FINANCIEN
De dagen, welke achter ons liggen, kenmerkten zich door een buitengewone koude. Zooals de volksmond zegt; het vroor dat het kraakte. Wat dit ten gevolge had, dat het gewone verkeer tal van moeilijkheden ondervond.
De vaart lag zoo goed als geheel stil.
Wat anders per schip vervoerd werd, moest nu worden verzonden per as. Nu, de motoren hebben wat afgeronkt.
'k Sprak dezer dagen iemand, een man van zaken, die goederen te vervoeren had naar een plaats, welke hemelsbreed maar op enkele kilometers afstand was gelegen, doch nu, vanwege belemmering in het verkeer, langs zulk een omweg slechts bereikt kon worden, dat er bijna een geheele dag mee gemoeid was, om haar te bereiken.
Dit zijn zoo de lasten van den winter.
Dat dit de eenige niet zijn, behoeft nauwelijks te worden opgemerkt.
Treft het gewone verkeer menig obstakel, binnenshuis is het vooral niet beter.
Neemt maar de meest gewone huishouding. Wat een last en welk een moeite brengt de koude met zich mee voor moeder de huisvrouw. Alles is bevroren, zoo weerklinkt de verzuchting telkenmale.
De kraan van de waterleiding weigert opeens hare diensten. Zij kan niet meer. Wat moet nu worden gedaan ? „Wachten tot de dooi intreedt", luidt het laconieke antwoord.
Ja, ge hebt goed praten, zoo wordt hier tegenover opgemerkt, maar ik zit er mee.
En als het hierbij maar mocht blijven. Doch denk u eens een oogenblik in, dat de bevroren leiding, als de dooi intreedt, het eens niet kan houden, wanneer de buizen springen, wat dan ?
'k Hoorde dezer dagen van zulk een tragisch gebeuren, 't Was nog lang geen dag, heel vroeg in den morgen. 't Was nog pikdonker, toen een der huisgenooten wakker schrok door het geluid van stroomend water. Net alsof alle kranen tegelijk open stonden, zoo hoorde zij een geluid vlak boven zich. En jawel, 't was zoo, de buizen waren gesprongen. Heel het huis hing in touwen, in een oogenblik. Onmiddellijk werd de hulp ingeroepen van een deskundige, die wonder boven wonder dadelijk bij de hand was. De hoofdkraan werd afgesloten, zoodat het momentelijk gevaar werd bezworen.
Zoo'n winter brengt zijn lasten mee, ongetwijfeld ; toch moet ge voorzichtig zijn om de nadeelen niet al te breed uit te meten, voornamelijk niet in het bij-zijn van de jeugd, immers deze zien het vraagstuk, hier aan de orde gesteld, van een heel ander oogpunt. Wanneer 's morgens de bloemen op het venster u alle uitzicht benemen, en ge huiverig u terugtrekt, zoo juichen zij. Heerlijk, zulk een winter ! roepen zij uit. 'kWou dat het nog maar iets harder vroor en dat het nog lang niet ophield. Nu, daarmee zijn wij, ouderen, het lang niet eens. Als de goot begint te lekken en de kraan laat het water weer loopen — zonder dat de buis is gesprongen — zoo klaart ons gezicht weer op. Gelukkig — zeggen we — zonder dat de kinderen het hooren — die ergste kou is weer voorbij. Ik hoop, dat wij nu van dezen last voorloopig zijn bevrijd. Om mij, vriest het van 't jaar niet meer.
