De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ALLERLEI

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ALLERLEI

6 minuten leestijd

De legende van „De Vierde Wijze" :
„Er was ontroering onder de Magiërs van het Oosten. De Ster was verschenen, die zou opgaan uit Jacob, en de Een, die uit Israël heerschen zou, moest dus geboren zijn. Reeds hadden Casper, Melchior en Balthazar de reis naar Jeruzalem aanvaard, toen ook Artaban gereed was om den Koning der Joden te gaan begroeten. Alles wat hij bezat had hij te gelde gemaakt en voor de opbrengst zijner bezittingen drie edelgesteenten gekocht : een saffier, een robijn en een parel. Die zou hij medenemen om ze aan te bieden den Koning, dien hij hulde ging bewijzen. Met spoed reisde Artaban zijn voorgangers na, hopende hen in te halen en het moeilijkste en gevaarlijkste deel van den tocht, de woestijnreis, in hun gezelschap af te leggen. Nog slechts weinige mijlen had hij echter gereisd, toen hij aan den eenzamen weg een ongelukkige aantrof, een Jood, die aan zware koortsen ten prooi, den dood nabij scheen. Met ontferming bewogen, kon Artaban den hulpelooze niet aan zijn lot overlaten ; hij steeg van zijn rijdier en deed wat in zijn vermogen was om de levensgeesten op te wekken en den man in 't leven te behouden. En hij slaagde boven verwachting. Maar eenige uren waren er mee verloren gegaan, zoodat toen Artaban de plaats bereikte, waar hij de drie andere Wijzen hoopte te vinden, hij tot zijn schrik ontwaarde, dat ze hun tenten reeds hadden opgebroken en verder waren gereisd. Er schoot hem nu niets anders over dan naar Babel terug te keeren en voor één der edelgesteenten, den saffier, kameelen aan te schaffen. Nu weer op weg, en met spoed de reis vervolgd ! Helaas, toen hij te Bethlehem kwam en den geboren Koning der Joden zijn robijn en parel wilde brengen, waren Jozef en Maria reeds met het Kindeke naar Egypte getogen.
Was het toeval, dat hij daags na zijn aankomst getuige moest zijn van den wreeden kindermoord ? Staande op den drempel van een huis, waar een jonge moeder haar kind vol angst verborgen hield, wist Artaban, door zijn robijn aan den aanvoerder der moordenaars te schenken, dezen te bewegen het huis te sparen. Door den glans van den kostbaren steen verlokt, beval hij zijn manschappen het huis voorbij te gaan, wijl zich daarbinnen toch geen kind bevond.
Artaban reisde vervolgens naar Egypte, in de hoop den Koning ten minste zijn parel te kunnen aanbieden. Tevergeefs ! Ook daar vond hij Hem niet.
Maar nóg gaf hij den moed niet verloren. In Hebreeuwsche geschriften had hij gelezen, dat de Koning op de een of andere wijze in gevangenschap zou geraken en nu sleet hij zijn dagen met het bezoeken van de gevangenen, onder wie hij wel geen vond, die hij meende te kunnen aanbidden, maar wel velen, die hij vertroosten en bemoedigen kon.
Zoo verliepen 33 jaren, en gebukt onder den last der jaren, vermoeid van 't zwerven, kwam Artaban naar Jeruzalem, bereid om daar te sterven. Intusschen leefde in hem nog steeds de hoop den beloofden Koning te zien. 't Was daags vóór het Paaschfeest der Joden, toen hij door de Noordpoort de stad binnenkwam, waar een menigte volks hem tegemoet stroomde. Meegevoerd door de scharen, hoorde hij zeggen, dat heden werd gekruisigd een, die 't volk beroerde en zich uitgaf voor den Koning der Joden. Was het mogelijk, dat de „beloofde" Koning aan 't kruis zou sterven ? Of waren het de wegen des Almachtigen, die hem juist nu naar - de heuvelstad hadden gevoerd, opdat hij Hem zou kunnen vrijkoopen met den parel, dien hij bezat ?
Met langzame schreden, als onwillig, volgde hij de menigte. Eensklaps werd zijn aandacht getrokken door een troep soldaten, dienaren van Koning Herodes, die met ruw geweld een jong meisje voortsleurden. Haar kleeren waren gescheurd, de haren hingen haar los over de schouders. De oude Artaban stond stil en toen hij vol medelijden zijn blik op het slachtoffer der woestelingen rusten liet, strekte het meisje de hand naar hem uit, greep den zoom van zijn lang gewaad en smeekte hem om haar te helpen. „Ik ben" — zoo riep zij — „óók een dochter van Babel. Mijn vader was koopman, maar is gestorven en daar hij schulden had, ben ik gegrepen om als slavin te worden verkocht : O, red mij van een lot, dat erger is dan de dood".
Een diep medelijden maakte zich van den eerbiedwaardigen grijsaard meester. Zonder zich te bedenken haalde hij zijn laatsten schat, den parel, te voorschijn en reikte dien het meisje toe met de woorden : „Ziehier het overschot van mijn schatten, die ik bestemd had voor den Koning. Neem het, 't zal voldoende zijn voor uw losgeld".
Nog sprak Artaban, toen plotseling de zon werd verduisterd en de aarde bewogen. Stofwolken dwarrelden op, de huizen waggelden. De soldaten, ontzet, sloegen op de vlucht. Artaban en het meisje, dat hij vrij kocht, leunden tegen een muur, niet wetend waarheen zich te wenden. Bij een laatste schudding der aarde raakte een zware steen los van het dak en trof, neerkomend, den ouden Wijze. Roerloos lag hij op de aarde. Het bloed vloeide hem uit mond en ooren. Het meisje boog zich over hem heen om te zien of hij nog leefde. Tegelijkertijd hoorde ze een stem, die als verwijderde muziek haar in de ooren klonk. Maar ze verstond de woorden niet en bespeurde, om zich ziende, ook niemand die kon gesproken hebben. Toen bewogen zich de lippen van den stervenden Wijze, als om te antwoorden, en duidelijk verstond ze wat zijn prevelende lippen spraken: „Maar, Heere, wannéér heb ik U hongerig gezien en U gespijzigd, of dorstig en U te drinken gegeven ? En wanneer heb ik U een vreemdeling gezien en geherbergd, of naakt en gekleed ? En wanneer heb ik U krank gezien of in de gevangenis, en ben tot U gekomen ? Meer dan dertig jaren heb ik U gezocht, maar nooit heb ik U gevonden, noch U gediend van mijne goederen".
En weer vernam het meisje de verwijderde stem, die ze niet verstond.
Maar de stervende verstond het te beter en een glimlach kwam op zijn gelaat, toen hij zich hoorde toeroepen : „Voorwaar zeg Ik u, voor zooveel gij dit een van deze mijne minste broeders hebt gedaan, zoo hebt gij dat Mij gedaan".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

ALLERLEI

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's