KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE ZITPLAATSEN IN DE KERK. (2)
Er moet voldoende ruimte zijn voor de leden der gemeente, om naar behooren een zitplaats te kunnen verkrijgen in de kerk. Bij uitbreiding van de gemeente — b.v. in de groote stad, in fabriekscentra, in de mijnstreek enz. — kan dat groote moeilijkheden geven. Maar ja, we moeten nooit denken dat onze Vaderen hebben gewerkt, geofferd en gebeden, opdat wij met de handen in den schoot zouden kunnen zitten, ledere tijd heeft z'n eigen aard en karakter ; en iedere tijd brengt weer ander werk. Daarom mogen we ook nooit, zonder meer, zeggen : „'t Is altijd zóó geweest, 't moet altijd maar zóó blijven". Want zeker en gewis zal een Christen eerbied moeten hebben voor hetgeen vroeger gedaan is en eertijds is verzorgd ; voor traditie en gewoonte moeten we niet onverschillig zijn, maar dat moet niet worden een eigenzinnig en dom zweren bij hetgeen vroeger was. ledere tijd heeft z'n eigen eisch, z'n eigen taak.
Wanneer een gemeente uitbreidt, zéér sterk soms uitgroeit of zich heel eigenaardig gaat verplaatsen (b.v. van de „oude" stad naar de „tuindorpen") dan kan men niet blijven neerzitten bij de oude toestanden. Als twee, drie kerkgebouwen als op één kluitje bij elkaar staan, opgehoopt in de „oude" stad, terwijl de „nieuwe" stad, met haar uitgebreide, nieuwe, volkrijke wijken, waar dikwijls de gezinnen met kinderen wonen, niets hebben, Is dat een misstand, die zeker zoo spoedig mogelijk uit den weg geruimd moet worden. Dan moet er een nieuw kerkgebouw komen, met catechisatielokaal, vergaderruimte, enz. Liefst moet er ook aanstonds een School met den Bijbel naast komen staan. Zóó kan de gemeente 't best worden opgebouwd naar den eisch van Gods Woord.
Ook in dezen crisistijd mogen we de verzorging van de geestelijke-en kerkelijke belangen der gemeente niet uit het oog verliezen, en in plaats dat men zegt: „daér is 't nu geen tijd voor", zegge men : „daar moeten we, zoo mogelijk, eerst voor zorgen !" Omdat de geestelijke dingen altijd de voornaamste zijn en in deze dagen van zoo grooten nood, waarbij het gevaar van geheel in de stoffelijke dingen ónder te gaan, zéér zéker met inspanning van alle krachten door de Kerk moet worden betracht. Oók omdat we in een nieuwe toekomst gelooven. Want na deze moeilijke jaren komen er straks weer andere tijden en daarom mogen we nu maar niet doen alsof we nu aan 't eind der dingen gekomen zijn. Het behoort mee tot de roeping van den Christen, tot de taak van de Kerk, om acht te geven op de teekenen der tijden en den nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken te doen. De lendenen omgord, de kaarsen brandende ! En in tijden van duisternissen mogen en moeten degenen, die den Heere vreezen en op de stem Zijns knechts willen acht geven, op den Naam des Heeren berouwen ! Hij laat niet varen de werken zijner handen. En toeft Hij soms, dan klinkt het woord van den profeet: „verbeidt Hem, want Hij zal gewisselijk komen !"
Wij gelooven niet, dat het de taak van de Kerk van Christus is er dure, monumentale, onpractische, peper-dure gebouwen op na te houden, maar de Kerk moet er wél voor zorgen, dat heel de gemeente gelegenheid krijgt om op te kunnen gaan naar Gods huis, zoowel zij die in 't Oosten van de stad als in 't Westen wonen, enz. Het ééne, centrale en massale is hier niet het gewenschte. Veeleer hebben we behoefte aan uitbouw en decentralisatie. Beter drie of meer „diensten" in de verschillende deelen der gemeente in mooie, practische kerken in verschillende deelen van de stad, dan één „dienst" in een groote kathedraal. waar men b.v. 's winters (het sneeuwt nu !) niet zitten kan van de kou. Alle philosopheeren over het thema : „vroeger heeft men het toch óók gedaan", baat niet; 't is verspillen van tijd. Laten we dankbaar zijn voor hetgeen men vroeger heeft gedaan, maar laten wij nu ons ernstig beraden, wat wij in onzen tegenwoordigen tijd noodig hebben en laten we de kansen, die God ons geeft, niet ongebruikt laten voorbijgaan !
Maar.... hoe moet nu in elk kerkgebouw gezorgd worden voor de zitplaatsen ?