Dit zeg ik ook als Penningmeester. Mijn bedrijf heeft onder den winterlast ook geweldig geleden. Alles schijnt bevroren te zijn. Het kraantje zit wel niet vast, maar hoé ik ook draai, er komt zoo goed als niets meer uit. De geheele aanblik wijst het vriespunt aan. Ik zal me niet weinig verblijden, wanneer de vorst een klein beetje afneemt. Anders vrees ik dat er moeilijkheden zich zullen voordoen met mijn huishoudentje.Met mijn huishouden, bedoel ik, want waarlijk, het verklein-woord past niet recht meer voor mijn bedrijf. Daar is heel wat noodig voor mijn gezin. In gewone tijden staat de kraan niet stil bijna. Groote emmers en kleine worden gedurig bij geschoven. „Mag ik ook nog wat; 'k heb al een heelen tijd staan wachten", hoor ik telkens mij in de ooren fluisteren. Zoodat een ieder het zich gemakkelijk kan indenken, hoe het mij gaat bij vriezend weer. 'kZie elken morgen of de vensters nog even dik bevroren zijn. En zoo ja, ik schuif maar weer iets dichter mijn zetel als Penningmeester naar den haard, hopende op spoedigen dooi.
Weet ge waarom ik me een heel klein beetje bang maak ?
Neen ?
Nu, laat me dan het geheim verklappen. Ik ben een heel klein beetje benauwd, dat de bevroren buizen zullen springen bij den komenden dooi, en dat ze mijn heele penningmeestershuisje onder water zetten. Dat het met dikke stralen langs den muur loopt.
Nu, eerlijk gezegd : dat zou ik wel eens willen. 'kHeb de emmers en emmertjes al klaar staan. En als het moet, vraag ik er nog bij te leen van vrienden en kennissen. De achterstand moet zoo mogelijk worden ingehaald.
Als het tè erg mocht worden, zal ik uw hulp wel inroepen om de hoofdkraan af te sluiten. Dit beloof ik u.
Wanneer ge mijn gevoelen momentelijk wilt weten, zoo zeg ik u dit, dat mijn heele zijn staat in het teeken van „wachten totdat de dooi intreedt". Wat ik u laat zien, bewijst u dit ten duidelijkste.
1. Woensdagmorgen kreeg ik twee posten te vermelden, n.l. van mej. J. de Groot te Schiedam van een jarige ƒ 1.—
2. En door ds. Heijer te Vlaardingen uit den collectezak voor het Studiefonds „ 1.—
3. Donderdagmorgen bracht de post mij uit den collectezak van Veenendaal voor het Studiefonds, door ds. Van der Snoek „ 2.—
4. En door ds. Bruijn, van Katwijk a.d. Rijn, van N.N. f 1.25 en van N.N. f 0.75, met bijschrift „als vrucht van de lezing van De Waarheidsvriend". Samen „ 2.—
5. En door ds. Bouthoorn te Renkum voor het Studiefonds van een herstelde zieke „ 2.50
6. Vrijdagmorgen kreeg ik uit den collectezak van De Bilt, me toegestuurd door den heer J. Overeem, „ 1.—
7. Zaterdagmorgen zond ds. Van Willigen van Rijssen mij uit de catechisatiebus aldaar „ 10.—
8. Maandagmorgen gewerd me uit Berkel van den heer H. K. f 1.— contributie - I-fl.— voor het Studiefonds, ter navolging. „ 2.—
9. Dinsdagmorgen zond de heer G. Krook te Gouda mij den naam van een nieuw lid, met „ 0.75
10. Nog op Dinsdagmorgen kreeg ik van ds. Heijer te Vlaardingen een tweede post voor het Studiefonds van f 10.—, als deel van een gift van f 50, met bijschrift „uit dankbaarheid voor de weldaden Gods. Hem alleen de eer". „ 10.—
11. Wanneer ik er nog aan toe mag voegen wat mij persoonlijk ter hand werd gesteld te Putten, waar ik dezer dagen voor de Jongelingsvereeniging sprak, „alleen voor het Studiefonds" „ 1.—
Evenzoo van Gebr. N.N. als contributie, welke niet geïnd was in den laatsten tijd, „ 4.—
Dit tezaamgeteld bedraagt de som van
ƒ 37.25.
Wij zijn blij, dat wij nog enkele droppelkens hebben opgevangen, maar ge zult moeten toegeven, dat wij iets van de vorst gevoeld hebben. De volgende week hopen wij op dooi en milde bijdragen. Daar zijn voorteekens, die er op wijzen. Wij leven in afwachting. Neige de Heere de harten.
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's