BRIEVEN TOT GEESTELIJKEN OPBOUW
DE KINDEREN GODS IN DUISTERNIS.
Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat Gods kinderen de zoete gemeenschap en de troostende nabijheid des Heeren in meerdere of mindere mate moeten missen !
De oorzaken zijn dikwijls vele en zeer onderscheiden van aard.
De eerste oorzaak is wel, dat het God, Die alle dingen werkt naar Zijn raad en welbehagen, niet belieft, om Zijn gemeenschap altijd zoo overvloedig aan Zijn kinderen te laten genieten. Want het is Zijn werk, om Zich weg te schenken aan de Zijnen, Ex. 33 ; Joh. 15 vers 22. En niemand kan nemen, wat hem niet geschonken wordt van den hemel.
Niet altijd kunnen de geloovigen de middelen Gods zoo gebruiken en betrachten als wel noodig is. Ze moeten dan leven in het land der ballingschap. Opdat ze het gemis des te dieper zullen gevoelen en het verlangen naar Gods huis en de lieflijkheid van Zijn dienst bij vernieuwing zal worden opgewekt, zooals het leven van David wel bewijst. De ziele gaat dan weer smachtend uitzien naar de voorhoven des Heeren, Psalm 84.
Ook hebben zij niet altijd de geestelijke krachten om de genademiddelen genoegzaam te betrachten ; en de Heere laat hun dan de doodigheid der ziele met smart* ervaren, waarover de Kerk klaagt bij Jesaja (63). De Heere worstelt dan wel met hen, opdat zij des te meer zullen leeren vragen om Zijn zegen, zooals de geschiedenis van Jacob (Gen. 32) en van de Kananeesche vrouw (Matth. 15) bewijst. Hij wil hen loslaten, opdat zij des te meer Hem zullen vasthouden en aanhangen, zeggende : ik laat U niet los, tenzij dat Gij mij gezegend hebt.
Wondere, diepe, donkere wegen kan de Heere met Zijn kinderen bewandelen, en zij kunnen vele droeve dingen in groote duisternissen moeten doormaken. Hooren we Job niet zeggen : „de verschrikkingen Gods keeren zich tegen mij" (6 vers 4 ; 30 vers 17), „des nachts doorboort Hij mijn beenderen" ? En Heman zegt: Uwe verschrikkingen doen mij vergaan" (Ps. 88 : 17). Hij spreekt dan van Gods toorn, van de hittige toornigheden, die over hem gaan (vers 15) en angstig vraagt en klaagt hij : „Heere, waarom verstoot Gij mijne ziel en verbergt Uw aanschijn voor mij ? " „Heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn toegesloten ? " (Psalm 77 vers 10). Job vraagt: Waarom verbergt Gij Uw aangezicht en houdt mij voor uwen vijand ? " (13 vers 24)
Dan is het om kleinmoedig en nedergeslagen te worden. Want is 't dikwijls niet, alsof er geen of weinig vrucht van de gebeden voortkomt, zoodat de ziel met de Bruid uit het Hooglied moet klagen : „ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet" (5 vers 6). En met David : „De Heere is verre van mijne verlossing, van de woorden mijns brullens; mijn God, ik roep des daags, maar Gij antwoordt mij niet, en des nachts heb ik geen rust". (Psalm 22 vers 2, 3). Dan is het: „Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd in duisternis en diepte" (Psalm 88 vers 7).
Ja, dat is wel om kleinmoedig te worden, te midden van de vele bezoekingen. Dan klaagt David : „Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zoodat ik vergeten heb mijn brood te eten, ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen" (Psalm 102 vers 5, 7). En Job roept uit: „over mijne paden heeft Hij de duisternis gelegd, ik ben mijzelven tot een last" (19 vers 8 ; 7 vers 20). Zij worden dan zóó moedeloos, dat zij zeggen : „mijn ziel weigert getroost te worden" (Psalm 77) en met Jeremia roepen zij uit: „Wee mij, mijne moeder, dat gij my gebaard hebt" (15 vers 10).
Evenwel : de Heere regeert, en Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Wat Hij begonnen is, voleindt Hij. Hij heeft Zijn kinderen lief met een eeuwige en onberouwelyke liefde, waarbij de oorzaak niet in den mensch ligt, maar in Hem Zelf, Die van geen verandering weet noch schaduw van omkeering heeft.
Dat dan degenen, die in duisternissen zitten, den Heere vreezen en op Zijn stem acht geven en betrouwen op Zijnen Naam. die Ontfermer is !
Er zijn echter ook oorzaken, waarop de mensch wel heel ernstig acht geven mag ! Want dat zij in verlatenheid, eenzaamheid en duisternis verkeeren moeten, ligt niet zelden in dingen, die den geloovige zelf zijn toe te rekenen.
Het is dikwijls door hun zonden, of dat zij het goede nalaten, of dat zij het kwade doen. Want de zonden maken scheiding tusschen den mensch en God (Jesaja 59 vers 1) en verduisteren de gemeenschap met God en nemen de lieflijke tegenwoordigheid Gods weg. De Geest Gods werd dan bedroefd (Efeze 4 vers 30) en uitgebluscht (1 Thess. 5) en wordt hen daardoor tot een vijand en strijdt tegen hen (Jes. 63), gelijk we dat zien in David (Psalm 32, 38, 51) en in Petrus (Matth. 16 vers 22, 23).
Daardoor leert God Zijn kinderen dan des te beter kennen, hoe heilig en hoe rechtvaardig Hij is ! en hoe nauw Hij 't neemt met hun zonden, hoezeer Hij acht geeft op hunne ongerechtigheden. Dan laat de Heere Zijn kinderen bitterheid drinken en tranenbrood eten, opdat zij daardoor zullen leeren weder te keeren tot Hem. Om met Hiskia te leeren bekennen : „ik zal nu al zoetkens voorttreden alle mijne jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel". (Jes. 38 vers 15). Dan wordt er uit verlies winst geboren !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's