Natuurlijk zijn ook hier bestaande toestanden, die wij zooveel mogelijk moeten eerbiedigen.
We moeten nooit ruw en revolutionair optreden. Kalm overleg is een belangrijk ding ; vooral op het terrein van de Kerk. Maar afgezien nu van bizondere toestanden, moet zooveel mogelijk bevorderd worden dat in een kerkgebouw plaats is voor degenen, die bij die Kerk behooren en die kerk bezoeken. De plaatsen moeten niet in eigendom toebehooren aan menschen, die niet tot die Kerk behooren en niet die kerk bezoeken (waarbij dan soms verboden wordt, dat anderen die plaatsen innemen, zoodat ze Zondag op Zondag ledig blijven en niemand er feitelijk wat aan heeft). De Kerk moet het recht houden om zelf over de plaatsen te mogen beschikken, als de „eigenaars" ze niet gebruiken enz.
Moeten de plaatsen „verhuurd" of „verkocht" worden en mag dat eventueel in het kerkgebouw geschieden ?
Dat er een regeling getroffen wordt ten opzichte van de zitplaatsen in de kerk, is gewenscht en alleszins noodig. Men moet 's Zondags maar niet allen door elkaar loopen in Gods huis, terwijl ieder maar kan neervallen waar hij wil. Dat is geen gewenschte en geheiligde vrijheid, maar wanorde, die ontsticht. Men zou dan nooit weten waar men in Gods huis zitten kan en wanneer men met z'n drieën of vieren komt, zou de een willekeurig hier en de ander willekeurig daar een plaats krijgen.
In Gods huis moet orde heerschen en de dingen moeten stichten en niet ontstichten.
Daarom moet er een regeling getroffen worden, dat de plaatsen ordelijk worden verdeeld, waarvoor betaald moet worden. Want de kerk, de stoelen, de banken, enz., kosten geld, en daarom moet er ook voor betaald worden,
't Liefst zouden wij willen, dat er een regeling getroffen werd, dat de gezinnen bij elkaar kunnen zitten : vader, moeder en kinderen.
Natuurlijk zijn ook hier allerlei moeilijkheden, maar de moeilijkheden zijn er om ze zoo goed mogelijk op te lossen, zodat onze gezinnen weer bij elkaar komen te zitten in Gods huis, om saam te luisteren naar de prediking, saam te zingen en te bidden, dat zou heerlijk zijn.
Want in den weg des verbonds bouwt de Heere Zijn Kerk en vergadert de Heere Zijn volk. Wat heel iets anders is, dan dat men „bezoeker" van een gebouw, of „toehoorder" bij een lezing, of „lid" van een vereeniging zou zijn. Men is ook maar niet „huurder" van een plaats in een gebouw. Neen, de Gemeente des Heeren komt saam in Gods huis, en dan gaan we met onze gezinnen op naar de voorhoven des Heeren, om daar met en naast elkaar neer te zitten.
Dat men in het kerkgebouw, ter plaatse waar men samenkomt, dus de zitplaatsen in oogenschouw neemt en dat de Kerkvoogden daar de gemeenteleden ontmoeten, om daar over de zitplaatsen te spreken, allerlei aanwijzingen te doen en allerlei regelingen te treffen, achten wij volstrekt niet uit den booze, integendeel, , dat zal wel noodzakelijk zijn. Dat daar voorwaarden gesteld worden en orde op de zaken gesteld, kan niet anders dan goed zijn. Maar men moet niet een verkooplokaal van de kerk maken, om tegen elkaar te laten opbieden ; nog minder moet men in de dorpsherberg (wij fantaseeren niet) „verkooping van zitplaatsen" houden.
Omdat de kerk onderhouden moet worden, hebben wij er volstrekt geen bezwaar tegen, dat er voor de zitplaatsen betaald moet worden. In een goede huishouding moet orde op de zaken worden gesteld. Nu ons .kerkelijk leven vastere vormen heeft aangenomen, kunnen én mogen bepaalde, verstandige regelingen niet achterblijven. En daarbij behoort, dat niet ieder op dezelfde plaats kan zitten. Maar daarbij behoort óok, dat voor degenen, die werkelijk niets betalen kunnen, óók een zitplaats beschikbaar is. Terwijl ook gedacht moet worden aan degenen, die gebrekkig zijn wat het gehoor betreft. Hiervoor moeten schikkingen gemaakt worden, dat ze niet al te zeer achteraf komen te zitten en, waar noodig, zal men voor een kerktelefoon moeten zorgen. Gelijk ook veel meer voor de zieken kan worden gedaan, die niet kunnen neerzitten in het kerkgebouw en toch zoo gaarne willen mee vergaderen met de gemeente, op de tijden, dat zij in Gods huis onder de bediening des Woords en der Sacramenten samenkomt.
