De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

Uit het ongeschreven Woord.

11 minuten leestijd

XVIII. Genesis 4 : O, 7. En de Heere zeide tot Kaïn : waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen ? Is er niet, indien gij weldoet, verhooging ? en zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijne begeerte is toch tot u en gij zult over hem heerschen.

2e Serie. XVIII.
Het vonnis over zijne zonde was den mensch wel aangezegd. Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. De Heere bedoelt daarmede niet ons te zeggen, dat alleen ons lichaam sterven zal, want Hij openbaart ons juist, dat de dood iets veel geweldigers is dan alleen dat de mensch den laatsten adem uitblazen zal. Hij omvat veel meer en strekt zich uit over het diepste van ons mensch zijn, zoodat de dood, waarvan God spreekt als van een vonnis, gaat over ons gansche geestelijke zedelijke wezen. Het blijkt daaruit, dat Gods Woord een klaar inzicht openbaart in het wezen des menschen. Van meet af veronderstelt het een mensch, die de eenheid is van lichaam en ziel. In des Heeren Woord wordt ons de mensch niet voorgesteld als ware hij een samenvoegsel van ziel en lichaam, of een optelsom van twee onderscheidene deelen, die in hunne bijeenvoeging den mensch vormen. Reeds terstond als ons de schepping des menschen wordt geopenbaard in Genesis 3 : 7, teekent de Schrift ons, hoe de Heere God den mensch formeert uit het stof der aarde en in zijne neusgaten den adem des levens geblazen heeft. Doch om ons nu alle onjuiste voorstelling af te snijden en de dwaling te voorkomen, alsof de zoo geworden mensch nu uit twee deelen zou bestaan, die in een zeker los verband naast elkander in hem bestaan zouden, wordt er terstond bijgevoegd: alzoo werd de mensch tot eene levende ziel". Zoo wordt ons dus geleerd, dat de mensch eene eenheid is en blijft, dat hij is de eenheid van ziel en lichaam. En de ervaring bevestigt deze beschouwing. Uit dat eenheidsfeit volgt dan ook, dat hetgeen er in en door de ziel geschiedt, onmiddellijk beteekenis heeft voor het lichaam. En daarom strekt zich dat oordeel Gods over de zonde uit over den ganschen mensch en moest dus ook het doodsproces, dat met de zondedaad in de ziel aanvangt, zich uitstrekken ook over het lichaam en werd de mensch door de zonde naar lichaam en ziel in den afgrond der verlorenheid gestort. Al wat dus in ons zielsbestaan geschiedt, heeft ook zijne uitwerking in ons lichamelijk wezen. Ook het kleinste, in onze waardeering onbeteekenende, heeft een gevolg voor en in den ganschen mensch, zooals hij als levend Wezen bestaat.
Het ligt voor de hand, dat deze eenheid van lichaam en ziel, die den mensch stempelt tot eene levende ziel, ook in de wijsbegeerte en de wetenschap in hooge mate de belangstelling heeft getrokken en eeuwen lang diepzinnige denkers zich hebben ingespannen om deze verborgenheid der eenheid van den mensch als zielkundig en lichamelijk wezen te verklaren. Maar verder dan het licht, dat God in Zijn Woord over dit wezen des menschen heeft doen opgaan, zijn zij niet gekomen. Integendeel, zijn er allerlei verklaringen gegeven, die zich daardoor onderscheiden, dat zij of het lichaam in de ziel of de ziel in het lichaam lieten opgaan, met het gevolg, dat de ziel werd ontkend, en het lichaam en met dat lichaam het gansche menschelijke leven met al den rijkdom onzer geestelijke gaven, tot een mechanisch verloopend natuurproces werd vernederd. De moderne wijsbegeerte heeft tal van denkers voortgebracht, welker geleerdheid voerde tot eene razernij, zóó dat de mensch geheel ontmenscht werd. Doch te midden van al die verschillende door de wijsbegeerte en het wetenschappelijk streven voortgebrachte beschouwingswijzen, staat nog steeds de in Gods Woord ons gegevene en onaangetaste zekerheid, die ook door de ervaring wordt bevestigd, dat de mensch slechts als de eenheid van lichaam en ziel wordt gekend. Welke verklaring men ook geven wil van de werking van het zielkundig leven in samenhang met het lichaam, zonder de erkenning van de eenheid van lichaam en ziel is zij niet denkbaar. Gods Woord heeft van den beginne die eenheid uitgesproken en ook de volle consequentie daaruit getrokken. In de oordeelvelling, die de Heere over een man als. Kaïn openbaart, wordt, deze eenheid van lichaam en ziel ten klaarste verondersteld.
