De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

10 minuten leestijd

DE EENHEIDSBEWEGING DER KERKEN (III).
Te Stockholm in 1925 is duidelijk geworden: dat practische samenwerking tot leniging van den nood onzer wereld een basis van werkelijke geloofsgemeenschap vereischt. Men had gemeend, dat die geloofsgemeenschap, die éénheid in belijden niet strikt noodzakelijk was, dat éénheid in „broederlijke liefde" voldoende was, om het voorgestelde doel te bereiken, maar het is duidelijk gebleken, dat die meening verkeerd is geweest. Want laat het waar zijn, dat de liefde de meeste is, die liefde onderstelt toch altijd het geloof; en daarom zal men in het geloof eerst elkaar moeten verstaan, eer men in liefde samen aan den arbeid kan krijgen.
Daarom is toen op Stockholm (1925) gevolgd de Conferentie te Lausanne in Augustus 1927. Had Stockholm zich beperkt tot de practische vragen, deze Conferentie besprak de twee belangrijkste kwesties van geloof en Kerkinrichting.

De actie daarvoor is uitgegaan van Amerika. Daar telt men op het oogenbllk ongeveer 150 Kerkgenootschappen. Welnu, juist deze overmaat deed te sterker verlangen naar éénheid. Vanaf 1910 is voor dat ideaal gewerkt — toen de oorlog van 1914 des te scherper het licht op de verdeeldheid der Kerken kwam werpen. Men zocht intusschen contact met de verschillende Christelijke Kerken in de oude en nieuwe wereld. En behoudens de Roomsche Kerk vond men in 1927 haast al de groote Kerkengroepen in Amerika en Em-opa bereid bij elkaar te komen en te onderhandelen.
Het was te Lausanne een vergadering, die in haar samenstelling veel geleek op Stockholm. Alleen, de Indische Kerken waren nog sterker vertegenwoordigd, wat zich wel laat verstaan uit de omstandigheid, dat men in Indië staat tegenover 't overmachtig heidendom en daar méér nog dan in het Westen voelt den jammerlijken invloed van de Kerkelijke verdeeldheid en de dringende noodzakelijkheid van niet alleen een geestelijk, maar óók 'n Kerkelijk eenheidsfront.
En tevens was de Conferentie algemeen meer rechtzinnig georiënteerd. Zij sprak uitdrukkelijk uit, dat ze zich wilde baseeren op de onderstellingen van het Kerkelijke, Catholieke Christendom, bepaaldelijk op de belijdenis van de Godheid van Christus en de Drieëenheid. Wie dus consequent modernisten waren, konden niet meewerken, al ontbrak, omdat het modernisme nu eenmaal niet altijd consequent Is, dit element in Lausanne toch niet geheel.De
Hollandsche Gereformeerden waren niet vertegenwoordigd. Wel waren er talrijke Gereformeerden uit Schotland, Amerika en Zwitserland.
Langs welken weg stelde men zich nu echter de verwerkelijking van 't eenheidsideaal voor ?
De Grieksch-Orthodoxen b.v. meenden, dat het nog wel mogelijk was, om terug te eer en tot de ééne ongedeelde Christelijke werk op den grondslag van de Apostolische geloofsbelijdenis. Maar verreweg de meerderheid zag het in, dat de verschillen in elijdenis en Kerkinrichting te diep ingrijpen en te zeer in de geheele historie geworteld zijn, dan dat die zóó maar in eens ouden kunnen worden ultgewischt. Ook zou het beslist een achteruitgang zijn om nu terug te keeren tot de Apostolische Geloofsbelijdenis en net te doen, alsof er dogmatisch niets gebeurd is in de 17 eeuwen die sinds zijn voorbijgegaan. Elert, een van de voornaamste Duitsche Godgeleerden in Lausanne, de bekende schrijver van „Der Kampf um das Christentum" noemde deze gedachte, van terugkeer tot de oorspronkelijke eenheid, een utopie, een hersenschim. Men kan maar niet net doen alsof er niets gebeurd is en de klok kan zoo maar niet eeuwen en eeuwen achteruit gezet worden.
Daarom oordeelde men over 't algemeen, dat in een andere richting de oplossing moet worden gezocht. Men mag eenerzijds niet alles „betrekkelijk" maken in zake de verschilpunten, men moest waken voor den geest van het relativisme, dat ontkent dat er volstrekte tegenstellingen zijn op religieus terrein. Maar dat mag ons toch anderzijds niet de oogen doen sluiten voor de werkelijkheid, dat onze voorstellingen en formuleeringen en meeningen zooveel menschelijks en zooveel gebrekkigs hebben. En zoo zal er bij geestelijke eenheid altijd onder menschen, hier op aarde, verscheidenheid zijn en blijven, verschil in type en mentaliteit. De Goddelijke genade wordt in deze wereld alleen gezien in de straalbreking van allerlei aard en verscheidenheid der menschen en der kerken. In het Koninkrijk Gods heeft elke tijd en elke groep zijn eigen taak en waarde; en de catholiciteit, de algemeenheid van Kerk en Christendom bestaat hierin, dat elk op zijne wijze deel heeft aan het geheel, dat grooter is dan hij.
