FINANCIËN
Daar zijn weinig zaken, die niet geleden hebben door de geweldige crisis van de laatste Jaren, 't Is zeker een witte raaf — de meeste zien heel zwart. Een groote exceptie is het als ge te hooren krijgt: „het loopt bij mij nog al. Ik kan heelemaal nog niet klagen. Het onderscheid tusschen voorheen en thans is bij mij uiterst gering". Dit zijn hooge uitzonderingen.
Toch kwam me dezer dagen een verslag in handen, waarin vrij duidelijk werd weergegeven, dat daar nog heel weinig van de malaise viel te merken. Wilt ge weten waar dit op sloeg : op het bioscoop-bedrijf. Hier had men nog weinig reden, om een klaagtoon aan te heffen. En dat hier met geen geflatteerde balansen werd gewerkt, geloof ik gaarne. Immers, toen ik voor eenigen tijd me in de hoofdstad des rijks bevond om een vergadering bij te wonen, viel het me op, dat de tram haast niet verder kon, zelfs een oogenblik werd opgehouden door de geweldige menschenmassa, die zich langs de straten verder bewoog. Op de vraag wat hiervan de oorzaak was, gaf de tramconducteur het laconieke antwoord : och, dat is hier de meest gewone zaak van de wereld. De bioscoop gaat uit. Wanneer ik nu zeg, dat dit was op den middag, zoo vat ge mijn verbazing. Welken tijd ge ook noemt, 's middags of 's avonds, altijd is men van succes verzekerd. Zegt dat niet meer dan enkel woorden ? Zoo treurig kunnen de tijdsomstandigheden niet zijn, of voor zulke dingen heeft men nog altijd geld over. Wanneer dan ook eens werden tezamen geteld de sommen, welke worden uitgegeven voor de meest holle genoegens, zoo zoudt ge de handen tezamen slaan, 't Is dan ook wel een teeken des tijds, waarover we ons de vraag hebben te stellen : waar gaat het heen met de wereld onzer dagen ? Van verootmoediging, van nuchterheidszin is zoo goed als niets te merken. Deze is er ongetwijfeld wel bij enkelingen, doch aan de groote massa gaat dit geheel voorbij. Men kan nu eenmaal toch niets aan den loop der dingen veranderen, de benauwdheid behoort nu toch, naar men zegt, tot de verschijnselen van onzen tijd, daartegen mag wel een verzetje worden overgesteld. Zoo luidt de redeneering, ja zouden er niet duizenden zijn in onze dagen, die heelemaal niet meer redeneeren, die zich bij geen enkel ding rekenschap geven van hun doen en laten. Zij volgen enkel en alleen maar de uitspraken van hun eigen natuurlijk hart. Laat ons nog maar zooveel mogelijk genieten, en daarmee uit. De Apostel Paulus haalt een ouden dichtregel aan, als hij het zoo weer geeft: laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij. Wij bewegen ons nog altijd in dezen zelfden vicieusen cirkelgang, alleen met dit verschil, dat men thans zoover is gekomen, dat men desgevraagd zijn eten en drinken er schier aan geeft. Wij willen vroolijk zijn, ziedaar het eenige motief.
Nu is het niet onmogelijk, dat bij meer dan een lezer de gedachte oprijst: och, dit is nu alleen het verderf, dat in de groote steden leeft en tiert.
Zou het waar zijn ? Zou niet deze zelfde geest rondwaren en zich een woning hebben opgeslagen in de kleinere plaatsen ? 'k Vermeen van dit laatste ook bewijzen in overvloed te kunnen aanvoeren. Laat er eens een verzetje, al is het dan ook een samenkomst, waarin besproken zullen worden vraagstukken, welke samenhangen met de treurige omstandigheden van onzen tijd, worden belegd, en ge komt tot ongeveer dezelfde uitkomsten als in de hoofdstad des rijks. Voor een gewone samenkomst in de week, een Bijbellezing, een of andere lezing, voor de Zending, of iets, dat uitsluitend een geestelijk karakter draagt, is de belangstelling zoo gering, dat men zich noodgedwongen tot beperking in dezen ziet genoopt.
Neen gerust, de geestelijke nood waarin de wereld onzer dagen leeft, wordt in het algemeen genomen, niet gevoeld.
En toch is er niets, dat zulk een noodzaak in heeft als juist dit.
De nood n.l. waaronder de heele wereld gebogen gaat, komt niet op zichzelf zich aandienen, maar wordt gezonden door hooger Hand.
God in den hemel laat de meest luide prediking uitgaan : „wendt u naar Mij toe, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer".
Ons Nederlandsche volk wordt in deze dagen ook weer herinnerd aan de dagen van ouds. Het wordt opnieuw geplaatst voor de wonderen Gods in de gave van mannen, die onder Zijn wondere leiding ons volk mochten voorgaan. Ook die dagen waren van benauwenis vol, de meest treurige omstandigheden werden ook toen beleefd, en toch werd er uitkomst verkregen.
Zie, diezelfde God leeft nog, en deze zelfde God wil nog evenzoo aangeroepen worden. En daarvoor dient nu de nood, welke Zijn hand gebiedt.
