VAN DEN WOORDE GODS
Uit het ongeschreven Woord.
Genesis 4:6, 7. En de Heere zeide tot Kaïn : waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen ? Is er niet, indien gij weldoet, verhooging ? en zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijne begeerte is toch tot u en gij zult over hem heerschen.
2e Serie. XIX.
Het gelaat is de spiegel der ziel. Gods schepselen dragen allen in hun uiterlijk verschijnen de merkteekenen hunner ziel. De ziel, die het levensbeginsel in zich draagt, vertolkt zich zelve in de levensvormen, die zij voortbrengt. Dat is zoo in de gansche schepping en in het menschelijk geslacht is het niet anders. Gods Woord leert ons dit ook, als het van Gods Wezen spreekt als van des Heeren aangezicht. Denk slechts aan den hoogepriesterlijken zegen : de Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, de Heere verheffe Zijn aangezicht over u. En zoo bidt de psalmist in Ps. 4:7: verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere". Van dat aangezicht spreekt daar de Heilige Geest, omdat Ach daarin Gods Wezen openbaart. En daarvan bedient Hij zich als van een beeld, omdat ook onder de menschen het aangezicht in de trekken, die het vertoont, spreekt van hetgeen er leeft in des menschen ziel. Het blijkt onder ons, dat de fijnste en teederste roerselen in ons bewustzijn zich weerspiegelen op het gelaat en dat onze wezenstrekken openbaren hetgeen in ons binnenste omgaat. Dit is de vrucht van de eenheid van lichaam en ziel, het bewijs ook zelfs daarvoor, dat er geen grond is om een driedeelig, zooals men gewoonlijk zegt, een trichotomische beschouwing van den mensch te aanvaarden, als was hij niet, zooals Gods Woord leert, de eenheid van lichaam en ziel, maar de optelsom van lichaam, ziel en geest. In den loop der eeuwen is over dit vraagstuk van den oorsprong der ziel veel gestreden, trachtte men te verklaren, hoe het komt, dat ook de geestelijke eigenschappen der ouders overgaan op de kinderen en meende men soms dat daarvoor geen anderen grond kon worden aangenomen dan dat ook de ziel der ouders zich voortplantte in de kinderen. Met name Calvijn heeft zich in zijne bestrijding van pantheïstische speculaties daarover met groote klaarheid uitgesproken en er nadruk op gelegd, dat evenals de engelen ook de zielen der menschen schepselen zijn en dat deze schepping niet is eene overstorting of eene uitvloeiïng van het ééne in het andere, maar het begin van een wezen uit niet. De ziel zoo zegt hij, is een onsterfelijk wezen, dat nochtans geschapen is. Zij is het edelste en wordt ook somtijds geest genoemd. Hoewel in de Schrift de woorden ziel en geest eene verschillende beteekenis hebben, beteekent het woord „geest", als het alleen staat, hetzelfde als „ziel". Daarvoor wijst Calvijn op Pred. 12 : 7, waar gezegd wordt van den mensch, dat het stof wederom tot de aarde keert, als het geweest is en de geest weder tot God keert, die hem gegeven heeft. Ook wijst hij op den Heere Jezus Christus, die Zijnen geest beveelt in de handen Zijns Vaders en op Stephanus, die uitriep; „Heere Jezus! ontvang mijnen geest". Hoezeer dan ook de ziel een wezen heeft van het lichamelijkstoffelijke onderscheiden, is zij in hare eenheid met het stoffelijke, krachtens Gods scheppende daad, de grond der levensverschijnselen. En zoo is het dan ook, dat in de ziel de uitgangen des levens zijn, die zich in het lichamelijk leven openbaren. Daarom heeft hetgeen er in en door de ziel geschiedt, een weerschijn in het lichaam, vertolkt zich dit door haar lichaam.
En ook in Kaïn's verschijnen kon alzoo hetgeen er omging in zijne ziel zich openbaren. In hem brandde het vuur van den haat. Hij werd van ijverzucht jegens zijn broeder verteerd. En God, die het hart aanziet en voor Wien de verborgenste zielsontroering staat in het licht Zijner alwetendheid, wijl voor Hem de duisternis niet verduistert, maar de nacht als de dag kan aanlichten. God kende Kaïn's zielsbestaan en Hij openbaarde aan Kaïn, dat Hem bekend was hetgeen er woelde in zijne ziel. De menschen konden alleen zien, hoe het aangezicht van Kaïn de teekenen droeg van een verval, maar de Heere sprak het voor Kaïn uit, opdat hij nog zou worden ontdekt voor de oorzaak van zijn lijden.
