STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE STEMPLICHT.
Er is sedert de invoering van de tegenwoordige Kieswet heel wat geschreven en gesproken over de nieuwigheden, welke toentertijd in deze wet werden opgenomen.
Vooral waren het de beginselen van het algemeen kiesrecht, de evenredige vertegenwoordiging en het toekennen der zetels aan de onderscheidene partijen, die onderwerpen van critiek uitmaakten.
Toch zijn tegen geen enkel onderdeel der Kieswet steeds zulke ernstige bezwaren naar voren gebracht als tegen de bepalingen van den stemplicht of eigenlijk gezegd van den opkomstplicht.
Het is bekend, dat bijzonder de Antirevolutionairen zich van meet af tegen den stemplicht hebben verzet.
Voor de eerste maal geschiedde dit op 10 November 1916 bij de behandeling van. de Grondwetsherziening-1917, toen gepoogd werd om te voorkomen, dat de stemplicht in de Grondwet zou komen. Bij een volgende Grondwetsherziening werd weer een poging om den stemplicht uit de Grondwet te schrappen ondernomen, welke poging toen slaagde. Het is toen evenwel niet gelukt den stemplicht bij de Additioneele bepalingen, ook uit de Kieswet te doen verdwijnen. Na dien is in April 1923 bij eene wijziging der Kieswet getracht den stemplicht geschrapt te krijgen, doch ook bij die gelegenheid werd het Antirevolutionaire amendement, zij het met een gering stemmenverschil, verworpen.
In het jaar 1925 kwam de stemplicht nog eenmaal aan de orde. Hij werd ook toen na een votum van de Kamer gehandhaafd.
Aan al deze feiten herinnerde in een knappe "redevoering dr. Beumer, de Antirevolutionaire afgevaardigde, verleden week Woensdag, toen hij bij gelegenheid van de wijziging van eenige artikelen der Kieswet bij vernieuwing een poging deed om den stemplicht te schrappen. Hij wees er op, dat kiesrecht kiesplicht is en dat de kiezer zoowel voor het gebruiken als voor het niet gebruiken van zijn kiesrecht verantwoording schuldig is aan God.
Doch het gaat niet aan, zoo merkte dr. Beumer op, om een moreele verplichting, want anders is de kiesplicht niet, onder strafsanctie te stellen.
Deze opmerking is juist. Het staat hier toch niet anders dan bij een huwelijksvoltrekking. Dan wordt de vrouw voorgehouden, dat zij haar man heeft te volgen — dus ook een moreele verplichting — doch er is geen strafbepaling, die de vrouw achterhaalt, wanneer zij aan deze moreele verplichting geen gevolg geeft.
Maar waarom dan wel de kiesplicht onder strafsanctie gesteld ?
Het was verder van belang, om uit den mond van den Antirevolutionairen afgevaardigde te vernemen, dat, wat de kosten van het optreden, jegens hen, die hun stemplicht niet nakomen, betreft, deze b.v. bij de Statenverkiezingen van het jaar 1931 de kapitale som bedroegen van ƒ 283.200.—. Hij vroeg zich af, of de zaak, die men met zooveel geld wil redden, dat wel waard is.
Intusschen liet de Kamer dr. Beumer vrijwel alleen staan, alleen mr. Van den Bergh, de Sociaal Democratische afgevaardigde, viel hem bij.
Ondanks dat in de Volksvertegenwoordiging telkens scherpe protesten geuit worden tegen „schandelijke vrouwen vervolgingen" en bezwaren worden uitgesproken tegen het hatelijke karakter, dat de stemdwang draagt, verwierp de Kamer het amendement van dr. Beumer met 49 tegen 32 stemmen. Behalve de eenlingen, Braat en Floris Vos, stemden met de Antirevolutionairen alleen de Sociaal Democraten mede. De rest van de Kamer vond het goed, dat de stemplicht in de Kieswet gehandhaafd bleef.
Hadden de Vrijzinnig Democraten, zooals dit verwacht werd, evenals bij vorige gelegenheden, ook ditmaal hun stem tegen den stemplicht uitgebracht, dan zouden de stemmencijfers 42 tegen 39 hebben gestaan en zouden de spijbelaars onder de Kamerleden de oorzaak zijn geworden van de handhaving van den stemplicht.
Dr. Beumer deed goed werk, met nogmaals een principieel debat over den stemplicht uit te lokken.
DE BILLIJKHEID TE BETRACHTEN.
Bij de behandeling van het amendement betreffende den stemplicht, had de Minister van Binnenlandsche Zaken, die overigens het voorstel tot schrapping van den stemplicht goed gezind was, de vraag te beantwoorden, waarom de Regeering bij haar voorstel tot wijziging van de Kieswet ook niet met een voorstel was gekomen om den stemplicht uit de Kieswet te verwijderen.
Het antwoord, dat de Minister op deze vraag gaf, luidde, dat wijl de Kamer in de laatste jaren herhaaldelijk een voorstel tot afschaffing van de strafbepaling op de overtreding, van hen, die hun stemplicht niet nakomen, verworpen had, het niet een zaak van goed beleid zou zijn, thans op nieuw van de zijde der Regeering met een voorstel tot schrapping van den stemplicht te komen.
Wij kunnen dit standpunt van den Minister billijken.
Het zou toch geen zin hebben, dat, wanneer de Regeering vooruit weet, dat de groote meerderheid van de Kamer tegen de aanneming van eenig voorstel zou bezwaar maken, zich aan een echec (nederlaag) bloot te stellen.
Dit zou niet alleen van geen goed beleid getuigen, maar ook dwaasheid zijn.
Zoo staat het ook met andere zaken.
Er wordt in de Kamer dikmaals drang op de Regeering uitgeoefend om den eenen of anderen maatregel te treffen. Geeft zij daaraan geen gevolg, dan is men er al heel gauw bij om haar houding af te keuren en zelfs van beginselloosheid te spreken. Men eischt b.v. dat voorstellen zullen worden ingediend tot wederinvoering van de doodstraf, of dat maatregelen zullen worden getroffen om tot algeheele Zondagsrust te geraken, terwijl men zelf zeer goed weet, en zich daarvan ook bewust is, dat in de Kamer geen meerderheid voor zulke voorstellen te vinden is en dus de Regeering niet bij machte is aan de eischen te voldoen.
Daarom is het demagogie (volksmisleiding) — zoo staat het ook met tal van eischen van Communisten en Socialisten —-als men het doet voorkomen, dat wanneer de Regeering het maar wil, het gewenschte zou zijn te verkrijgen.
Een paar maanden geleden werd door prof. dr. Visscher in het „Gereformeerd Weekblad" opgemerkt, dat indien Calvijn goed gelezen wordt, zij, die van de Regeering allerlei daden verwachten, bij den grooten Hervormer zouden kunnen leeren, dat de bijzondere omstandigheden, waaronder de volken leven, voor de wijze, waarop de wet Gods wordt toegepast in de wetgeving des lands, van beslissende beteekenis zijn, ja, dat het in het geheel niet opgaat in den blinde weg allerlei eischen aan de landsregeering te stellen, die zij niet kan uitvoeren, wanneer de omstandigheden het niet mogelijk maken. Daarvoor verwees prof. Visscher naar het 4de Boek der Institutie in het 20e Hoofdstuk § 16.
Er zijn in onzen tijd heel wat menschen — en men treft er ook Gereformeerden onder — die zich van de dingen geen voldoende rekenschap geven.
Men moet ook tegenover een Regeering billijk zijn en haar geen eischen stellen, die zij door de omstandigheden, waaronder wij leven, niet kan inwilligen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's