Laat ons elkander er opmerkzaam op maken, dat deze weg nog altijd open staat. Het gebed is de sleutel van des Hoogsten wondermacht, die gehanteerd wordt door een ziel, die in benauwdheid zucht. De predikers in onze dagen hebben de hooge roeping hierin voor te gaan. Dat de Almachtige in den hemel hen daartoe aangorde steeds meer. Zie, dan levert de nood onzer dagen een Gode verheerlijkende vrucht. Ja, zou dit niet in des Allerhoogsten bedoeling liggen, tegenover de ijdelheden van het natuurlijke leven te stellen den blijvenden zegen van een Gode gewijd leven ?
Nooit weerspiegelt het licht zich duidelijker en is zijn glans schooner dan tegen den donkersten achtergrond.
Dat er een geweldige roeping voor ons ligt staat vast. Geve de Heere maar oogen om te zien en ooren om te hooren.
Thans leggen we ons overzicht van deze week u voor.
1. Ds. Heijer te Vlaardingen zond mij een gift van mej. de B. voor 't Studiefonds ƒ 1, —
Vlaardingen gaat hier voorop, van achteraan komen houden ze daar niet, dat heb ik wel gemerkt, 'k Wou dat we meer zulke gemeenten hadden. Ik zie uit naar wat komen zal.
2. Vanuit Harderwijk zond iemand, die onbekend wenscht te blijven me „ 2.—
Gulden voor het gratis lezen van de Waarheidsvriend. Zie, dit mag ik lijden. Niet alleen dat men ons blad leest, maar ook dat men nog iets geeft voor dit doel.
3. Uit de Evangelisatie „Calvijn" kwam verleden week een gift, nu al weer uit den collectezak kwam thans „ 5.—
4. Voor eenigen tijd vroeg de heer J. V. Klaveren te Leiden mij om een busje. Nu reeds zond hij mij den pracht-inhoud van „ 11.50 Met bijschrift: „de eerstelingen". Nu, ik hoop dat hierop Gods zegen rijkelijk volge. Onzen welgemeenden dank.
5. Onze vriend Th. A. Paber uit Ooster-Nijkerk (Fr.) zond mij, zonder bijschrift „ 13.08
Dit is natuurlijk ook de inhoud van een busje. Deze gift heeft ons ook blijde gestemd. Friesland moge op eenigen afstand van het centrum van ons land liggen, het leeft toch met het geheel mee. Wij houden ons ten zeerste aanbevolen.
6. Eigen gemeente blijft gelukkig niet achter. Haast eiken Zondag schudden de mannen, die den zak hanteeren, een papiertje uit met het opschrift : „voor onze fondsen". Nu weer kwam uit den collectezak van de Janskerk „ 20.—
7. Uit den collectezak te Renkum kwam dit keer voor 't Studiefonds „ 1.—
8. Door ds. v. Dorssen te Nieuw-Beijerland werden me toegezonden twee giften, een uit de catechisatiebus ƒ3.50 en ƒ1.50 van N. N. voor 't Studiefonds „ 5.—
9. Te Vreeswijk werd dezer dagen een spreekbeurt gehouden, waar voorging ds. Steenbeek van Oudewater. De opbrengst was „ 26.25
10. De gemeente van de Bilt geeft in den laatsten tijd ook telkens teekenen van warm medeleven. Nu weer werd me toegezonden 2 gld. van M. G. V. L. vanwege het bedanken van ds. de Geus en 3 gld. uit den spaarpot van N. N., samen „ 5.50
11. Door ds. Remme van Amsterdam werd me de inhoud toegezonden van een tweetal busjes, n.l. van den heer E. ƒ8.97, van mej. V. ƒ7.60, en een gift van N. N. van ƒ5.—, samen „ 21.57 Ook deze levensblijken van onze vrienden in Amsterdam deden ons recht goed.
Wij willen ons klaar maken voor meerdere aanvraag om busjes.
12. Uit Feijenoord zond onze vriend J. Bot ons een tweetal giften, n.l. door bemiddeling van ds. Kijftenbelt ontvangen van mej. W. S. ƒ 2.50 voor 't Leerstoelfonds en ƒ1.— voor het Studiefonds, onder letter H.A. samen „ 3.50
13. Te Hillegersberg is een spreekbeurt gehouden, waarbij voorging ds. V. d. Berg van Amersfoort. De opbrengst en ƒ5.— uit de Bondskas was „ 28.05
Wij zijn de vrienden ook daar dankbaar.
14. Van de spreekbeurten werd me teruggezonden als honorarium „ 15.—
15. Bij mij aan huis werd bezorgd 25 gulden, uit dankbaarheid voor de weldadigheden des Heeren, hem en het zijne bewezen gedurende hun 25-jarige echtvereeniging „ 25.—
16. Mijn sluitstuk is dezen keer een schitterende collecte uit Oud-Beijerland. Hier heeft ons oud-medebestuurslid van den Geref. Bond, ds. P. van Toorn van Rotterdam een ': spreekbeurt geleid. De collecte bedroeg „120.-,
Zulke bedragen komen in den laatsten tijd te zelden binnen, om niet op te vallen. Onze Beijerlandsche vrienden weten wat er noodig is, en zij hebben het ons getoond, dat zij in onze zorgen deelen. We danken allen ten zeerste en zijn verblijd. Dezen keer bedroeg de totaalsom f 303.45.
Utrecht.
Ds. J. GOSLINGA,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1933
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's