De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

DE EENHEIDSBEWEGING DER KERKEN (2).

10 minuten leestijd

De namen van Stockholm en Lausanne zijn in de toekomst voor altijd verbonden aan de eenheidspogingen op kerkelijk terrein. Hier toch ging het in de eerste plaats niet om de Kerken in bondgenootschap te doen optreden b.v. in betrekking tot de internationale verstandhoudingen, maar hier ging het zeer speciaal en in de eerste plaats, om de kerkelijke éénheid als zoodanig te bevorderen.
Aan dat doel is vooreerst gewijd de bekende Conferentie van Stockholm van 1925, gewoonlijk aangeduid als de Conferentie voor practisch Christendom. De vragen, die het leven der Christelijke Kerk van onze dagen beroeren zijn daar besproken en in de breede verslagen, die opgesteld zijn en in alle talen verspreid, liggen tal van belangrijke verhandelingen vastgelegd. Men voelde daar de moeilijkheid om in onzen tijd te komen tot een confessioneele éénheid ; men begreep, dat de verschillen in belijdenis veel te diep ingrijpen, dan dat pogingen om die uit den weg te ruimen in de naaste toekomst ook maar eenige kans van slagen zou hebben. En daarom wilde men die confessioneele verschillen nu maar laten rusten, en uitgaan van de geestelijke eenheid, de eenheid in Christus, om dan de vraag te overwegen, wat de roeping is, die de Kerk van Christus thans In practisch opzicht in het menschheidsleven heeft te vervullen. Diep was men onder den indruk van den wereldnood van dezen tijd, van het klemmende van vraagstukken als : de verhouding der rassen, den klassenstrijd, het internationale vraagstuk, de toenemende criminaliteit in de menigte van misdrijven, de moderne huwelijksmoraal enz. Men voelde het: veel te lang had de Kerk van Christus voor den ernst van deze vragen de oogen gesloten en in piëtistischen geest zich alleen ingelaten met de persoonlijke geestelijke belangen harer leden. De ethische vraagstukken had men te lang verwaarloosd, het sociale element had te lang ontbroken. Hierin moest eindelijk nu eens verandering gaan komen. De Kerk moest het nu eens gaan begrijpen, dat de wereld van haar, als draagster van het Evangelie, in deze vragen een antwoord wacht. En men hoopte tevens, dat het besef van te staan tegenover een zoo grooten gemeenschappelijken nood èn het energiek aanvatten van den arbeid om dien nood te lenigen, de Christenheid van onze dagen zou leiden tot die eenheid, die langs den weg van bezinning op de dogmatische geschilpunten toch niet te vinden was.
In die verwachting kwam in Augustus 1925, juist 1600 jaar na het Concilie van Nicea (325), de groote vergadering in Stockholm, Zweden's hoofdstad, bijeen. Uit zoo goed als alle landen der wereld waren afgevaardigden gezonden. Men vond er blanken en bruinen, vertegenwoordigers van de oudere Kerken in de Westersche wereld en van de jongere Kerken op de Zendingsvelden ; Lutherschen waren er en Calvinisten, Anglicanen en Grieksch-Katholieken, zoodat inderdaad van een wereld-Conferentie kan gesproken worden.
Een van de hoofdfiguren was de nu overleden aartsbisschop van Zweden, dr. Nathan Söderblom, een man, in wien de eenheidsgedachte als het ware belichaamd was. Maar daarnaast traden toch ook b.v. op den voorgrond mannen als Deissmann en Ihmels uit Duitschland en Brown uit Amerika.
Gedurende eenige weken heeft toen deze vergadering van byna alle leidinggevende persoonlijkheden op het gebied van Kerk en godgeleerdheid, zich bezig gehouden met het vraagstuk van het practisch Christendom, waarbij in het centrum stond de kwestie van oorlog en vrede, alsook het rassenvraagstuk en het huwelijksprobleem.
Het getuigenis van Stockholm aan de Kerken is door de vele beraadslagingen een stuk van beteekenis geworden, omdat allerlei dingen die „brandende" kwesties mogen worden genoemd, ter sprake zijn gekomen en van verschillende kanten door bekwame mannen zijn bekeken en daaromtrent het oordeel is gegeven.
Wat is echter gebleken in en door deze Stockholm-Conferentie ?