Iemand, die ons verzocht over de kwestie van de zitplaatsen in de kerk (nog weer eens) te schrijven, is oorzaak van het opstellen van deze twee artikelen over dit onderwerp. Waarbij het bericht uit Dirksland, ook in „De Waarheidsvriend" opgenomen, mee oorzaak werd, om enkele gedachten in betrekking tot dit onderwerp neer te schrijven. Wat Dirksland gedaan heeft, klonk ons zéér aangenaam in de ooren ; dat lijkt ons, wanneer we het goed begrepen hebben, zéér sympathiek en navolgenswaardig,
HULDE EN HULDE IS TWEE.
Twee berichten in de Pers troffen ons, In Rotterdam is een roekelooze dwaas van een 65 Meter hoogen heftoren op de Maasbrug in de rivier gesprongen, en er levend afgekomen. Toen is een huldiging in de bioscoop gevolgd, met bloemen en lofprijzingen. Daarop heeft de jonge man, naar ons werd meegedeeld, een mooie betrekking gekregen bij de K.L.M. (Koninklijke Luchtvaart Maatschappij),
Het indirecte gevolg is geweest, dat Zaterdagavond een andere jonge man, óók snakkend naar roem (en misschien naar een betrekking) het onzinnige waagstuk heeft herhaald, nog een paar Meter hooger klimmend in den heftoren, doch met het noodlottig gevolg, dat hij te pletter viel en verdronk — terwijl z'n vader in 't ziekenhuis ligt en nu z'n moeder van haar zoon beroofd is.
Het gevolg daarvan was weer, dat een andere dwaas in den hoogen toren klom en zei: ik zal het hem verbeteren, want hij heeft een fout gemaakt in z'n sprong, en ik zal het record slaan. De politie, die er iets van gehoord had, wilde hem op 't laatste oogenblik verhinderen z'n roekelooze daad uit te voeren, maar werd op de gevaarlijke standplaats zóó bedreigd, dat zij zoo verstandig was heen te gaan en den dwaas aan zichzelf over te laten. Gelukkig, dat hij zich blijkbaar op 't laatste oogenblik heeft bedacht en van den roekeloozen sprong heeft afgezien,
In welken tijd leven we toch ? En dan die ellendige „helden-vereering" op het sportveld, in den schouwburg, in de bioscoop. Is de wereld nu heelemaal krankzinnig geworden ? En is er aan dat dwaas, onzinnig gedoe nu geen paal en perk te stellen ? Kan de Pers niet tegen deze gruwelijke dingen te velde trekken en kan er in onze samenleving niet tot bezinning worden geroepen ? Kan ook de Overheid hier niet te hulp komen ?
Ellendige huldiging van roekelooze dwazen.........
Naast die huldiging lazen we iets geheel anders. Uit Indië, En daarvan willen we hier ook melding maken. Want dat heeft ons hart verkwikt!
Dr. D. Bakker, een bekende „held" van het Zendingsterrein, is gestorven hier in Holland, Om gezondheidsredenen was hij op hoogen leeftijd naar 't Vaderland teruggekeerd en met Kerstfeest is hij ingegaan In te zoeken en zalig te maken.
Dr. D. Bakker is te Djokjakarta toen „gehuldigd" in het midden van een Javaansche Christengemeente. Een Javaansche ouderling en een Javaansche dominé hebben bij die gelegenheid gesproken, om de nagedachtenis van „den vader van de Christen-Javanen" te eeren.
Een vertaling van een deel van het gesprokene vonden we in „De Standaard" en laten we hier volgen.
De ouderling van de Javaansche gemeente sprak :
„Vrienden, hoort aan de woorden Gods in Matth. 25 : 34b : „Komt gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld".
Onder ons is welhaast niemand, die niet nauw verbonden was met den ouden ds. Bakker,
De oude ds. Bakker kwam naar Java in opdracht van zijn Zender om de boodschap des heils te brengen aan het Javaansche volk.
Zijn woord stilde de gemoederen, deed 't licht doorbreken voor hen, die geen uitkomst zagen. Terecht werd hij de vader van de Christen-Javanen genoemd.
Vrienden, hoe past het ons Gode te danken, die ons zulk een verdienstelijk dienstknecht zond. Het verblijf van ds. Bakker op Java was tot grooten zegen, maar de Heere heeft zelf daaraan een einde gemaakt.
