De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JONKER VAN STERRENBURGH

Een verhaal uit het Friesche volksleven

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok te Kampen
Na een korte mededeeling over het verband, waarin dit woord des Heilands voorkomt, is het onderwerp van de prediking, dat de weg tot het leven voert door den dood, en dat uit het verlies van zich zelven eeuwige winste geboren wordt. Zoo is het gegaan in het eigen leven van den Christus Gods, die Zlch gaf tot in de diepste vernedering en versmading en de angsten der Godsverlatenheid, om zoo uit de donkere diepte des doods een gemeente te doen opkomen, welke eenmaal als Zijn Bruid zonder vlek en rimpel voor Hem gesteld zal worden, om met Hem te deelen in Zijne heerlijkheid, — zoo gaat het, zoo moet het gaan met allen, die het leven en de onverderfelijkheid zullen beërven. Dóór den dood tót het leven. Weg-zinken, weg-teren, totdat zij zelven niét meer zijn, om dan uit de diepte des doods en de ledigheid van het eigen graf de onvergankelijkheid, 't eeuwige leven te verkrijgen. Zooals in den donkeren moederschoot 't oude versterft, waaruit het nieuwe leven, dat te zijner tijd tot openbaring komt, een aanvang neemt, zoo is ook het graf, waarin de oude mensch ten onder gaat, de voorwaarde , en teevens de profetie van den nieuwen mensch, die naar God geschapen wordt. Een weg van lijden en strijd ; een weg van zelfverloochening en kruisdragen ; een weg van vernedering en ondergang, een weg van afbreken en altijd minder worden, maar waardoor men komt tot de blijde geloofservarinlg, dat het leven Gods in de ziel tot wasdom komt, en uit de onvruchtbaarheid van eigen bestaan de heerlijke vruchten van den arbeid des Geestes tot openbaring komen. Totdat eens, als het beeld Gods klaar is en overgebracht kan worden naar het hemelsch vaderland, in eindelooze triumf de goedertlerenheden des Heeren gestaakt zullen worden. En gelijk de zaaier, als hij uitgaat óm te zaaien, dit doet al gaande en weenende, zoo zal hij, die aldus in zich zelf wordt afgebroken, ook als dezen wederkomen met gejuich, dragende zijne schoven. Want, indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alleen, maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort.
„Ten slotte is het maar de groote vraag, mijne Geliefden, " — aldus Ds. Feurman — „of wij door de genade des Geestes in Gods kracht de dooding van eigen leven aandurven. Of wij ons zelven verliezen, ons leven willen verliezen, alles dus willen verliezen. Of wij ons zelven willen wegwerpen ter dooding, gelijk het tarwegraan in de zwarte aardkluiten ter dooding wordt weggeworpen, doch om zoo hét eeuwige leven te gewinnen. Wie dit verstaan heeft, die heeft de bedoeling Gods gegrepen, waar Hij zichzelven ter ontleediging gaf In de vleeschwording des Woords en mag het in blijden jubel den grooten kruisgezant nazeggen : ,, ik leef, doch niet meer ik ; Christus leeft in mij." Dan hoort alles, wat aan ons is en in ons is, den Heer. Dan is het onze hartstocht geworden bij de dooding van eigen lust en begeerte, dat Hij met lichaam, ziel en geest verheerlijkt worde, dan : gaat heel het hart en heel het verstand en alle kracht naar Hem uit. Dan geven wij ons met al het onze vrijwillig, blijmoedig-, dankbaar, Hem ten offer, Wien alles behoort, omdat wij Hem geheel behooren, en dan kan Abraham zijn Izaak, en Jakob zijn Jozef overgeven. Dan wordt het altijd wéér : wien heb ik nevens U in de hemelen ? Nevens U lukt mij ook niets op de aarde. Bezwijkt ook mijn vleesch en hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid.
Maar daarentegen : wee degenen, die als liefhebbers van zichzelven, ih het begeeren van eigen lust, willen vasthouden wat ter doodlng moet gewijd. Straks komt de ure waarin zij met het hunne alleen blijven staan en dat nog niet eens, maar waarin hetgeen zij meenen te hebben, hun ontvalt, omdat het geen eeuwtge kracht in zich heeft en uit de aarde aandsch was. Ongeheiligd, onbevrucht, daarom niets dan den dood in zich omdragend ; daarom ondergaande in de donkerheid van de duisternis der eeuwigheid. Daarom komt de roepstem tot allen, die leven in den dag des Heils, in het aangename jaar van het welbehagen des Heeren, dat zij acht zullen geven op het Woord des levens, 't welk tot hen komt, opdat zij één plante mogen worden met Hem, die hun al het hunne ontneemt, maar om dan Zijn levesvolheid aan hen mede te deelen, en in hen te doen overstroomen. Wat kiest gij ? Den dood of het leven ? Eeuwig verlies of eeuwige winst ? Welzalig hij, wiens leven met Christus verborgen werd in God ! Amen."
Daar zijn er onder de kerkgangers, voor wie de prediking van ds. Feurman vaak te diep gaat, maar die desniettegenstaande toch gevoelen, dat het de zuivere waarheid is, die verkondigd wordt. Daar zijn er ook, die hem heel goed kunnen volgen, als hij de verborgenheid der Godzaligheid zoekt aan het licht te brengen, en zijn hoorders tracht in te leiden in de diepten der wegen Gods. Die inzonderheid dan zoo genieten, als hij spreekt over de eenheid van Gods kinderen met hun verheerlijkt Hoofd, Wien zij Voor eeuwig toebehooren, als zij eenmaal een leevende rank van den waren Wijnstok mochten worden.
Vrouw Mollema b.v. en Anneke vergeten alles om zich heen, als dominé zoo preekt en hangen aan zijn lippen. Ook Jap is enkel aandacht en luistert met inspanning. Het is, alsof deze preek op haar gemunt is. Zij gevoelt het zóó, dat het dien kant uit moet als de dominé zegt, en dat dan desnoods alles moet worden opgegeven, om Christus en hét eeuwige leven te gewinnen; maar tevens hoe zwaar het valt, vooral als er iets is, dat men liefheeft boven Hem.
En in de hooge, adellijke bank zit Jonker Van Sterrenburgh roerloos, eenigszins ineengedoken, als in diepe gedachten verzonken. Precies zoo, gelijk wij hem in zijn bibliotheek zagen toen hij de groote levensvragen overwoog, om tot de rust voor zijn ziel te komen.
Ja juist, dat heeft hij al lang voelen aankomen, dat het daarom gaat in den godsdienst, in heel het religieuze leven. God of de mensch. De Geest of het vleesch. De genade of de natuur, en dan niet in die ellendige halfheid, waardoor van het hooge en heilige vaak een caricatuur, een bespotting, een paskwil gemaakt wordt, maar dan geheel, volkomen, met de vernietiging van zich zelven, met de overgave van vleesch en bloed, met de dooding der leden, die op de aarde zijn. Dat het is, dat het worden moet, altijd meer, altijd dieper, alles of niets. Dat het Christelijk leven niet bestaat in het godsdienstig zijn, of het uitspreken eener belijdenis, maar dat het is een hartezaak, die héél den mensch opeischt.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

JONKER VAN STERRENBURGH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's