De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

AL WIE GEBETEN IS.

9 minuten leestijd

En de Heere zeide tot Mozes : Maak u een vurige slang en stel ze op een stang en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zoo zal hij leven. Numeri 21 vers 8.

Dit verlossing aanbrengende woord verplaats ons een oogenblik te midden van de woestijnreize van 't volk des Heeren, Israël. Door 's Heeren machtigen arm uit het land der duistere dwingelandij bevrijd, kwam 't volk tot opstand. Murmureering over Zijn leidingen. Gods zegeningen en weldaden werden Hem als 't ware in 't aangezicht geworpen. Vergeet nooit een van Zijn weldadigheden, vergeet ze niet, 't is God die ze u bewees, was voor hen een klank zonder inhoud geworden. En daarom zond de Heere God Zijn wederspannig en hardhoorig volk Zijn straffen toe, vurige slangen, wier beet doodelijk was. Welk een ongekende tuchtiging. Overal buiten en in de tenten sluipende en loerende, dreigende slangen, die met hun angel vol doodelijk venijn konden treffen. Te weten, slechts één beet, en ik ben een kind des doods. En waar men ook vluchtte, overal dreigde het oordeel Gods. Spelende kinderen, temidden van hun vreugde, getroffen ten doode, sterke mannen, ze worstelen en strijden en wringen het ten doode gebeten lichaam, maar 't baatte niet, onmachtig liggen de handen en armen, die wellicht straks nog ten hemel zich balden, die voor een wijl nog 't brood van hun God als waardeloos wegwierpen, star en stijf stonden mond en lippen, die een walging dorsten opzenden voor 't oor van Jehova. Overal werd beluisterd geklag en geween ; moeders, der wanhoop nabij, wijl zelve getroffen, zagen haar kroost worstelen met den dood. En zie, daar vluchtte 't volk, vernederd en geslagen onder de machtige hand Gods, tot Mozes, hun leidsman, hun voorbidder. En voor mijn geest zie ik daar die machtige Godsman staan te midden van zijn ten doode gebeten volk, eenerzijds onverbiddelijk, wijl het de eere Gods betreft, maar ook ter anderer zijde diep geroerd en gewond in zijn harte over dat ontzettend lijden en die doodssmarten van zijn volk. Aan alle zijden naar hem uitgestoken handen ter redding, smeekbeden om hulp.
En zie, oogenblik om nooit te vergeten, te midden van die roepende, smeekende, ten doode gedoemde kinderen van zijn volk, die machtige Godsman, hij knielt neder en zendt zijn smeekbede op voor zijn arm en ellendig volk voor den troon der genade, voor 't oor van zijn Bondsgod. De middelaar des Ouden Verbonds, temidden van zijn ten doode gedoemd volk, dragend op zijn lippen de smeekbede : Keer weder, Heere, het berouwe U over Uw eigen volk. En God liet zich verbidden. Welk een God heeft toch Zijn eigen volk ! Getrapt, veracht, vernederd, verworpen, een walging van Zijn gave, en toch wil Hij in Zijn groote genade nog met zulk een volk te doen hebben. O, was er niet alle reden voor, dat de Heere God zeide : gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid, in 't eeuwige vuur dat den duivel en zijn engelen bereid is. Maar neen. God de Heere wil zich weder ontfermen, schoon lang getergd, o God, wat zijt Gij wonderbaarlijk genadig. Hij keert terug. Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten, dat ze stof van jongs af zijn geweest. En daarom luistert Hij naar 't gebed, van Mozes, den man Gods, en geeft het reddende middel, de koperen slang, en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij ze aanziet, zoo zal hij leven. Al wie gebeten is ten doode, opzien naar het door God zelve, door middel van Zijn knecht opgerichte teeken. Al wie gebeten is, ontzettend beeld van wat Gods Woord ons reeds leert op de eerste bladzijde van Zijn onfeilbaar woord. Gebeten door die oude slang, die met zijn beet ten doode zijn hellegif in 's menschen hart heeft uitgestort. Daar ligt de ontzettende oorsprong, dat er thans een menschdom is gebeten ten doode in al zijn geledingen en geslachten.
Gebeten ten doode, dat is de bittere tijding die doorgaat door alle eeuwen heen. Groot en klein, arm en rijk, hoog en laag, koning en bedelaar, gebeten ten doode. En ontzettende gedachte, die vooral heden ten dage in haar meest schrikbare gevolgen tot uiting komt. De mensch is gebeten ten doode en bijt ten doode. En ik denk hier maar een oogenblik aan dat doodelijke woord van Paulus. Uit het hart des menschen komen voort De dood zit er in ! En alles wat uit dat hart van nature komt, elk woord, gedachte, handeling, het vergif ten doode zit er in.
En dat wil men tegenwoordig niet meer hooren, dat die natuurlijke mensch de dood in zich draagt. Die brave mensch, die vrome mensch, die eigengerechtige mensch, die machtige mensch in zijn kannen en kennen. O mensch, gij moet het toch erkennen, al zult ge dat wellicht onder andere woorden brengen, maar erkennen moet ge het, gebeten ten doode ben ik. Als straks de doodsklokken voor u luiden uw somber uitvaartslied, de bezoldiging der zonde, (slangenvergif) is de dood. En als straks uw ziel ligt te worstelen in den poel des verderfs, dan moet ge het erkennen, maar te laat, gebeten ten doode.
