De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Brandsma zelf verraadt door geen enkelen trek van zijn gelaat wat er in hem omgaat, maar toch is hij blij, dat hij weer te midden van de vergadering der gemeente is.
Als hij eerbiedig de pet afneemt en de gevouwen handen voor oogen houdt, om een zegen over de prediking te vragen, dan leeft er tevens een danktoon in zijn ziel. dat het ijs gebroken is en alles voor hem is weggenomen, wat zulk een hinderpaal was voor het opgaan naar het Huis des gebeds.
Als ds. Velthuis daarop, voorafgegaan door den oudsten ouderling en gevolgd door de andere leden van den Kerkeraad, onder den voorzang der gemeente binnentreedt, en na een kort gebed den kansel beklimt, is het voor hem niet minder een verrassing zijn ouden vriend weer op zijn plaats te zien. Groote blijdschap vervult zijn hart over dat feit, maar met evenveel wijsheid doet hij, alsof hij dit niet merkt. Noch door woord, noch door blik zinspeelt hij op wat geweest is, want hij kent zijn volkje : Brandsma zelf zou in geen enkel opzicht willen, dat hem voor iets lof werd toegebracht, en het gros van de kerkgangers is er gewoonlijk handig genoeg bij, om na afloop van de preek te gaan vragen, wat dominé met deze of die uitdrukking, met dit of dat beeld bedoeld zou hebben, om dan niet zelden een geheel verkeerde conclusie daaruit te trekken.
Want ook in Kleiterp luistert niet elk kerkganger, evenmin als overal elders, voor zich zélf, maar past menigeen de prediking maar al te dikwerf op zijn buurman of buurvrouw toe. Dit weet ds. Velthuis ook wel, en daarom zorgt hij er wel voor, dat er niet éen is, die ook maar even kan merken of hij er van geweten heeft, dat de oude boer het stijve hoofd ging buigen.
Niettemin was de prediking een woord van vertroosting en bemoediging en geestelijke versterking, inzonderheid voor de welverzekerde kinderen Gods, terwijl in de toepassing elk een woord ontving, al naar zijn staat was.
Brandsma, die in de waarheid thuis is, zit stil in zijn Bijbel te staren, den prediker nauwlettend in zijn gedachtengang volgende. Vooral als deze vaak zoo logisch spreken kan, en na een getrouwe Schriftverklaring het eene denkbeeld als uit het andere doet opkomen, is ds. Velthuis zeker, dat hij in hem een goed toehoorder heeft, omdat Brandsma zelf gewoon is aldus weer te geven, wat hij zelf door ijverige studie of eigen ervaring aangaande de eeuwige dingen is deelachtig geworden. Doch ook, al is door een of andere oorzaak de preek minder degelijk en blijft de prediker wel eens aan de oppervlakte van de waarheid, dan zal hij nog niet zeggen, dat het geen goed woord geweest is, omdat hij weet, dat dan misschien juist een ander, die nog niet zoo diep is ingeleid of bevestigd in het geloof, een zegen van het gehoorde ontving. En dan gaat Brandsma het overdachte woord nog eens in stilte overpeinzen, om zoo tot de diepten der waarheden Gods af te dalen, welke voor een ander vaak verborgen zijn, en van daar de paarlen op te halen, waarmede hij zijn geestelijk bezit verrijkt.
Ditmaal echter is ds. Velthuis zeer goed bij. Met bijzondere opgewektheid bedient hij dezen Zondagmorgen zijn heerlijk ambt, en als straks de kerk uitgaat, wordt door velen zijner hoorders, hetzij op den weg naar huis, hetzij aan de koffietafel, de opmerking gemaakt, dat dominé van morgen „danig" gepreekt heeft en er nog altijd vuriger op wordt, waaraan een enkele nog toevoegt, dat het eigenlijk een groot wonder is, dat men hem nog niet naar een grootere gemeente beroepen heeft.
't Spreekt vanzelf, dat óók de tegenwoordigheid van Brandsma stof voor het gesprek geeft. Niemand weet, hoe hij hiertoe gekomen is, daar het allen wel bekend was, waarom hij in langen tijd niet opging, maar allen oordeelen, dat het maar een mooi ding is, ook voor de vrouw, en dat de diakenen van morgen ook wel iets extra's in het zakje zullen gekregen hebben.
Niet minder evenwel dan in de „kleine Kerk" is dien morgen de verwondering groot geweest van dat gedeelte der Kleiterpers, dat opging onder het gehoor van ds. Peurman. Want, wat in geen tijden is geschied, heeft dezen morgen plaats. Juist onder het laatste luiden, terwijl 't mooie orgel een zacht preludium begon te spelen, trad Jonker van Sterrenburgh de kerk binnen, om, na eerbiedig zijn hoed te hebben afgenomen, plaats te nemen in de adellijke bank, vlak voor den kansel. Daarop buigt hij een oogenblik het hoofd, als om in stil gebed een zegen te vragen, en slaat dan den prachtigen, bruin lederen Bijbel op, om den voorzang op te zoeken.
Schuin tegenover den kansel, in 't schip der kerk, zit oude Marijke van den Zandweg, te midden van andere vrouwen. Als gewoonlijk, is zij een van de eersten geweest die het Godshuis binnen kwamen, en na een stoof van den koster te hebben gehaald, heeft zij zich echt op haar gemak neergezet, begeerig om straks wederom de verkondiging aan te hooren van 't Woord, waarbij haar ziel leeft. Met blijdschap ziet zij, hoe langzamerhand alle stoelen en banken worden bezet en ds. Peurman ook dezen morgen niet voor ledige zitplaatsen zal hebben te preeken. Trouwens daar is ook nimmer veel gevaar voor, omdat hij het Woord brengt, frisch uit de bron, en telkens, uit den rijken schat van het oude Bijbelboek, nieuwe dingen weet te zeggen naar de behoefte zijner hoorders, in wier midden hij als een ijverig leeraar werkt.
Doch 't meest van alles verheugt het haar, als zij ziet, dat de Jonker dezen morgen in de kerk is. Onwillekeurig dwaalt haar blik telkens naar hem heen. Zij heeft altijd iets van moederlijke bezorgdheid over hem. Niet gaarne zou zij dit tegen anderen durven zeggen — o neen, want men zou 'l haar kwalijk nemen of zeggen : „wat verbeeldt zoo'n oude dienstbode zich" — maar 't is toch v/aar, dat zij nog altijd meent eenig recht op hem te hebben. Daarom gaat zijn wél en wee haar zoo ter harte. Daarom vergeet zij hem nooit in haar avondgebed en daarom hoopt zij bovenal zoo innig, dat hij nog eens een belijder der waarheid worden mag, gelijk zijn moeder was. Verbeeldt zij het zich, of is het zoo, dat de Jonker van morgen erg vergenoegd schijnt te zijn ? Och, of het woord van dit uur hem eens treffen mocht!
Zij moest eens weten, die goede oude ziel, wat hij in de eenzaamheid al doorstreden heeft, en hoe als vrucht dezer worsteling het eerste ochtendgloren, als profetie van een nieuwen dag, den dag des heils, over zijn leven opgaat!
Een weinig verder achteraf, op de losse banken, zit vrouw Mollema met Jap.
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's