En juist in dien geest achtte men nu verwerkelijking van de eenheidsgedachte mogelijk, gelijk men het in den oproep tot eenheid, die van de Conferentie uitging, verklaarde : „God wil eenheid. Hoezeer wij het begin der oneenigheid mogen rechtvaardigen, wij betreuren het voortduren ervan en moeten daarom in berouw en geloof ons inspannen om onze gebroken muren op te bouwen, "

DE GELOOFSFORMULEERING VAN HET MODERNISME.
De Modernen zijn altijd scherp geweest in 't becritiseeren, verwerpen, afbreken van de geloofsstukken der orthodoxie. Ze hebben zich altijd scherp gekant tegen de belijdenis der Kerk. Met, konden ze zich vereenigen. Ze was geen enkel dogma konden ze zich verenigen. Ze waren overal tegen. En waar zè konden, hebben ze afgebroken, wat van ouds, overeenkomstig Gods Woord en Waarheid, onder ons werd geloofd en beleden.
Maar wat gelooven de Modernen nu zelf ? Wat zijn hun dogma's, leerstukken, geloofsstukken ?
Ze hebben wel altijd beweerd, dat ze geen dogma's hebben.
Maar die hebben ze natuurlijk wel. Ze hebben wel degelijk hun „meening, " inzake de religieuse dingen. Ze hebben 'n „dogma" in betrekking tot God en Christus; in betrekking tot de schepping, de zonde, de verlossing ; inzake Kerk en Sacrament, hemel en hel enz. Natuurlijk! Daar kan een mensch niet buiten. De attheist heeft er z'n meening over, de materialist, de pantheist — ook het mddernisme naast en in tegenstelling van de rechtzinnige belijdenis der Kerk. Dikwijls zeer scherp zich richtend tegen de rechtzinnige leer.
Het Modernisme zelf begint behoefte te krijgen, om de eigen geloofsovertuiging en belijdenis onder woorden te brengen. Men wil 't gaan omschrijven, formuleeren, uiteenzetten. En zoo hebben we den laatsten tijd telkens éën proeve gekregen, dan van den een en dan van den ander, om een moderne geloofsbelijdenis op te stellen, opdat vriend en vijand zou kunnen lezen en hooren, wat het Modernisme gelooft en leert. Hoe het Modernisme „formuleert" inzake het geloof.
Dr. C. E. Hooykaas heeft onlangs een boekje geschreven: „Tien hoofdpunten van ons geloof". Dat was op verzoek van den Ned. Protestantenbond. Natuurlijk schreef Dr. Hooykaas „voor algeheele verantwoordelijkheid van den schrijver". Maar het was toch in opdracht van de Commissie voor de geschriften van den Ned. Protestantenbond en de uitgave door die Commissie bewijst, dat er in deze toch wel eenige gemeenschap in het gelooven en belijden is geweest tusschen de leden van het Bestuur en den schrijver. Het boekje van Dr. Hooykaas bestaat uit twee deelen : de zielkundige inhoud en de dogmatische uitbeelding. En in dat tweede of dogmatische deel wor'dt dan gehandeld over : „God onze Schepper, onze hemelsche Vader, Gods trouw. God onze Heer en God in de menschheid."
Voor ons is en blijft dat geschriftje van Dr. Hooykaas vaag, onbestemd, onduidelijk.
Maar dat zal wel aan ons liggen. Hoewel we toch ook vermoeden, dat het Modernisme aan dat vage, onbestemde, onduidelijke behoefte heeft, 't Komt 'uit het wezen van het Modernisme Voort. Maar — het voldoet toch niet. Men is er blijkbaar zelf ook niet mee tevree. En zoo verschijnt nu de eene geloofsbelijdenis na de andere in den kring der Modernen — gelijk er nu pas wéér een is opgesteld.
Prof. Roessingh, jong gestorven hoogleeraar te Leiden, is een figuur van beteekenis geweest onder de Modernen. Zijn optreden, onderwijs, spreken, schrijven heeft indruk gemaakt. En het schijnt, dat er een kring van jongeren is, die zich „Werkverband Roessingh" noemt en geregeld samenkomt om over zaken betrekking hebbend op 't geloof samen te spreken. Deze kring heeft nu opgesteld een gemeenschappelijke geloofsbelijdenis op vrijzinnig protestantschen grondslag, welke niet anders bedoelt te zijn „dan een bescheiden bijdrage om de reeds op vrijzinnig Protestantschen bodem begonnen arbeid der geloofsformuleering te ondersteunen."
