De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Aanstonds heeft de Jonker opgemerkt, dat de koperen koffiekan van straks om zijnentwil verwisseld is met een dito van gedreven zilver, terwijl de traditioneele koektrommel naast het theeblad niet ontbreekt.
„Heel graag, vrouw Brandsma", zegt hij, tot niet geringe voldoening, zoowel van den boer als van de boerin.
Daarop loopt het gesprek over alles en nog wat.
Tal van dingen, die het gewone leven raken of verband houden met huiselijke aangelegenheden, zijn de onderwerpen bij het gezellig gekout. Vrouw Brandsma wil wel gaarne iets naders weten aangaande de huishouding van den Jonker, en is één en al verbazing als zij hoort, hoeveel kamers er wel niet in het Slot zijn. Alleen vindt zij het maar jammer, zooals zij zegt, dat in zulk een mooi kooitje geen vogeltje gevonden wordt, en oordeelt, dat de Jonker een vrouw moet zoeken, omdat zijn leven dan veel meer waarde krijgt; waarop Brandsma ondeugend volgen laat, dat dit nog de groote vraag zal zijn, omdat mijnheer nu alléén baas is, en dan de helft van zijn vrijheid zou kwijt raken.
Als eindelijk de tijd van heengaan daar is, neemt de Jonker met een warmen handdruk afscheid, onder dankzegging voor de „lekkere koffie", en nadat hij Brandsma heeft uitgenoodigd hem een tegenbezoek te brengen ter bezichtiging van zijn stallen.
Terwijl de boer hem tot het hek uitgeleide doet, gaat zijn vrouw naar de opkamer om daar een en ander recht te zetten, in de hoop dan tevens de verklaring van haar man te krijgen, waardoor zijn gedrag haar duidelijk wordt. Aanstonds valt haar oog op de verscheurde kaart. Zij begrijpt, dat het een daad van belang voor haar man geweest is, daartoe over te gaan. Met een vraag in haar oog ziet zij den boer aan. als ook hij binnenkomt. Glimlachend gaat hij naar de tafel en frommelt de papiersnippers tot een bal ineen.
„Moet dat zoo? " vraagt zij.
„Ja, dat moet zoo", is zijn antwoord, „dat ding heeft mij al zooveel narigheid bezorgd, doch de oorzaak zit bij mij. Ik heb van morgen een les gehad als in geen jaren, maar mag nu zeggen : „mijne ziel is ontkomen als een vogel aan den strik des vogelvangers, de strik is verbroken, en ik ben vrij".
Daarop vertelt hij zijn vrouw in 't kort het gesprek, dat hij met den Jonker ge­ houden heeft. Met belangstelling luistert zij naar alles, wat voor haar huis van zulk een groot belang is, doch ook niet minder als zij hoort, welke ernstige gedachten door 't hoofd en hart gaan van den man, die tot hiertoe buiten allen godsdienst scheen te leven.
„Gods macht is groot", zoo besluit zij het verhaal van haar man ; „wat Zijne liefde wil bewerken, ontzegt Hem zijn vermogen niet".
Intusschen heeft Jap fluks het vuur voor den pot aangestookt, en tevens deze gelegenheid aangegrepen om Anneke even te vertellen hoe zij geschrokken was, toen de Jonker daar plotseling voor haar stond. Als zij geweten had, dat hij zoo dicht bij was, zou zij ook dat versje niet gezongen hebben van : „ik tink oan dy". 't Was één keer en nooit weer. Zij zou voortaan beter uit haar oogen zien.
Als ruim een uur later al het volk aan tafel komt om het middagmaal te gebruiken, valt het een ieder op, hoe vergenoegd de boer er uitziet. Hij is veel spraakzamer dan gewoonlijk, terwijl de sombere blik, die aan zijn gelaat een zekere hardheid gaf, geheel verdwenen is. In geen tijden heeft men hem zoo gezien, en zijn opgewekte stemming werkt onwillekeurig aanstekelijk op de anderen.
Als de handen gevouwen worden voor het gebed, spreekt vooral de danktoon voor ontvangen zegeningen uit de bede, die opklimt uit het hart.
Straks, als de maaltijd is afgeloopen, zegt de groote knecht in het voorbijgaan tegen Jap :
„Wat er gebeurd is, weet ik niet, maar ik geloof, wij krijgen onzen ouden boer terug".
En zoo was het.

HOOFDSTUK XI.
Zondagmorgen.
Stille Sabbathsvrede ligt over Kleiterp uitgespreid. Geen wagengerammel; geen werkvolk, dat uitgaat tot den arbeid ; geen witgekielde slagers-of bakkersknecht, die zijn klanten bedient. Voor de winkels zijn de gordijnen neergelaten, ten teeken, dat men vandaag „gesloten" is. Slechts een enkel melkmeisje gaat inderhaast rond om haar emmer van den inhoud te ontlasten, terwijl de postbode, eveneens met meerderen spoed dan gewoon, de morgenbestelling uitvoert, en hier en daar een kindergroepje, in hun Zondagsche kleeren, elkander het laatst verkregen nieuwe schortje of hoedje of das laat zien, of de mooi geverfde klompen, die van morgen voor 't eerst werden aangetrokken, omdat zulks warmer voeten geeft en ook zoo duur niet is als schoenen. Voor het overige zwijgende rust, omdat het de dag des Heeren is, waarop de Kleiterpers, een enkele uitgezonderd, hun gewone dagtaak laten rusten, om straks óp te gaan naar het bedehuis.
Te acht uur luidt de kerkklok, ten teeken, dat er vanmorgen dienst is, hetgeen te kwart voor negen nog eens wordt herhaald als laatste noodiging aan de gemeente zich naar 's Heeren Huis te begeven.
Op de „Eendenkooi" heeft dien zelfden morgen iets ongewoons plaats. Evenals voorheen, toen de rust in het dorp nog niet verstoord was door die spoorwegplanner, heeft boer Brandsma zijn Zondagsche pak aangetrokken en den knecht opgedragen tegen half negen het rijtuig in te spannen maar tevens gezegd, dat hij zélf rijden wilde En toen is hij met zijn vrouw en kinderen kerkwaarts gereden.
De herbergier uit de „Vergulde Hoorn keek den boer met vreemde oogen aan, toe: hij toetrad om bij 't uitspannen te helpen. Hij is in den laatsten tijd gewoon geweest dat vrouw Brandsma met een van het personeel rijdt, en weet niet hoe hij 't heeft als de boer zelf uitstapt. Er moet bepaald iets belangrijks gebeurd zijn, dat  Brandsma het hoofd in den schoot heeft gelegd. Zooiets gebeurt niet tweemaal in een jaar.
Niet minder verwonderd zijn vele kerkgangers, als de bekende plaats, die zóóvele weken ledig bleef, weer door den boer wordt ingenomen. Sommigen hunner kunnen niet nalaten den buurman op het geval opmerkzaam te maken; een enkele, die Brandsma om een of andere oorzaak nabestaande is werpt hem een vriendelijk knikje toe.
(Wordt vervolgd

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's