Zoo is er dus reeds van den beginne in het nog ongeschreven Woord van God een licht opgegaan over het menschelijk wezen en leven, waaraan de wetenschap niets heeft kunnen toevoegen en dat zij in hare moderne onderzoekingen slechts heeft kunnen bevestigen. De mensch is de eenheid van lichaam en ziel, zoodat wat in de ziel geschiedt, een parallel verschijnsel heeft in het lichaam. De ziekte der ziel breidt zich dus uit over het lichaam, zooals hetgeen in en door het lichaam geschiedt eene nawerking heeft in ons zielkundig bestaan. Daarom strekt zich dan ook de zaligmakende genade Gods niet slechts over de ziel, maar ook over het lichaam uit en belijdt Gods Kerk, dat in de volkomenheid der verlossing, die in Christus Jezus is, ook de opstanding des vleesches en een eeuwig leven is begrepen. Maar het omgekeerde is niet minder waar. Ook het verderf der ziel strekt zich uit over het lichaam. Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. En nog leert de ervaring in tal van zonden, opgekomen uit de ziel, dat zij hare verwoestende werkingen voortzetten in de slooping van het lichaam, eene slooping, die zich zelfs over geslachten uitbreiden kan.
In Kaïn wordt dus die eenheid des menschen bevestigd. Zijne zonde, in de ziel geboren, deed haren invloed gelden op zijn lichaam, zoodat hij voor God en menschen beide omwandelde met een gelaat, dat in het verval zijner trekken de sporen vertoonde van de innerlijke zedelijke ontwrichting, waarvan hij de prooi was. Maar als nu des Heeren woord hem zijn toestand voorhoudt, hem herinnert aan hetgeen de eigenlijke oorsprong is van het leed, dat hem kwelt, dan zien wij ook, hoe de Heere reeds in den morgenstond der historie tot den mensch heeft gesproken van den weg der redding. Gods woord legt Kaïn neder in zijne zonde, opdat hij zich verootmoedigen zal en de sprake der consciëntie beluisterend tot zichzelven zal komen, tot een stilstand op den weg des verderfs en daardoor tot een wederkeer, tot bekeering tot den levenden God. Daarom wordt er aan toegevoegd de ontdekkende vraag : „Is er niet, indien gij weldoet, verhooging ? " Daardoor wordt reeds geleerd aan Kaïn, dat er een diepgaand onderscheid is tusschen den uitwendigen schijn en de innerlijke waarheid en werkelijkheid. Hier wordt reeds in het ongeschreven Woord verkondigd, dat des Heeren oogen zien naar waarheid in het binnenste en dat niet, als bij de Pharizeeën de uitwendige vormen, maar alleen de innerlijke gezindheid des harten door God wordt aangezien. Immers, ook Kaïn had wel zijn offer gebracht. Daarin was hij niet achtergebleven bij zijn jongeren broeder. Ook hij had van de vrucht des lands genomen om het den Heere te wijden. Uitwendig gezien was er tusschen hem en zijn broeder geen ander onderscheid dan hetgeen volgde uit beider maatschappelijke taak. Kaïn, de landbouwer, was ook in zijn offer de man zijns beroeps, zooals HabeL de schaapherder, zich een schaapherder toonde, toen hij kwam met de eerstgeborene zijner schapen. De vorm was bij beide broeders dezelfde, beide brachten een offer. Toch was er een wezenlijk onderscheid, waarover Gods woord tot Kaïn van den aanvang af het licht doet opgaan en waardoor dezelfde tegenstelling openbaar wordt, die den strijd beheerscht tusschen het slangen-en het vrouwenzaad, waarvan de moederbelofte in het paradijs tot Kaïn's ouders had gewaagd. Hoewel Kaïn een offer had gebracht, daarmede den schijn had aangenomen als vereerde hij den Heere als den Vader der lichten, van Wien alle goede gave nederdaalt, toch had hij niet goed gedaan. Dat wordt hem hier gezegd niet alleen, maar zóó gezegd, alsof het tusschen Kaïn en den Heere zijnen God als bekend verondersteld wordt. Zoo toch spreekt God tot Kaïn, alsof daarin tot Kaïn niet iets gezegd werd, waarvan hij niet. reeds wist. Het verkeerde, het onwezenlijke dus in Kaïn's offer wordt verondersteld, wanneer zonder nadere verklaring tot Kaïn wordt gezegd : „Is er niet, indien gij weldoet, verhooging ? " Heel Kaïn's toestand, zijn innerlijke leed, zooals het zich afspiegelde in de lijdende trekken op zijn gelaat, had voor Kaïn zelven geen naderen uitleg van noode. De Heere spreekt tot Kaïn op eene wijze, die ons leert, dat Kaïn wist, dat hij ook bij het brengen van zijn offer niet recht had gestaan voor Gods aangezicht. Kaïn wist, dat hij niet goed deed. De Heere houdt dus aan Kaïn's consciëntie voor hetgeen Kaïn bekend was. En uit dien zondestaat laat God nu de roep tot bekeering opgaan, opdat Kaïn nog, voordat hij tot zijne misdaad overgaat, tot inkeer komen zal.
