BRIEVEN TOT GEESTELIJKEN OPBOUW
DE KINDEREN GODS IN DUISTERNIS. 2)
Er zijn nog andere oorzaken, waardoor de duisternis soms komt over de kinderen Gods.
De zoete gemeenschap met God wordt zoo dikwijls verstoord door de verdorvenheid, die in de geloovigen nog is en hen zoo dikwijls verhindert om het goede te doen en te volbrengen, gelijk zij wel willen. Dan wordt de innige gemeenschap met God en onzen Zaligmaker dikwijls verduisterd, dat zij wel met Paulus uitroepen : „ik ellendig mensch" (Rom. 7 vers 24) en wel bij zichzelf overleggen : „ben ik wel een recht geloovige en een kind van God, als ik in mij zulke verdorvenheid en zulk eene zondemacht bevind ?
Vervolgens is er déze oorzaak nog : dat zij zoo traag zijn in het gebruiken van de middelen, die door God gesteld zijn tot opening van de fontein der liefde en genade, als daar zijn : gebeden en dankzeggingen, lezen van Gods Woord en acht geven op de Sacramenten. Hoe dikwijls is er niet een te traag waken en te weinig wachten op het heil des Heeren, zoodat met de Bruid uit het Hooglied moet worden bekend, dat er geen opstaan was, toen de Bruidegom tot haar kwam. Door traagheid verzuimde zij Hem tegemoet te gaan (Hooglied 5 vers 4) en dan lezen we : mijn Liefste trok Zijn hand van 't gat der deur, en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil; — toen ging Hij weg en zij kon Hem niet vinden !
Zoo kan ook de zoete en gevoelige gemeenschap met God verloren gaan door al te lang en ontijdig slapen, als de Heere te kennen geeft: „Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt". Als een geloovig mensch het vleesch voedt en slaapt als hij behoort te bidden, of zijn tijd verbeuzelt en verwaarloost, zoo valt hij in verzoeking, Ledigheid en luiheid is des duivels oorkussen, en zoo wordt de gemeenschap met God verbroken of verduisterd.
Als de mensch geen tijd heeft om z'n gebeden voor God neer te leggen en z'n hart voor Hem uit te storten, geen tijd om Hem te verheerlijken en zich in Hem te verblijden, of als hij anderszins de gemeenschapsoefening nalaat of te haastig doet dan verstoort dat den verborgen, geestelijken omgang met God en het hart verkommert, de ziel verachtert in de genade.
Wanneer men 's middags geen tijd heeft om de vensteren naar Jeruzalem te openen en den Heere aan te roepen, of als men 's avonds ter ruste gaat zonder zich met God verzoend te hebben, dan kan de mensch geen nauwe gemeenschap met God houden en niet zalig rusten in God. Dan kan niet gezegd worden : Heb ik mijn ziel niet stil gezet, en mij verloochend naar Uw wet, gelijk het pas gespeende kind zich stil bij zijne moeder vindt ? " (Ps. 131 : 2).
De verdorvenheid en ijdelheid van 's menschen hart is zoo groot, dat hij altijd afdwaalt, zoo hij de middelen, van God gegeven, verzuimt en verwaarloost, waardoor de ziele kracht en genade zou kunnen ontvangen. En de ziele kan in God zich niet verblijden noch in Hem rusten, als de ziele Hem niet zoekt. „Zoekt en gij zult vinden, bidt en gij zult ontvangen, klopt en u zal worden opengedaan".
Zich al te veel te verliezen in de aardsche dingen en vervuld te zijn met aardsche zorgen, belemmert de gemeenschapsoefening met God.
Ook moet het kind van God het niet al te zeer verwachten van zichzelf in den weg der heiligmaking, alsof de mensch zelf de zaligheid moet verdienen bij God en den vrede der ziele werken. Want als hij niet genoegzaam gedenkt, dat het fundament ligt in de eeuwige liefde Gods, in het vrij ontfermen des Heeren en in de alles bedekkende en alles vervullende gerechtigheid van Christus, komt de vrome mensch er zelf tusschen en ziet op eigen weg en werk en wordt troosteloos bedroefd, indien eigen heiligheid niet voldoen kan aan Gods heilige wet. Het is een groot gebrek in een kind van God, dat hij aldoor in zichzelf blijft ronddolen, om aldoor op zichzelf te zien en te klagen, dat hij God niet kan dienen zooals het behoort, want dan ligt hij dikwijls troosteloos neer en kan zich niet oprichten, omdat wel de christen dan wordt gezocht, maar niet Christus ; en vervloekt is een iegelijk, die vleesch tot z'n arm stelt. Zoo wordt da» dikwijls de vreugd in God verstoord en de lof des Heeren geroofd uit mond en hart van Gods kinderen. En dan moeten ze wel leeren om, zelf ellendig zijnde, den Heere te danken in Christus Jezus, en te roemen in Zijn ontferming, waar de Heere Zich wil ontfermen over wien Hij Zich ontfermen zal. (Exodus 33).
Onze ziel moet niet moedeloos worden. wanneer de uitlatingen van Gods liefde niet altijd even sterk ervaren worden, want het harte kan alleen rust vinden in het werk des Heeren, en in Zijne beloften, die onberouwelijk zijn. Jezus Christus is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's