De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

6 minuten leestijd

Zoo van tijd tot tijd schuilt er tusschen wat de post me brengt een briefje, dat met een zekere nieuwsgierigheid door mij wordt open gemaakt, omdat ik uit niets kan opmaken wat wel de inhoud kan zijn. Soms valt het mee, soms ook tegen. Uit alles blijkt, dat de rubriek „Financiën" met interesse wordt gevolgd. In het algemeen kan worden gezegd, dat men zich hieromtrent rekenschap geeft van wat hiermede samenhangt.
Zoo legde voor eenigen tijd de post een brief voor mij neer, met enkele critische opmerkingen. Nu, voor critiek ben ik niet ongevoelig. Gezonde aanmerkingen kunnen hun nut hebben. Immers een mensch is nooit te oud om te leeren. Het spreekwoord zegt : „'t is een vriend, die mij mijn feilen toont". De vriend, die mij enkele dingen opmerkte, meende mijn aandacht te moeten bepalen bij het feit, dat er veel te veel inkwam. 'kHeb me zelf de vraag voorgelegd — zoo schreef hij — waar al dat geld vandaan komt en welke beweegredenen tot het geven de menschen hierbij moeten drijven. Wil ik 't u eens zeggen ? — zoo ging hij verder — die ongelukkige stumpers meenen hiermede den hemel te kunnen verdienen, 't Is hetzelfde wat ge bij Rome vindt.
Nu, deze eigenaardige trek had ik — 'k wil mijn onkunde in dezen wel bekennen — nog niet opgemerkt bij mijn arbeid. Over overtollige goede werken struikelen onze luidjes in den regel niet. Te goed zijn ze hierin wel onderwezen, dat onze werken voor God niet vol zijn. Wat er staat in 1 Cor. 13, snijdt dezen stengel wel dwars door : „Al ware het, dat ik alle mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen nuttigheid geven".
Geen nuttigheid, zoo de liefde Gods niet de beweegkracht vormt. Hiervan zijn onze menschen te goed overtuigd.
De opmerkingen, die onze vriend maakte, waren er dan ook zeker naast. Ik ben dan ook benieuwd, of hij bij de verminderde inkomsten van den jongsten tijd ook in zooverre van gedachten is veranderd, dat de zucht om den hemel te verdienen bij onze menschen is verdwenen.
Neen, zoo eenvoudig is het leven niet, met al de verschijnselen, welke zich hierin voordoen.
De arbeid van den Gereformeerden Bond mag in het algemeen in een warm meeleven zich verheugen. Men gevoelt, dat 't hier gaat om hooge belangen, levensbelangen. Wanneer predikers worden gevormd, die in tal van gemeenten de Evangelieboodschap mogen uitdragen, het Evangelie van Gods rijke genade, zoo zegt dit onnoemelijk veel. Hoevele kansels staan nog ledig en van hoe menige plaats moet worden getuigd : 't is een verre van zeker geluid. Is het dan een onverschillige zaak, hoe het gaat met onzen arbeid in dezen ? Niets, dat ik hierboven de voorkeur geef. Neen, bij intuïtie voelen onze menschen best waarom het gaat. Vandaar hun rijk medeleven tot nu.
Tot nu — want in den laatsten tijd hokt het wel iet of wat. De vorige week vergeleek ik den gang van het werk met een bevroren waterleiding. Mijn kraantje zat vast. En als ik er al beweging in bracht, zoo kwam er nog geen droppeltje uit. Nu hoopte ik op den dooi. De dooi is gekomen. Het is zelfs wel iets te zacht voor den tijd van het jaar. Maar wat ik wachtte, kwam nog niet. 't Druppelt m.aar een beetje. Ik kom alzoo tot de gevolgtrekking, dat de kou diep in den grond zit.
