De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

ZWAK-STERK.

7 minuten leestijd

„Gedenk, o Heer, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur; „Het leven is een damp ; de dood wenkt ieder uur;

Ziehier, waarde lezer, 'n paar regels van 'n zeker ook u niet onbekend psalmvers. David zong ze, de Heere leerde 't hem. Hier worden Schepper en schepsel, het vergankelijke en het Onvergankelijke, het zwakke en het Sterke als in één adem genoemd. Liggen ze door en in den val van het Paradijs onmetelijk ver gescheiden, in Christus worden ze weer vereenigd. O, eeuwig wonder der barmhartigheid Gods !
Dat nu de zwakke den Sterke overwint, kan u wellicht bevreemden, ja tegenstrijdig toeschijnen. Immers, de dieren-, planten­ en menschenwereld leeren ons telkens het tegendeel, niet waar ! En toch, is de stelling, dat de zwakke den Sterke overwint ongetwijfeld waar. Hoe zoo ? Ach, vraag 't slechts hen, die in den weg der vrije genade gebracht en geoefend zijnde, met de oude Kerk mogen juichen : „Met mijn God spring ik over 'n muur en loop ik door 'n bende" of volmondig met die des Nieuwen Testaments roemen : „Als ik zwak ben, dan ben ik machtig."
Laat ons dit iets nader zien uit 's Heeren Woord : Psalm 84 ; 6a : „Welgelukzalig is de mensch, wiens sterkte in U i s."
Gods volk heeft een dure roeping hier op aarde. Overgebracht uit de duisternis tot het licht worden zij geroepen tot geloof en gehoorzaamheid ; in en onder alles standvastig en getrouw den Heere aan te kleven ; op het geklank van het Evangelie nauwkeurig acht te geven en die Stem dadelijk op te volgen; in overeenstemming met hun staat te wandelen als kinderen des lichts ; op 's Heeren Naam te vertrouwen ; zich in dien Naam steeds te verblijden ; den strijd aan te binden tegen Satan, zonde en wereld ; onder alle bezwaren, van welken aard dan ook, te zien op den Heere en met onderwerping aan Zijn hoog bestel, op grond van 's Middelaars gerechtigheid van Hem te verwachten, dat Hij op Zijn eigen tijd. Zijn gerechtigheid hun ten goede zal doen gelden en hen uit al hun druk verlossen ! Daartoe is dan ook sterkte van noode.
En, zou David, de maker van onzen psalm, daar niet van geweten hébben! Ach, verstoken als hij is, van 's Heeren dienst in Zijn huis, benijdt hij zelfs redelooze, zwakke schepsels Gods, de musch en de zwaluw. Zijn ziel hongert, dorst, ja bezwijkt van sterk verlangen. En, moge het hert, opgejaagd door den rusteloozen jager, met zijne wonden voortjagen naar de waterbeken, om genezing en lafenis te zoeken, zijn ziel verlangt naar den levenden God !
Rheterfort getuigt van de Samaritaansche vrouw, bij hare ontmoeting met Christus : Zij had Hem eenmaal gezien en kon Hem nooit meer vergeten. Van het uitwendige was Christus bij haar gekomen tot het inwendige, van Sichars waterput tot den ruischenden kuil, tot het modderig slijk in haar, haar hart. Zonde-ontdekkend, maar óók schuldverzoenend handelde Hij met haar, zóó, dat zy, eigen middelen en wegen verlatend, als 'n macht-en krachtelooze haren Medicijnmeester als bedelde om het water des levens, om nimmermeer te dorsten en zich te sterken in haren God !
De zonde verzwakt. Beiden, lichamelijk én geestelijk. David nu heeft in onzen tekst geen lichaamssterkte op het oog. Ook geen gemoedssterkte, die men zich zelf door redeneeringen bezorgen kan. Neen, hij bedoelt geloofssterkte, eene mate van licht en kracht des geloofs, waardoor men puttende uit de volheid des Heeren genade voor genade, in staat is te doen, waartoe Hij roept. Van nature meent en waant de mensch kracht in zichzelven te hebben. Schepselvergoding — vooral in onze dagen —, maar vooral zelfverheerlijking is allerwegen waar te nemen. Wie u ontmoet, is bereid het vernuft, het vermogen des menschen te prijzen. Wat kan de mensch niet! roept men u-in geestvervoering toe. Hij, vindingrijk als hij is, bespot als 't ware de aarde, de lucht, de zee. Licht en vuur en kracht delft hij uit de aarde, den bodem dwingt hij naar zijn lust.
