft Hij versmaad, veracht, Gestooten van de tronen. Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed, Waarin Zijn Geest wil wonen.
Of wilt ge het u zien voorgelegd in een eigen Schriftwoord : „Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft".
Met dezen maatstaf gemeten, zou de mogelijkheid bestaan dat een groot geldstuk, zelfs een bankbiljet van groote waarde, achtergesteld moet worden met het aller-kleinste wat onze munt ons aanbiedt: een halve cent.
Wat een liefde, wat een toegenegenheid schuilt dikwerf in een kleine gift. Om dit toe te lichten het volgende.
De vorige week maakte ik eene opmerking, dat het wel eens gebeuren kon dat onze geldmiddelen overschat werden. Voor menschen, die niet gewoon zijn met groote sommen te werken, voor wie honderd gulden een kapitaal vertegenwoordigt waaraan geen of nauwelijks grenzen zijn gesteld, zou het niet vreemd zijn, wanneer de gedachte eens rees : „Wat komen daar kapitalen binnen bij dien Penningmeester. Wat moet die man wel een rijke beurs krijgen op den duur. Elke week zooveel".
Hierin schuilt natuurlijk een element van waarheid. Daar komt ook veel binnen. De eene week iets minder, doch gewoonlijk bedraagt het nog heel wat. Maar nu komt. de werkelijkheid ook even het hoofd van achter de deur om een hoekje steken, zeggende : Och, menschen, ik weet niet hoe hij het redt. Hier zitten zooveel monden, grage monden, hier moet het geheel in zooveel stukjes worden verdeeld, dat er met veel stuurmanswijsheid moet worden gemanoeuvreerd, anders kwam hij er niet.
Beide is waar : er komt veel in, maar er gaat minstens zooveel uit ook.
Zoo werd dan ook verleden week de opmerking gemaakt, dat het inkomen van enkele legaten ons voor een al te groote inslinking had behoed. Wij waren en zijn daarmede dan ook niet weinig verblijd en daarvoor hoogst dankbaar. Deze sommen waren nog niet zoo heel klein, ook al zou de wereld zeggen, dat zij zoo groot nog niet waren.
Nu kreeg ik deze week een legaat, dat wel tot de kleinste zal worden gerekend, welke ooit worden uitbetaald, en waarmede ik toch even verblijd ben als met het allergrootste dat ik tot nu verkreeg.
Mag ik het u eens zeggen, hoe groot ?
Neen, ik zeg het nog niet.
Uit Vlissingen — hier bestaat een afdeeling van onzen Bond, waar men 's Maandagsavonds, zoo mogelijk, een van onze menschen ziet optreden — kreeg ik van een der vrienden een verzegeld pakje, stempel naast stempel, en zwaar als lood. Naar den vorm te oordeelen, kon het alles zijn : de waarde evenwel stond er op aangegeven.
Alzoo: verrassingen waren uitgesloten, 'k Liet de stempels verwijderen, de touwtjes werden losgemaakt, en wat zag ik : een heele doos met halve centen. 634 in zijn geheel.
Dat was het legaat.
Lichtelijk, dat de gedachte bij meer dan éen opklimt: dat is geen groot legaat.
Dat zit nog, zegt de volksmond.
Dat is nog volstrekt niet uitgemaakt. Aan het allerkleinste kan de grootste zegen zijn verbonden. Dit hangt alleen af van Gods gunst.
Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden — spreekt de Heere.
Hij kan uit het kleinste zaadje de grootste plant telen.
Heeft niet de meest forsche eik gesluimerd in een kleinen eikel ?
De Genadige in den hemel beschaamt 't hooge en het machtige en verleent Zijn bijstand aan wat Hem vreest.
'k Wil uit het begeleidend schrijven van een der vrienden, die me dit legaat toezond, iets u voorleggen :
„Enkele weken geleden stonden wij bij de geopende groeve van een uit onzen kleinen kring. Thans werd mij door een zijner kinderen namens moeder bijgaand pakje bezorgd, inhoudende 634 halve centen, door den overledene persoonlijk bespaard voor de fondsen. Hij kon niet sparen met groote geldstukken, maar dit werk, dat de volle liefde van zijn hart had, heeft hij op de hem mogelijke wijze gediend en willen dienen".
U zult begrijpen — zoo teekent deze vriend aan, die mij de zending deed geworden — waarom ik u, op de wijze zooals ik deed, deze erflating toezond. Zóó heeft hij het verzameld. Ik meende — zoo schrijft hij — dat de piëteit van mij eischte u deze stille getuigen te zenden. Mogen er zoo velen zijn, die het werk van onzen Bond, tot uitbreiding van Gods Koninkrijk, dienen. Zulk een werk zal nooit tevergeefsch zijn".