Zoo wordt reeds aan den aanvang der geschiedenis in de menschheid een licht ontstoken over de werking der consciëntie, dat ook voor den natuurlijken mensch beteekenis heeft. Het wordt ons geleerd, hoe ook de natuurlijke mensch een geweten in zich omdraagt, hoe ook tot hem de sprake Gods uitgaat in verband met de daden, die hij doet en het leven, dat hij leidt. Het wordt ons hier duidelijk gemaakt, dat er tusschen de menschheid in haar geheel en God den Heere eene natuurlijke betrekking bestaat, die voor de historische ontwikkeling van groot belang is. Ook de natuurlijke mensch offert, omdat ook hij een godsdienstig leven bezit, al is dit dan ook van geheel andere orde dan het leven, waardoor zich Gods volk onderscheidt. Van Kaïn is het hier duidelijk, dat hij, hoewel hij zijn offer bracht, toch niet weldeed. Er ontbrak aan zijne uitwendige daad, die innerlijke gesteldheid, die er het wezenlijke in vormen moest.
Het is merkwaardig dat in den tekst zelf ons dat ontbrekende ware, wezenlijke element der gezindheid niet nader wordt aangeduid. Er wordt ons eene eenvoudige beschrijving gegeven, die ons de twee broeders voorstelt als offerende een offer in overeenstemming met de levenstaak, die zij volbrengen Over hunne persoonlijkheid hooren wij niets. Alleen wordt ons gezegd, dat het onderscheid hierin bestond, dat de Heere Habel en zijn offer aanzag, terwijl Hij Kaïn en zijn offer niet aanzag. In deze teekening wordt ons nu verklaard in Gods vraag tot Kaïn, waarom hij ontstoken en zijn aangezicht vervallen was. Hij had zijn offer gebracht in de gezindheid van de vijandschap en ijverzucht tegenover zijn broeder. En als zoodanig was het Gode niet welgevallig. In zijn offer was niet de stemming, die in het „Onze Vader" ons wordt omschreven in de bede : „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren". Hem ontbrak dus, naar het woord van onzen Catechismus, „dit getuigenis Uwer genade", dat in ons bevonden moet worden, dat wij dus in ons eigen bewustzijn ontwaren moeten, dat ons gansche voornemen is onzen naaste van harte te vergeven. Daarvan kan slechts dan worden gesproken, als wij met onzen God zelven in een verzoenden staat mogen verkeeren. Doch hoe zal zulks anders kunnen dan door eene geloofsgenade, die de Heere zelve in de harten Zijner kinderen werkt ? Dat geloofsgetuigenis had Kaïn niet, en daardoor onderscheidde hij zich van zijn broeder. En daarom spreekt nu de Heere tot hem woorden van ontdekking en wordt in zijn voorbeeld aan de gansche na hem komende menschheid geleerd, dat de oogen des Heeren niet slechts de uitwendige daad, maar de gezindheid des harten aanzien.
Daarmede nu wordt van meet af de ware godsdienst onderscheiden van den vormendienst, die in het heidendom en in alle godsdiensten, die met veelheid van ceremoniën gepaard gaan, - zulk een grooten rol spelen. Het is toch immers een kenmerk van de godsdiensten der volken, dat zij met hun ritueel, dat dikwijls zeer ingewikkeld en samengesteld is, juist aan deze innerlijke gezindheid des harten volkomen vreemd blijven. Alle nadruk wordt gelegd op het tot in de uiterste nauwkeurigheid opvolgen van de voorgeschreven ritueele handelingen, die uit den aard der zaak gepaard kunnen gaan met een hart, dat van de Godheid ten eenenmale is vervreemd en dus ook vervreemd kan zijn van die broederlijke gemeenschap, die in den waren dienst Gods is gegrond. En nu leert ons de Schrift, hoe eeuwen voordat er nog van een heilige Schrift sprake was, in het leven der menschheid reeds dat onderscheid tusschen Gods volk en de kinderen dezer wereld bekend was. Van den beginne verschijnt Kaïn als de man, die geene ware vreeze Gods bezit, hoewel het hem aan uitwendige vroomheid, noch aan ijver ontbrak. En het wordt ons ook in zijn exempel geleerd, hoe ook tot dien mensch Gods woord wel ontdekkend uitgaat, hoe het aan Kaïn wordt verkondigd, dat het niet wel met hem is, dat hij ondanks zijn vleeschelijken ijver niet wel had gedaan, omdat in zijn hart dat ware leven ontbrak, dat Gods kinderen smaken in de gemeenschap met hunnen God. Zoo wordt der menschheid Kaïn het ontroerend voorbeeld van den broederhaat, die wortelt in de vervreemding van den levenden God onder vormen van vroomheid, waarin wel openbaar wordt, dat er een zoeken des Heeren is onder de volkeren, of zij Hem mogen tasten en vinden, maar dat zij Hem niet konden kennen, dewijl hun zielsoog verduisterd werd voor Hem, Wien te kennen alleen het leven is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's