Toen ik op 11 November 1928 ds. Bakker op zijn verjaardag gelukwenschte, sprak hij deze woorden : „Dit is de laatste verjaardag, dien ik op Java zal vieren". Deze woorden hebben mij zeer bedroefd, omdat ik niet vermoedde dat ds. Bakker, die oogenschijnlijk zoo gezond was, toch aan een ziekte leed, die hem noodzaakte heen te gaan en niet meer naar Java terug te keeren.
Vrienden, hoe was mijn hart bedroefd, toen ik het bericht hoorde. Onze geliefde ds. Bakker dood.
22 December was voor ons een dag van groote smart, voor ds. Bakker van groote heerlijkheid. Heel de Christenheid is deze week in feeststemming, omdat de Zaligmaker geboren is. Onze schoolkinderen vierden blijde Kerstfeest en temidden van deze vreugde mocht ds. Bakker verschijnen voor den troon van den Heere Jezus in den hemel. Hij mocht den prijs der heerlijkheid ontvangen voor den troon van God.
Wanneer wij denken, mijne vrienden, aan de trouw van God en weten, dat ds. Bakker in den hemel is, wel, weg is onze droefheid.
Moge dit sterven onze harten hemelwaarts trekken. Moge het ons allen gegeven worden eens hem te volgen door de hemelpoort.
Vervolgens het woord richtend tot de familie, sprak hij aldus :
Waarde ds. Bakker, waarde dr. Bakker en familie, ik sta hier als vertegenwoordiger van de Javaansche gemeente, ja, ik mag wel zeggen als vertegenwoordiger van alle Javaansche Christenen,
Wij steunen op het woord Gods, uw vader is niet gestorven, hij leeft in alle eeuwigheid. Moge Hij ook u leiden en eenmaal met uw vader hierboven hereenigen".
Ds, Soepater, predikant van de Javaansche gemeente, sprak o.a. aldus :
„Waarde familie Bakker. Namens de oudleerlingen van uw overleden vader, mag ik een enkel woord spreken. Ik kan zeggen, dat ik tot verzadigens toe genoten heb van het onderricht van uw vader.
Behalve mijn leermeester, was hij ook mijn vader, die mij niet alleen onderwees, maar ook opvoedde, leiding gaf door zijn liefdevol en geloovig hart en zijn strenge tucht.
Zijn tucht bestond niet in harde woorden ; het strengste woord dat hij gebruikte was : „Hoe heb ik het nu met je ? ", en dan waren wij, zijn leerlingen, reeds diep beschaamd.
Al de goeroes Indjil op Midden-Java ten Zuiden, kunnen als 't ware de kinderen van ds. Bakker genoemd worden.
Hij was een dienstknecht Gods, een zaaier, die het zaad van Gods Woord in de harten zijner leerlingen zaaide, en hoeveel vrucht heeft dat zaad reeds gedragen ! Door middel van zijn leerlingen heeft hij wijd en zijd het Evangelie verkondigd aan het Javaansche volk. Onze vader is nu door den Heer des hemels. Dien hij met zoo groote trouw diende, opgeroepen als 't ware met de woorden : „Wèl, gij goede en getrouwe dienstknecht, ga in in de vreugde uws Heeren". Hij gaf zijn leven en krachten aan het heil van het Javaansche volk, tot de Heere Zelf hem de kracht ontnam".
Is dat geen ontroerende „hulde" van een „held", grooter dan andere „helden" ? En wat was de kracht van dezen held, die groote en krachtige daden heeft verricht in zijn leven en nu voortleeft in eeuwige heerlijkheid ?
De zoon van den overledene, dr. F, L. Bakker, docent aan de Opleidingsschool te Djokjakarta, heeft er ons iets van verteld. Want hij sprak aldus bij de „huldiging" van zijn vader :
„Toen ik ruim een jaar geleden afscheid nam van mijn vader in Holland — zoo sprak hij — verzocht hij mij Romeinen 8 te lezen.
Mijn vader was zondaar voor God. Hij was niet beter dan gij of ik, maar hij leefde van genade, en daarom waren die laatste verzen van Rom. 8, „niets zal ons scheiden van de liefde Gods", de grootste heerlykheid voor zijn hart. Zijn laatste vermaning was : mijn zoon, doe nooit iets om jezelf, of om menschen, doe alles, ook het kleine, met God,
Dat was het geheim van het leven van vader. Hij deed alles als voor het aangezicht van God, Dat maakte zijn leven, en zal ook ons leven vruchtbaar en rijk maken".
O, dat de Heere hier en in Indië en overal meer van déze „helden" geven mocht. Wat zou het tot zegen van de wereld kunnen zijn !
De dwaze mensch bekeere zich tot den Heere en leve !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's