Deze geloofsformuleering — inderdaad iets merkwaardigs in den kring van het Modernisme — is ingedeeld in vijf paragrafen en handelt over God — Openbaring— Jezus Christus — De nieuwe mensch — Het Koninkrijk Gods. Zij luidt aldus :
God.
Wij gelooven in God ; den Schepper en Onderhouder van alle dingen, zienlijke en onzienlijke, die in en door zichzelf bestaat, eeuwig en alomtegenwoordig ; den Almachtige, wiens heerschappij gaat over alles, zoodat buiten Zijn wil niets geschiedt of bestaat, die alles doet naar Zijn ondoorgrondelijk welbehagen; den Heilige, voor wiens oordeel niets, wat onheilig is, stand kan honden ; den Vader, wiens wezen liefde is, waarin ook wij door genade zijn opgenomen.
Openbaring.
Wij gelooven, dat God verborgen is, zoodat uit eigen kracht geen mensch Hem vermag te kennen, maar tevens, dat Hij zich openbaart. Hij openbaart zich aan alle tijden en alle volken; zoodat Zijn openbaring nimmer aan eenig heilig schriftuur, eenige leer of eenig ambt zoodanig mag worden verbonden geacht, dat iemand verhinderd zou worden Zijn levend Woord te verstaan. Wij gelooven, dat God zich openbaart zoowel door het innerlijke licht, alsook in de natuur door het wonder der schepping, bovenal in het geheimenis van het leven ; in den mensch door het wonder der persoonlijkheid, bovenal in de geheimenis
der ziel, in de geschiedenis, bovenal in den opbouw der cultuur, waarvan het godsdienstig-zedelijk leven de kern is. Maar de volheid Zijner Openbaring, die elke andere openbaring vervult en te boven gaat, schenkt God in Jezus Christus.
Jezus Christus.
Wij gelooven in Jezus Christus. Wij kennen Hem uit den bijbel en uit het Christelijk geloofsleven van verleden en heden, waarbij wij de methode en de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ten volle aanvaarden. Jezus Christus is voor ons; de gestalte, in wien wij de heerlijkheid des Vaders aanschouwen, het licht der wereld, waarin wij de waarheid Gods ontvangen, de heilige macht, die mensch en menschheid voert op den weg van den goddelijken wil. God openbaart ons de diepten van Zijn oordeel en den rijkdom Zijner liefde nergens zoo klaar als in het evangelie van hem, wiens leven en prediking, wiens kruis en overwinning verlossende kracht zijn voor mensch en gemeenschap.
De nieuwe mensch.
Wij gelooven, dat God door de kracht van Zijn Heiligen Geest den mensch vernieuwt. Wij belijden, dat wij allen, zelfs bij ons beste streven, deze vernieuwing van noöde hebben en zonder haar het leven, waartoe God ons roept, niet vinden. Wanneer wij het goddelijk oordeel over ons leven aanvaarden, onze zonde als schuld tegenover God erkennen. Zijn vergevende liefde ervaren en de richting van ons leven in gehoorzaamheid en vertrouwen willen zoeken, dan hebben wij het nieuwe leven in beginsel ontvangen. Dit nieuwe leven is het eeuwige leven; het is de vrijheid, de blijdschap en de liefde van het kindschap Gods,
het is de kracht, de arbeid en het getuigenis in de wereld, het is het leven, het sterven en de toekomst in God.
Het koninkrijk Gods.
Wij gelooven in de komst van een heilige orde en gemeenschap; het Koninkrijk Gods, dat in Jezus Christus is geopenbaard. Wij weten, dat dit rijk niet door menschen zal worden verwerkelijkt, maar wij gelooven, dat God hen roept om het voor te bereiden. Dit houdt in : het dienen van Zijn Kerk, die de gemeenschap der geloovigen is en de draagster en verkondigster van het Godswoord in leven en wereld ; en de arbeid aan de samenleving, waarin de doorwerking der Christelijke waarheid de vernieuwing zal brengen, waar de menschheid naar hongert en dorst. Wij gelooven en Verwachten, dat God aan het einde der tijden Zijn "oordeel zal voleinden en Zijn Koninkrijk zal doen komen als laatste en hoogste verwerkelijking van Zijn heiligheid en liefde. Dan zal Hij zijn alles in allen.
Wij willen gaarne in een volgend artikel over deze merkwaardige geloofsbelijdenis en geloofsformuleering een paar opmerkingen maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's