Eeuwen voordat er van eene schriftelijke openbaring als Woord van God sprake is, werd er onder de kinderen Gods reeds eene kennis van het zielkundig leven des menschen aangetroffen, die ook door de moderne wetenschap niet achterhaald en als onjuist kan worden afgewezen, omdat zij op de ervaring berust. Ook in Kaïn's geschiedenis treedt zulks aan den dag. De verkiezende werkzaamheid Gods, die de wereldhistorie stelt in het licht eener onuitroeibare antithese, doet ook in de eerste geslachten der menschheid zich gelden. De den mensch van den beginne krachtens schepping opgelegde cultuurarbeid heeft zich reeds spoedig verbijzonderd in den landbouw en de veeteelt, daar alzoo de levensbehoeften der menschen het best werden vervuld. Zoo verschijnen Kaïn en Habel als de vertegenwoordigers van twee takken van bedrijvigheid, als twee broeders, die de verdeeling van den arbeid, die reeds in de schepping van man en vrouw door de natuur zelve dus was aangevangen, nu verder tot ontwikkeling brengen zullen. De gaven dezer beide zonen Heva's waren onderscheiden, zoodat de beide broeders weinig op elkander geleken. Daarbij kwam, dat met name uit geestelijk oogpunt zij in geenen deele met elkander harmonieerden. In den eenen broeder werkte de wederbarende genade Gods en de andere was een natuurlijk mensch, ook al toonden beiden teekenen van een godsdienstig leven. En zoo teekent ons Gods Woord Habel als den schaapherder en Kaïn als den landbouwer beide wel een offer brengend en toch beide juist in die offerande oneindig verscheiden. Habel, de man Gods, bracht zijn offer door het geloof en zijne offerande was van eene gansch andere orde dan die van Kaïn. En het gevolg daarvan was nu ook, dat zij in hun zieleleven een geheel verschillende vrucht ontvingen. De Heere zag Habel en zijn offer aan, maar Kaïn en zijn offer zag hij niet aan. De schrijver van den Hebreën-brief verklaart ons dit nader door te zeggen, dat Habel door zijn offer „getuigenis toekomen heeft" van zijne rechtvaardigheid, „alzoo God over zijne gave getuigenis gaf". De Heere bevestigde het dus aan Habel's ziel, zooals Hij nog heden ten dage aan de zielen Zijner kinderen verzekeringen kan geven door den Heiligen Geest. De natuurlijke menschen verstaan daarvan niet. Wordt er over gesproken, dan halen zij vaak de schouders op over dat volk, dat zich op des Heeren daden aan hunne ziel beroept, want zij hebben zelven nooit iets van den Heere genoten. En daar zij zichzelven toch voor degelijke Christenen houden, hebben zij voor het volk met zijne bevindelijke waar­ heden, die de Heere door Zijnen Geest hun leerde kennen, vaak slechts weinig meer dan schimp over. Zoo was het nu ook bij Habel en Kaïn. Habel's offer zag de Heere aan en Habel ontving de geestelijke vrucht en genoot ervan. Kaïn verkreeg geen vrucht des Geestes en stond bij zijn offer met een hart, dat voor Gods eeuwige dingen gesloten bleef. Het was dus met deze twee offerende broeders precies zooals het nog dikwijls is, dat menschen, die op het uiterlijke gezien hetzelfde belijden, toch hetzelfde bij lange na niet beleven. Ja, de een beleeft Gods waarheid diep en de ander, die met den mond hetzelfde zegt te belijden, staat er in het wezen der zaak geheel vreemd tegenover. En daaruit komen dan maar al te dikwijls ook onder ons nog twistingen voort, die aan den haat tusschen Kaïn en Habel doen denken.
Maar nu is het merkwaardig te bespeuren, welke eene diepe uitwerking de geestelijke verscheidenheid op deze twee broeders heeft. Van Habel's levensopenbaring wordt ons verder niets medegedeeld, omdat in hetgeen ons verhaald wordt Habel's bestaan genoegzaam geteekend is. Hij smaakte door het getuigenis, dat de Heere hem gaf in zijne ziel den vrede, die alle verstand te boven gaat. Hij genoot van de vrijheid en de heerlijkheid der kinderen Gods. Maar geheel asders was het met Kaïn. Deze ontstak zeer en zijn aangezicht verviel. Hij is het levende exempel alzoo van den innerlijken samenhang tusschen ziel en lichaam, want hetgeen hij doorleefde, had een geweldigen terugslag op zijne gezondheid. Het innerlijke lijden zijner ziel weerspiegelde zich op zijn aangezicht en tastte dus zijn lichaam aan. De haat van den naijver, der jaloerschheid, vergiftigde Kaïn's ziel. Het wordt vergeleken met het ontbrandende vuur, dat fel oplaait, op dezelfde wijze als Jona eeuwen later met groot verdriet en met innerlijke verbittering zich ergerde over de goedertierenheid Gods, die zijn woord scheen te beschamen. En deze ontbranding van den haat liet hem dag noch nacht met rust. De haat vervolgde hem, als hij zijn arbeid verrichtte, als hij nederzat om te rusten. De spijze smaakte hem niet, de genoegens des levens spraken niet meer tot hem. Voor niets had hij meer een oog, want steeds werd hij gefolterd door de klem der ijverzucht jegens zijn broeder, wiens vreeze Gods hij kende, van wiens zedelijke meerderheid hij zich bewust was en dien hij daarom niet kon aanzien zonder den prikkel van den haat te voelen vlijmen door zijne ziel.