Dat men de dogmatische, confessioneele kwesties en verschilpunten — en ze zijn vele — niet heeft kunnen wegwerken, ja, wat sterker nog spreekt, dat men ze niet heeft kunnen laten rusten, niet heeft kunnen vermijden. Wat ons geen oogenblik verwonderen mag. Want achter de vragen betreffende de practische houding van het Christendom zitten natuurlijk de diepste geestelijke vragen in betrekking tot het Koninkrijk Gods, aangaande Christus, Gods Woord enz.
Practisch ging men telkens uiteen, omdat men geestelijk zoo enorm van elkaar verschilde !
Om maar één punt te noemen : de Engelschen en de Amerikanen stonden als optimisten tegenover de verwerkelijking van het Koninkrijk Gods in deze wereld, dat als een zuurdeesem zal doorwerken en straks alles zal omvatten over de geheele wereld. De kansen van het Christendom staan prachtig !
Maar b.v. de Duitschers waren veel meer pessimistisch gestemd en stelden die zich veel minder voor van wat wij. Christenen, zouden kunnen tot stand brengen, omdat voor hen het Koninkrijk Gods in de allereerste plaats een rijk is, dat in de toekomst van Jezus Christus te wachten is, als vrucht van Goddelijke genadewerking.
Hier staan de diepere beginselen tegenover elkaar en deze beheerschen ten slotte de vragen van het practisch Christendom en doen ook daar uit elkaar gaan.
Toch is het van de grootste beteekenis te achten, dat in Stockholm zéér ernstig een diepgaande gedachtenwisseling heeft plaats gehad — in broederlijken geest — over de vragen, die het Christendom van dezen tijd bezig houden. En duidelijker kan nu worden gezien en geconstateerd, hoe in de Christelijke wereld van thans de scheidingslijnen loopen, wat de punten zijn, waarin men overeenstemt en waar men uiteengaat. Het inzicht in de werkelijke situatie is verhelderd. De reëele verschillen worden beter gezien en er kan beter nu in eerlijken, broederlijken toon over worden gesproken.
„Practisch Christendom" als een Christendom, dat de dogmatische vragen en de confessioneele verschilpunten veronachtzaamt en voorbijziet is onmogelijk gebleken !
HET ZAAD VAN TWEEDRACHT.
We kennen allen de bekende geschiedenis uit Marcus 2. Daar nemen de discipelen der Farizeën de discipelen van Johannes den Dooper in den arm om Jezus een strik te spannen en Hem te bemoeilijken in Zijn arbeid, door kleinzielige, fitachtige redeneeringen over het al of niet vasten.
Wat is het onverstandig en onnoozel van die discipelen van Johannes den Dooper, dat zij zich laten lokken in dezen strik; want weldra zouden zij gewaar worden, dat het den Farizeën nergens anders om te doen was, dan om den gang van Gods Koninkrijk te bemoeilijken, om den Hei­ land tegen te staan. Wiens heraut en voorlooper Johannes de Dooper was. Het was hun nergens anders om te doen dan een strijd in het leven te roepen tusschen de volgelingen van den Dooper en de volgelingen van den Christus, die toch bij elkaar hoorden. En zij wisten dien strijd te ontlokken op een punt van het vasten ; over welk vasten geen principieel verschil bestond tusschen Johannes en Jezus, die hetzelfde bedoelen, al was de vorm verschillend. Wel lag er principieel verschil op dit punt tusschen de Farizeën en de discipelen van Johannes, omdat immers de Farizeën hun discipelen leerden, dat er aan het vasten iets verdienstelijks toegeschreven moet worden, zoodat die arme misleiden het vasten rekenden te behooren tot de wetsvervulling en die goede werken, waarmee zij eigengerechtig poogden, ja zich metterdaad inbeeldden, den hemel te kunnen verwerven. En zulks was door Gods genade verre, zeer verre van Johannes den Dooper. Zoo iets kwam in zijn hart niet op. En zooiets leerden ook zijn discipelen niet.
Toch is het waar, dat hij, de strenge boetgezant, zijn discipelen ook met betrekking tot het vasten aan zekere regelen onderworpen had. Hij had bepaalde vastendagen verordend en voorschriften gegeven omtrent onthouding van spijs en drank. Zoo lag daar over zijn eigen leven en over dat zijner discipelen een waas van triestigheid, van somberheid. Het leek inderdaad iets op wettische angstvalligheid.
En zoo was er wat den vorm (maar gelukkig alleen maar wat den vorm betreft) aangaat soms wel eenige overeenkomst tusschen hetgeen de discipelen van den Dooper deden en de discipelen van de Farizeën.
