BRIEVEN TOT GEESTELIJKEN OPBOUW
MIDDELEN OM IN DE GEMEENSCHAP GODS EN CHRISTUS OVERVLOEDIGER TE WORDEN
De middelen die men gebruiken moet, wanneer de gemeenschap met God door de zonden of anderszins verloren is, om deze weder terug te krijgen zijn verschillend al naar dat de oorzaak van de verwijdering uit 's Heeren gemeenschap verschillend is ; hoewel die oorzaak gewoonlijk is te zoeken in onze zonde, want de zonden scheiden ons van God (Jes. 59), bedroeven den. Geest Gods (Ef. 4 : 3) en blusschen den Geest uit (1 Thess. 5).
De middelen dan om de gemeenschap Gods weder te verkrijgen, leeren ons de heiligen met hun voorbeeld, zooals David, Petrus en anderen. Te weten, dat wij onze zonden en overtredingen met een oprechte belijdenis voor des Heeren aangezicht bekennen en met een hartelijk berouw en leedwezen belijden, zooals we van David lezen: „ik sprak : ik wil den Heere mijn misdaad belijden." (Zie Ps. 32, 38, 51).
En zooals we in Matth. 26 lezen van Petrus, die Zijn Heiland verloochend had. Zóó zal de vriendschap tusschen God en onze ziel wederkomen, zooals we zien in het leven van David en Petrus. David bidt : „Geef mij weder de vreugde Uws heils" (Ps. 51) en de Heere is een hoorder en verhoorder van het gebed dergenen, die in oprechtheid en zielsbegeeren naar Hem vragen.
Daarom, zoodra wij gezondigd hebben, zoo moeten wij niet in zonden blijven liggen, anders vervreemden wij des te meer van God, maar wij moeten terstond in ons hart onze zonden voor God bekennen en Christus leeren aangrijpen als onzen Verzoener, want wie in Hem gelooft is rechtvaardig (Hand. 13) en wij zullen de vruchten des vredes en der zaligheid weiden voor onze ziel.
Wanneer onze ziele dan wellicht zou zeggen : zou ik terstond wederom tot God durven genaken en Christus mogen aannemen en mij toeëigenen en gelooven dat ik in Hem rechtvaardig ben ? Mag ik dat zóó maar doen, wanneer wij den Heere zoo vertoornd hebben ? Dan is 't antwoord, dat onze ziele vervuld moet zijn van droefheid en schaamte, vanwege onze zonden en schuld, daar wij tegen den Heiligen hebben misdreven, maar dat moet niet wegnemen onzen vrijmoedigen toegang tot den troon van Gods genade, want dat zou dan ons ongeloof zijn, dat wij Gods barmhartigheid zoo groot niet achten, noch ook dat wij de verzoening in Christus naar waarde schatten. Want Hij wil immers aanstonds vergeven, wanneer een zondaar tot Hem vlucht en door de zonde van ongeloof en traagheid vervreemden wij des te meer van Hem, terwijl wanneer wij ons mogen wenden tot den Heere en Hem aanroepen in den nood, wij Zijn gunst oneindig groot zullen vinden en de wonde zal niet grooter worden, maar heeling vinden en de ziele zal wederom smaken de zoete gemeenschap met God, om wederom in gunst te worden aangenomen.
En wanneer dan het antwoord zou zijn : ik zondig telkens weer en zou ik dan telkens weer tot God mogen gaan en telkens den Heiland mogen aanroepen, om Hem te zoeken, dan is het antwoord, dat de ziele niet moet vertragen om bij vallen en struikelen op den Heere te hopen en wederom toevlucht te nemen tot Gods barmhartigheid en Christus' verzoening, want Zijne barmhartigheden hebben geen einde, maar ze zijn alle morgen nieuw (Jer. 3) en deze Fontein staat voor de inwoners van Jeruzalem altijd open, tegen de zonde en de onreinheid (Zach. 13) ; en zoo dikwijls wij dan den Christus ons alzóó mogen toeëigenen, zal onze consciëntie vrede smaken (Rom. 5:1).
Want waarom zouden wij niet dadelijk, wanneer onze zonden en struikelingen ons van harte leed zijn, Christus ons wederom toeëigenen ? Is het niet alleen Gods welbehagen, dat Hij Zich over ons ontfermd heeft en ons weldadigheid bewijzen wil ? En is Zijne liefde niet over ons naar redenen van Zijn ontfermen, zonder oorzaak aan ons ontleend ? Rust alles niet enkel en alleen in des Heeren welbehagen. Die Zich wil ontfermen over arme zondaren en Zijn maaksel kent, wetend dat zij stof en asch zijn?
Laten we dan voorzichtig ons wachten voor de zonde, die ons lichtelijk omringt, opdat de gemeenschap met God niet verbroken wordt en verloren gaat en laten we zoeken door den Geest de werken des lichaams, des vleesches en der zonde te dooden (Rom. 8 : 13). Laat ons God altijd bidden, dat Hij ons leere Zijn welbehagen te doen en dat Zijn Geest ons leide in een effen land. (Ps. 143).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's