En toch, de arme mensch, die met God niet rekent, beseft niet, hoe diep afhankelijk hij is van de Bron des levens. Zoodra hij wordt stilgehouden op het breede pad ; als zijne oogen geopend worden voor het betamelijke en troostrijke van 's Heeren dienst, meent hij kracht in zichzelven te hebben ontvangen om betamelijk voor den Heere te verkeeren, vertrouwelijk op Zijn getuigenis aan te gaan, het pad van Zijne geboden te houden en, al strijdende èn lijdende met een levendige hope op Hem, te loopen de loopbaan, welke aan ons wordt voorgesteld. Met Israël staande aan den voet van Horeb zegt hij : „naar al wat de Heere gesproken heeft zullen wij doen" en dat blijft zoo, tot de stemme des Heeren hem zegt: „gij zult God niet kunnen dienen ; want Hij is een heilig God."
Eigenaardig, dat de zondaar, zoodra de Heere, de 2e Persoon, Zijn Middelaarshand tot den kleine wendt, om hem onder het recht des Vaders uit te rukken, als 'n vuurbrand uit den vure, de mensch in zijn vreeze grijpt naar en aan 'n verbroken werkverbond. Hij tracht dan te doen, wat hij in het Paradijs, vóór hij in zijn bondshoofd Adam viel, kon doen om eeuwig te leven, maar, helaas, nu niet meer kan of zelfs wil en hem als 'n macht-en krachtelooze dus niets meer overblijft dan eeuwig om te komen. Hij ziet zich in het ontdekkingslicht van 's Heeren Geest nu als Mephiboseth kreupel aan beide voeten ; 'n voet van ongehoorzaamheid en 'n voet van ongeloof. Zoo kan hij dan ook nooit tot Jezus komen. Geen voet om te loopen en geen hand om aan te grijpen. Geen el kan hij tot zijn (levens)lengte, geen nagelstreep tot zijn zaligheid toedoen. En toch „welgelukzalig is de mensch, wiens sterkte in U is !"
Op den noodkreet: „Wat moet ik doen om zalig te worden" wordt geen ander antwoord vernomen dan wat de stokbewaarder kreeg : „Geloof alleenlijk en gij zult zalig worden, gij en uw huis !" Uit de werken der wereld wordt geen ziel gerechtvaardigd, alleen uit het geloof in Jezus Christus en dit is haar sterkte en behoud. Zij zoekt dan ook haar zaligheid niet meer (losgemaakt zijnde van hare banden en boeien des doods, de wet) in zich zelf of in 'n ander schepsel, maar buiten zichzelve, in den 2en Persoon. Zoo zit zij, zal het haar wel zijn, neder in de bediening van het Woord, het gebed en der Sacramenten.
In den Heere is de vastheid van hun staat. Hij heeft hen verkoren. Het verbond, waarin zij zijn ingelaten, rust op onwrikbare zuilen. Gods genade is onberouwelijk. Liefde en trouw gaan bij den Heere hand aan hand. Nooit laat Hij varen de werken Zijner handen. De groote, medelijdende Hoogepriester bidt voor hen, dat hun geloof, hoe ook onder de asch bedolven, nooit ophoude.
Hun geestelijke sterkte, alles, wat zij in het geestelijke vermogen is steeds en telkens van den Heere. Geen last te zwaar, geen leed te drukkend, geen kuil te diep, geen berg te hoog, geen pad te lang, geen tijd te moeilijk, gelijk Paulus in 't geloof roemt: „Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft" of, nog eens, met David : „met mijn God spring ik over een muur, en dring ik door eene bende."
Uit Hem halen zij, als geestelijke ranken uit den waren wijnstok, sap en voedsel tot onderhouding en versterking van hun geestelijk leven.
Van Hem ontvangen zij genade en sterkte, om tegen den duivel, de zonde èn de wereld, dit 3-koppige monster, te kunnen strijden en in Zijne kracht te overwinnen.
In Hem hebben zij alles.
Nevens Hem hebben zij niets in den Hemel en lust hun ook niets op aarde. Hij is hun deel in eeuwigheid.
Zoo leert het zwakke roemen in den Sterke. De tortelduif klaagt dan ook niet langer in de diepte : „Zou God 't weten en mijner gedachtig zijn? !" neen, maar als de lijster zingt de ziel, bij tijden en oogenblikken, opgewekt uit de liefelijke schaduw en verzadigd van de zoete vrucht van haren appelboom, op derzelver top: „Zijn naam moet eer, eeuwig eer ontvangen !"
De Sterke God zal er het zwakke zekerlijk brengen, gedachtig aan wat David toch ook elders de Kerke Gods bevindelijk, ja, gestaltelijk voordraagt:
„Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom, „Uit Uw verheven heiligdom, „Aanbiddelijk Opperwezen ! „'t Is Isrels God, die krachten geeft, „Van Wien het volk zijn sterkte heeft. „Looft God ; elk moet Hem vreezen." —
Emst (Gld.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's