Daarvan maakten de vijandige, eigengerechtige, fitachtige, bemoeizieke Farizeën gebruik om de discipelen van Johannes in den arm te nemen, om hen op te zetten tegen de discipelen van Jezus. De Farizeën stookten het vuurtje. En zoo werd het zaad van tweedracht gestrooid, om verdeeldheid te brengen tusschen de jongeren van Johannes den Dooper en de discipelen van den Heiland.
De Heiland trad geheel anders op dan Johannes de Dooper. Hij leefde niet in de woestijn, Hij ging niet gekleed in een harigen boetemantel. Hij at en dronk en versmaadde de zegeningen niet die God op zoo velerlei manier aan de menschen geeft. En zoo was Zijn leven en de levenswijze Zijner discipelen een héél andere dan van den Dooper en zijn jongeren. Er ademde een veel blijmoediger, een veel vrijer geest in den kring van den Heiland en Zijn discipelen; veel vrijer dan in den kring van de Farizeen en in den kring van de jóngeren van Johannes den Dooper ; hoewel de geest des levens bij den Heiland en Zijn kring veel meer overeen kwam met den geest van Johannes den Dooper dan met den geest der Farizeën.
En dan komen de discipelen van den Dooper, op aanstoken van de discipelen der Farizeën, den Heiland en Zijn jongeren lastig vallen en eigenlijk aanklagen, dat zij onbehoorlijk, oneerbiedig handelen ten opzichte van het vasten.
De Heiland schreef Zijn discipelen geen vastendagen voor noch dwong hen tot geheelonthouding. Wel riep Hij hen tot „vasten en bidden", tot zelfverloochening, tot het opnemen van het kruis achter Hem. Maar Hij at en dronk met hen en ging met hen ook bij anderen, om te eten en te drinken. En Zijn kleed was zoo kostbaar en mooi — door de hand der vrouwen, die Hem volgden, gemaakt — dat de ruwe soldaten aan den voet van het kruis het zonde en jammer vonden er ruw mee om te gaan.
Nu komt het stoken van de Farizeën. En de discipelen van Johannes den Dooper gaan er op in. Nu komt er oordeel en veroordeel. En de zorg klimt zóó hoog, dat ze niet langer kunnen en willen zwijgen en ze maken er een „kwestie" van.
Och, arme ! wat zijn er al niet een menigte van kwesties, waaronder men bezwaard gaat en waarover men niet meent te mogen zwijgen en die dan als verschilpunten naar voren gebracht worden en oorzaak worden van verwijt en van verwijdering ; van twist en tweedracht; van uit elkaar gaan en elkaar bestrijden !
Joodsche rabbi's streden er zelfs over, of men een ei, dat op Sabbath gelegd was, wel mocht eten, want de kip had op den Sabbath gearbeid zei de een, terwijl de ander het ei rustig en lustig opat. Christenen hebben die kwestie later zelfs nog overgenomen
Calvijn maakt bij de geschiedenis van Mare. 2 een tweevoudige, treffende opmerking.
Ten eerste, dat dit geval ons leert, op onze hoede te zijn, en alles aan te wenden om te voorkomen dat listige en sluwe menschen de eene of andere kleinigheid tot voorwendsel nemen, om het zaad van tweedracht onder ons te strooien. Want in het leggen van dergelijke lagen toont Satan dat hij een verwonderlijk kunstenaar is : en wat ons aangaat, een nietigheid is soms in staat, ons in beroering te brengen.
Ten andere, zegt hij, waarschuwt ons dit geval, toch niet de geheele wereld te willen schoeien op onze leest. Want dit is een verkeerdheid, die uit eigenzinnigheid en laatdunkendheid voortspruit. Zoo ons iets behaagt of voorkomt goed te zijn. ter­ stond willen wij het tot een wet stellen, om anderen naar ons goeddunken te doen leven. Wij kunnen maar zoo moeilijk aan een ieder zijn behoorlijke vrijheid laten.
Calvijn heeft gelijk. En wij doen wel, zoo wij op deze wenk letten.
Och, waarom moeten we van alles een „kwestie" maken ; en waarom moeten allerlei kwesties „geschilpunten" worden; en waarom moeten allerlei geschilpunten „ruzie" veroorzaken ? Moeten nu alle andere menschen precies gelijk denken en gelijk handelen als wij meenen te moeten doen ? Het zaad van wantrouwen groeit welig. Het zaad van tweedracht draagt vele helsche vruchten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's