Al wie gebeten is, ja Gods Woord heeft gelijk, ons hart is van nature de schuilplaats van die oude slang, gebeten en bijtend ten doode. Ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Ik denk een oogenblik aan Rusland, hoe men daar bezig is God dood te bijten door slangenvergif. Alles wordt maar uitgebroed in dat slangenhart om den Heere God ten doode te doemen en straks uit te jubelen : God is dood, leve de mensch.
Al wie gebeten is. Wij gaan op naar Goeden Vrijdag. Zie wij gaan op naar Jeruzalem. En wederom zal op deze ten doode vergiftigde wereld, te midden van dit ten doode vergiftigde menschdom, het woord der uitredding weerklinken : En gelijk Mozes de slang in de woestijn Verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar 't eeuwige leven hetobe. Welk een verhooging, welk een vernedering, de Heiland hangend onder 't beeld van een slang. Aan 't kruis der vervloeking. Gods eigen Zoon !
Maar die ten doode vergiftigde wereld heeft Hem niet gekend, en nog is het oordeel hetzelfde. Nog werpt de wereld dien Kruiseling Gods uit, nog schampert de wereld : wat hebben wij met U te doen ? Nog Is dat kruis een ergernis, nog is verzoening een dwaasheid. Al wie gebeten is! Gode zij dank voor Zijn ondoorgrondelijke genade, dat er in deze groote ten doode vergiftigde wereld een volk is, dat door Gods genade mag weten, dat het ten doode gebeten is. Dat er bij hen geen redding, geen uitkomst, geen hulpe, geen raad is. Dat geleerd heeft te midden van zijn worsteling en strijd, nood en dood, dagelijks zijn geloof sblik te richten op 't kruis der verzoening, op dat door God zelve opgerichte teeken. Die 't mag gelooven, o mijn Heiland, al dat vergif ten doode hebt Gij opgenomen in Uw Hoogepriesterlijk hart. Gij zijt tot zonde gemaakt voor mij. In dien weg van vernederende verhooging hebt Gij mij den weg der zaligheid geopend. Zie, dat volk, dat moedigt elkander aan. Zie wij gaan op naar Jeruzalem, klagend : mijn zonden, mijn zonden, maar toch ook wederom vol zielevreugde, wijl straks met vernieuwden glans dat Kruis-Evangelie zal weerklinken : al wie gebeten is, zoo hij zal opzien naar 't Kruis, hij zal leven, ja leven tot in eeuwigheid.
En als dan straks de Paaschklokken noodigend beieren over de landouwen, het alomme vertolken : de Heere is waarlijk opgestaan, en lichtende Engelen wijzen op de ledige plaats in 't graf, dan is er een juichen in 't hart van allen die de Zijnen zijn over het groote werk Zijner genade voor Zijn Bondsvolk gewrocht. Een jubelen, dat het gebeten zijn ten doode is verslonden ter overwinning en een zich vastklemmen aan 't woord van hun Koning : Ik leef, en gij zult leven.
Al wie gebeten is. Zouden mijn zonden niet te groot zijn, vraagt wellicht een angstvallige ziel. Zoolang al de wereld gediend, en de zonde gediend, gevolgd, zou er voor mij nog uitkomst zijn ? Al wie gebeten is. God genadig vraagt niet naar 't hoelange ; of hoeveel; hoort dat bemoedigende en vertroostende profetenwoord : Al waren uwe zonden bergen hoog, al was uw levenskleed scharlakenrood, de blik des geloofs, op 't Kruis, op uw Borg, op uw Middelaar. Schenke de Heere God u dien blik des geloofs door Zijne genade, opdat ge Hem moogt kennen die uw gif ten doode heeft opgevangen in Zijn Heilandsharte. en over uwe kranke ziele het machtwoord wil spreken : Ik wil, word genezen.
Al wie gebeten is, mijn jonge lezers, het gif der zonde is Satan vooral tegenwoordig op allerlei wijze bezig in uw jonge hart te strooien. Moge ook gij met de nooden, den strijd, zonden van uwe jonge harten. Hem uw Middelaar en Verlosser te voet Vallen, en worde uw oog meer en meer gericht in den geloove op Hem, uw Heiland, die ook de nooden en den strijd en de zonden van 't jonge hart kent en weet.
Al wie gebeten is, grijsaard, de reis kort op naar 't graf, is het wel met u ? Straks en wie weet hoe spoedig opent zich de groeve en dan ? Waarop is uw geloofsoog gericht ? Is uw gebeten-zijn ten doode al omgezet in 't leven door Zijne genade ?
Kunt gij het den ouden Simeon nazeggen : Nu laat gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijn oogen hebben Uw heil aanschouwd !
Schenke God u dit voor het te laat is.
Al wie gebeten is, kranken, wier krankte sterven zal worden, vandaag of morgen, weet gij met uw gebeten-zijn ten doode u geborgen in Hem, die 't leven is. Breke straks uw stervende oog op dat Kruis van uw Borg en Zondenvernieler!
Al wie gebeten is ! Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, Goeden Vrijdag, Paaschmorgen.
Een ten doode gebeten volk, te midden van hen een biddende, lijdende, stervende
Hoogepriester.
Een ten doode gebeten volk, te midden van hen een opgestane Heere en Koning, die het Zijn volk toeroept: De dood is verslonden ter overwinning en een volk, dat die tegenzang beantwoordt in den geloove: Wy zullen de eerekroon dragen door Hem, door Hem alleen, om 't eeuwig welbehagen.
N.-Beijerland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1933

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's