Hierbij zetten we achter onze beeldspraak een punt. Zal de koude uit den bodem van ons hart wegtrekken, zoo moet de koesterende werking der heilszon haar werking doen gevoelen. Als Gods Geest het harte aanraakt, zoo worden de koorden der beurs ook losgemaakt. God moet het doen.
Zie, dit bleek me zoo zonneklaar uit een ander schrijven. Deze vriend bracht in herinnering wat de Psalmist zegt :
Op uw noodgeschrei Deed Ik groote wond'ren.
Psalm 81 teekent den weg zoo juist. In vers 7, een zuchten en wonderlijke uitredding, in vers 12 een bevel om te roepen en een belofte, dat de mond vervuld zal worden.
Hij maakte o.a. ook deze opmerking : „Zou het niet in den weg liggen van allen, die de Gereformeerde prediking in onze Kerk liefhebben, persoonlijk den nood van onze fondsen voor God neder te leggen ? "
„Velen zijn van dezen nood nog niet doordrongen — zoo gaat hij verder.
Geldt dit voor degenen, die offers mogen bijdragen, óok de jonge menschen zei ven, die steun ontvangen, moeten ook zelf dien nood gevoelen en er voor vragen, wetende, dat zij in hun studie alle hulp alleen van de Bron des Levens hebben te verwachten".
Zulk schrijven werkt opbouwend. Dit wijst naar Boven, van alle menschen af. Zoo alleen kan ons werk gezegende vruchten afwerpen. Wij houden ons met dezen onzen arbeid ten zeerste bij u aanbevolen.
Binde de Heere het zóó op ons hart, dat wij biddend ons werk mogen verrichten, tezamen wachtende op Zijn heil.
Dezen keer zou de lijst van wat inkwam iets langer kunnen zijn. Omdat ik enkele collecten, die binnen kwamen, gaarne wilde tezaam vermelden, hoop ik dit de volgende week te mogen doen.
1. Van uit Katwijk aan Zee werd mij de contributie toegezonden, n.l. rond ƒ25.--
Mag ik de broeders danken, en tevens die in dezen de contributie nog niet hebben gezonden, vragen, hiermede niet langer te willen wachten. 't Eene boekjaar loopt zoo door 't andere heen. Er zijn al weer twee maanden van ons boekjaar 1932—'33 om. Mijn arbeid wordt daardoor noodeloos zwaar.
2. Ds. Bolkestein te Schelluinen zond me den inhoud van zijn catechisatiebus „ Vriendelijk dank, hoor ! 4.80
3. Uit eigen gemeente ontving ik enkele giften, waarover ik me zeer verblijd. Van N.N. op de Bijbellezing voor het Studiefonds f 1.— ; van de dames P. en P. ieder een rijksdaalder, f5.—; van den heer N. N. bij mij aan huis f 10.—. Bij br. Brinkers kwam in bij het uitgaan van de Jac. kerk, ook flO.—. Verder nog het busje van de fam. Ditmarsch f6.08. Samen „ 32.08 Is dit niet prachtig ? Och, wanneer ieder iets doet, marcheert ons werk, zonder veel moeite.
4. Ds. Van der Snoek te Veenendaal kreeg van iemand, die de Waarheidsvriend had gelezen, „voor het groote huisgezin" „ 2.—
5. Ds. Terlouw, die gesproken had in de Evangelisatie te Dokkum, kreeg daar van een vriend voor onze fond­sen „ 10.—
6. Ds. de Geus ontving van N.N. te Bilthoven voor de fondsen „ 5.—
7. Ds. Bruijn te Katwijk aan den Rijn ontving van N.N. voor het Studiefonds „ 10.—
8. Van N.N. te Meppel ontving ik voor het Studiefonds, eveneens met veel dank, „ 10.—
9. Ds. Ottevanger te Kampen van N.N. voor het Studiefonds „ 1.—
10. Ds. Bout te Genemuiden van een catechisante voor 't Studiefonds „ 1.— Tesaamengeteld vormt dit de som van
ƒ 100.88.
Mag ik de volgende week eens het dubbele vermelden ? Wanneer de nood dringt, en dit wordt gevoeld, en het brengt ons op de rechte plaats, zoo vrees ik niet of de uitkomst is verblijdend.

Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's