Aan deze woorden voeg ik niets toe. God Zelf bekrone dit werk met Zijn rijke genade.
De zender voegde er uit eigen potje — moeders hand deed het — van haar huishoudpenning ging het af — nog één gulden aan toe.
Alzoo bestond de eerste gift deze week uit ƒ 4.17
2. Ds. Van Willigen uit Rijssen zond me uit den collectezak voor het Studiefonds „ 1.—
3. Ds. Wesseldijk, toen nog predikant in Den Ham, zond mij de collecte toe, welke gehouden was op Zondag 15 Jan. 's Morgens ging hierbij voor ds. Van Asch, van Wierden, 's middags deed ds. Wesseldijk afscheid. De opbrengst was de prachtsom van „ 76.60
Dat wij ook met deze collecte verblijd zijn, laat zich begrijpen. Afscheid en intree zijn zulke kostelijke gelegenheden om voor onze fondsen te laten collecteeren. Onze arbeid beoogt toch immers niet anders dan het gebrek aan Gereformeerde predikers zoo klein mogelijk te maken.
4. Uit den collectezak van Ooltgensplaat kwam een gift van „ 5.—
Dat is een dankoffer.
Denkelijk weten we van de reden, waarover men verheugd was, iets af. Wij hebben ons in het slagen van het jonge mensch verblijd, 't Komt te zelden voor, om onopgemerkt te blijven.
5. De heer v. S. te G. had het overzicht van verleden week in De Waarheidsvriend gelezen en daarin gevoeld iets van de zorg, welke me beklemde, en daarom zond hij mij „ 10.—
Met onderschrift: „de Heere zorgt voor u". Dit mag ik ook gelooven. Doch naast dit verblijd ik me in uw blijken van mede-zorgen.
6. Uit Vianen werd me toegezonden de contributie „ 14.—
7. Mej. de J. stopte me een gulden in de hand, bij het uitgaan van de catechisatie „ 1.—
8. In de Oranjekerk werd gecollecteerd op 15 Januari „ 1.—
9. Ds. Pott te Kralingen zond me als gecollecteerd op 8 Jan. f 2.50 ; op 12 Jan. f 1.—. Samen „ 3.50
10. Door ds. Cuperus te Mastenbroek gecollecteerd op de Bijbellezing te 's-Heerenbroek. „ 5.77
11. Door ds. Van Dorp te 's-Hage : 1 gld. voor de beide fondsen van N. N.; 1 gld. voor den Geref. Bond ; 10 gld. voor het Studiefonds ; 10 gld. voor het Leerstoelfonds. Samen „ 22.—
12. De kerkeraad van Hei en Boeicop zond me de collecte, aldaar gehouden bij een spreekbeurt, waarbij voorging ds. Vroegindeweij, van Wilnis. Deze bedroeg de som van „ 20.—
Onzen vriendelijken dank aan beiden, aan gemeen.te en voorganger.
13. De heer D. te Lage Vuursche stelde mij een gulden ter hand met bestemming. Ik zal dezen overmaken. „ 1, —
14. Ds. Van Amstel zond me de collecte, gehouden te Groot-Ammers. Voorganger was ds. Kruishoop, van Bodegraven.
De opbrengst viel ook hier niet tegen. Wij zijn dankbaar en verblijd. „ 60.26 15. De heer E. Roest, penningm. van de afd. Kampen, zond me een heel rijtje giften, enz. :
Collecte bij spreekbeurt. Voorganger Ds. Bout, Genemuiden f 19.60. Nagift f 1.—. Collecte bij spreekbeurt ds. Steenbeek, Oudewater, f 35.—. Voor de Bondskas f5.—. Busje Zondagsschool op G.G. f 15.50. Gift door ds. Hielkema f2.—. Busje no. 125 f20.30. Contributie Afdeeling f 45.—. Samen „ 143.40
16. Door ds. De Geus te De Bilt werd in zijn brievenbus gevonden voor de beide fondsen van N.N., bewogen door het laatste schrijven van ds. Goslinga in de Financiën, „ 10.—
Ik dank den gever zeer vriendelijk.
17. Van den heer B. te P. de contributie fl.— + f 0.50 toeslag „ 1.50 en van ds. B. te B. „ 1.—
18. Door ds. Van Hof te Delfshaven van N.N. voor het Studiefonds „ 5.— Deze week bedroeg het totaal de niet onbelangrijke som van
ƒ 386.20.
Wij houden ons aanbevolen en bevelen u in alles Gode.
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's