En nu is het een ontroerend bewijs van de liefde en de lankmoedigheid Gods, dat Hij tot zulk een. Kaïn Zich richt met Zijn woord, dat Hij tot Kaïn spreekt zóó, dat Kaïn er Gods stem in moet beluisteren. De Heere strijdt met Kaïn, om hem tot zichzelven te brengen, om hem te verlossen van de vreeselijke gevolgen van zijn zielelijden, van een lijden, , dat zoo diep doordrong in Kaïn's geestelijk leven, dat er zijn lichaam door dreigde onder te gaan.
Zoo is het dus duidelijk, dat de Heere een zondaar niet zoo maar aan zichzelven overlaat. Hij spreekt ook tot dezen nog en wil ook dezen ontdekken voor zijn toestand, want Hij vraagt Kaïn, waarom de bitterheid zoo geweldig in hem is en waarom zijn aangezicht de duidelijke sporen draagt van zijn zielelijden. De Heere kende Kaïn wel, want Gods vraag komt niet uit onwetendheid op. Hij had immers Kaïn en zijn offer niet aangezien en de oorzaak daarvan was toch immers, dat Hij Kaïn niet kende als Zijn kind, maar als een natuurlijk mensch, die ondanks zijne uiterlijke godsdienstvormen toch wezenlijk van Hem was vervreemd. Maar Hij spreekt tot Kaïn om dien Adams zoon nog aan zichzelven te ontdekken. Hij houdt hem staande op den weg, opdat hij zal zien in welken toestand hij verkeert. En daarom houdt de Heere hem voor, wat ieder, die hem kende de vraag op de lippen deed komen : wat toch wel deze Kaïn aan verborgen leed in zich omdroeg, dat zijn aangezicht niet was als voorheen.
Zie hier nu, hoe de Heere nog doet. Kaïn zal niet kunnen zeggen, dat de Heere hem niet gewaarschuwd heeft, dat de sprake Gods niet tot hem is gekomen. Hij zal misschien wel in zijne bitterheid verwijtend klagen, dat hij geen ander mensch is dan de Heere hem gemaakt had, maar naar recht zal hij niet kunnen zeggen, dat de Heere hem niet vermaand heeft, niet staande hield, niet tot bekeering riep. Ja, hij zal geen recht hebben zich te verontschuldigen, want de Heere sprak tot hem Zijn woord, dat aan Kaïn voorhield, hoe het met Kaïn gesteld was naar waarheid. Het werd hem verkondigd, hoe zijn gansche wezen door de zonde was vergiftigd, hoe de haat tegen Gods kinderen zelfs zijn lichaam niet spaarde. De Heere teekende Kaïn voor precies zooals Kaïn was en vroeg hem naar het waarom, opdat Kaïn zich voor Gods aangezicht zou verootmoedigen.
Doch het blijkt in dezen Kaïn ook, hoe lichaam en ziel één zijn, want het vuur der ijverzucht en van den haat jegens een broeder, dien Hij om Gods wil haatte, deed ook zijn aangezicht vervallen. Wat zijne ziel beroerde, teekende zich met scherpen trek af op zijn aangezicht. Zijn gezondheid werd er door aangetast, zijn leven er door vergald, zoodat hij wandelde als de mensch, die, een tegenbeeld van Gods kinderen, profetisch een afgrijzen was van de verwoesting der zonde. Ach, deze Kaïn is nog niet gestorven. Want zooals Habel's geloof spreekt nadat hij gestorven is, zoo is ook Kaïn's haat niet met dezen Adams zoon ten grave gedaald. Ook hij spreekt nog tot de conscientiën, doordat hij het levend exempel is van het Woord des Heeren, dat uitgaat ook tot hen, die Habel's geloof niet begeeren. Ja, nog is hij het voorbeeld dat ons allen kan waarschuwen voor het vreeselijk gevolg der zonde, die lichaam en ziel verderft, omdat de mensch is de eenheid dezer twee, zooals de Heere Jezus ons ook daarom naar lichaam en ziel verlossen kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's